Platform Rosa blog

12 juni 2009

Joe Higgins verkozen

Filed under: Buitenland,Socialisme — platformrosa @ 1:20 20

Naast de tegenvallende uitslag voor links in Europa is er ook succes te melden: de verkiezing van Joe Higgins, lid van de Ierse Socialist Party in Dublin. Joe wist in Dublin de derde en laatste zetel te winnen, en versloeg daarbij de zittende Europarlementariërs van de liberale regeringspartij Fianna Fail en van Sinn Fein. Een buitengewoon goed resultaat voor een radicaal socialist in een districtenstelsel. Joe haalde 50.000 stemmen (12,4%) van de ‘first preference’ stemmen (Ierland kent een ingewikkeld systeem van stemoverdracht naar kandidaten van je tweede en derde voorkeur).

Op Joe’s campagnewebsite vind je achtergrondartikelen en video-filmpjes. Het meest tot de verbeelding sprekende is het moment dat de uitslag bekend wordt gemaakt, gevolgd door Joe’s eerste toespraak tot de media. In de voorafgaande dagen was er door verschillende politici gewaarschuwd voor het ‘rode gevaar’. In zijn toespraak stelde Joe dat de bankiers, de kapitalisten, de managers enzovoorts nu inderdaad reden hadden om bang te zijn! Joe kondigde tevens aan dat hij, net als toen hij lid van het Ierse parlement was, genoegen zou nemen met het ‘gemiddelde loon van een geschoold arbeider’ om midden in de arbeidersklasse te kunnen blijven staan.

Meer info: een sfeerverslag van de bekendmaking van de uitslag, een rapportage over Joe Higgins als TD (lid van het Ierse parlement), en op Joe’s campagnesite de video van de bekendmaking van de uitslag en Joe’s commentaar.

De SP-uitslag nader beschouwd

Filed under: Buitenland,Populisme en Rechts-extremisme,Socialisme — platformrosa @ 12:05 05

De uitslag van de verkiezingen voor het Europees Parlement zijn door verschillende linkse weblogs besproken. Peter Storm gaat hier en hier in op de nederlaag van links en winst van rechts bij deze verkiezingen. De Internationale Socialisten bekritiseren links in Nederland voor het gebrek aan strijd tegen Wilders die oorzaak was van de nederlaag. Offensief legt de nadruk op de falende ‘minder brussel’ campagne van de SP, net als Leo de Kleijn.

De SP heeft bij de afgelopen verkiezingen een stevige dreun gekregen. Zeker, ten opzichte van 2004 werd een minieme winst geboekt, maar de populariteit van 2006 en begin 2007 is voor meer dan de helft verdampt. Daar heeft natuurlijk de niet aflatende stroom incidenten, beginnend met de kwestie-Yildirim, aan bijgedragen. Een wethouder in Schiedam ging met het grootste deel van zijn fractie op eigen titel verder, een Statenlid werd geroyeerd vanwege zijn weigering om de afdrachtregeling te respecteren, in Utrecht, Heerlen, Enkhuizen, Velsen, Dronten, Deventer, Zandvoort, Nieuwegein en elders stapten raadsleden op, hun zetel meenemend. Dat draagt niet bij aan het beeld van een sterke, eensgezinde partij. Natuurlijk heeft Agnes Kant (nog) niet het charisma en de uitstraling van Jan Marijnissen.

Al deze facetten dragen bij. Maar de belangrijkste reden van het verlies ligt aan de partij zelf: de eeuwige twijfel tussen enerzijds fundamentele kritiek willen leveren en anderzijds binnen de marges van het kapitalisme willen blijven. De angst om potentiële Wilders-aanhangers voor het hoofd te stoten – voor een belangrijk deel geen racisten, maar proteststemmers – versus de angst dat Halsema en Pechtold alleen de credits krijgen voor hun harde aanpak. De wens om enerzijds over te willen komen als een betrouwbare coalitiepartner, anderzijds zich af te willen zetten tegen PvdA en CDA. De mislukte ‘Minder Brussel’-campagne is een goed voorbeeld van de spagaat waarin de SP zit. Enerzijds zich wel af willen zetten tegen Brussel (terecht natuurlijk!) maar toch de nuance willen zoeken en geen ‘onmogelijke’ eisen stellen. Het resultaat voor de SP was nog slechter dan de slechtste peiling in de afgelopen drie jaar.

De partij had er beter aan gedaan om de kansen die er lagen en nog steeds liggen te benutten. De kredietcrisis zal ook in 2009 en 2010 nog doordenderen. Veel mensen verliezen hun baan, zien hun pensioen in gevaar komen, hun beleggingshypotheek of appeltje voor de dorst verdampen, moeten doorwerken tot hun 67 en zien tegelijkertijd bezuingingen op zich afkomen. De partij moet een duidelijke keuze maken en het socialisme als alternatief vooropstellen. Zich niet beperken tot lapmaatregelen op korte termijn, maar vooral duidelijk maken dat het kapitalisme failliet is en vervangen moet worden door het socialisme. Dus een ‘Meer Socialisme’ campagne starten in plaats van een ‘Minder Brussel’. Als de tijd er nu niet rijp voor is, dan is ze dat nooit! Juist nu zijn mensen op zoek naar een alternatief, maar als de SP niet komt met de uitleg ‘het kapitalisme is de oorzaak en het socialisme de oplossing’ dan heeft Wilders’ uitleg ‘de islam is het probleem en het in de knieën schieten van querulanten de oplossing’ kans van slagen.

De SP moet ophouden met halfslachtige internetpetities zoals ’65 blijft 65′ die geen zoden aan de dijk zetten en slechts een waterig aftreksel zijn van een echte actie. Waar is de tijd gebleven dat de SP de partij kon mobiliseren, gedurende bijna een jaar lang, om een multinational als Ikea op de knieën te dwingen?

Samengevat: om de neergang van de SP te stoppen, moet de koers gewijzigd worden. De SP moet zich weer opwerpen als fundamenteel alternatief voor het kapitalisme. Daar hoort bij dat de SP nadrukkelijk keuzes maakt en de hele partij mobiliseert voor dit doel. Niet de kritiek focussen op een deelterrein, zoals de verhoging van de pensioenleeftijd, maar uitzoomen en de partij in stelling brengen voor een alternatief: het socialisme. Dat is de enige uitweg uit de crisis waar de partij zich in bevindt.

11 mei 2009

Boeiende Socialismedag 2009 in Breda

Filed under: Socialisme — platformrosa @ 1:39 39

Overgenomen van breda.sp.nl

Op 9 mei 2009 vond wederom een editie van de traditionele Bredase Socialismedag plaats: een dag vol discussie over aspecten van het socialisme. De Socialismedag in 2009 stond in het teken van ‘politiek en economie’, actueel natuurlijk gezien de kredietcrisis, die ook uitgebreid aan de orde kwam. Daarnaast waren er inleidingen over de marxistische visie op loon, prijs en winst, over coöperaties en over arbeiderszelfbestuur in tijden van actie en strijd. De Socialismedag werd bezocht door zo’n 15 belangstellende SP’ers binnen en buiten Breda. Op deze website zijn de inleidingen van Patrick Zoomermeijer en Ron Blom gepubliceerd. Hieronder vind je enkele foto’s van de bijeenkomst.

Socialismedag SP Breda 2009

Socialismedag SP Breda 2009

Socialismedag SP Breda 2009

Socialismedag 2009 SP Breda – inleiding Ron Blom

Filed under: Gastposting,Socialisme — platformrosa @ 1:36 36

Inleiding Ron Blom over coöperaties op de Socialismedag van de SP Breda op 9 mei 2009

De arbeiders doen het zelf. Over gemeenschappelijk grondbezit, coöperaties en productieve associaties

Leerschool voor de arbeiders
Binnen de brede socialistische beweging in het algemeen, en in het radicale vakverbond Nationaal Arbeids-Secretariaat (NAS) in het bijzonder, bestonden meer dan honderd jaar geleden over de rol die de coöperaties oftewel associaties konden spelen in de klassenstrijd, verschillende opvattingen. Het was vooral de Franse anarchistische filosoof en publicist Pierre Proudhon, die geïnspireerd door de opvattingen van de vroege utopisten Charles Fourier en Robert Owen, meende de maatschappij fundamenteel te kunnen hervormen. Dat moest gebeuren door vrije associaties van werklieden en boeren en door het oprichten van kredietinstellingen. Fourier was er daarbij van overtuigd dat na de vreedzame overgang naar het socialisme de zeeën zouden veranderen in limonade! Kort gezegd beschouwden de voorstanders deze associaties als middelen om het kapitalisme uit te hollen en de grondslagen voor een nieuwe maatschappij te leggen. Zij zagen de associaties bovendien als een leerschool voor de arbeiders, zodat zij zich alvast konden voorbereiden op de toekomstige socialistische radenrepubliek, waarin zij immers ook zelf de productie en de distributie moesten regelen.

Nieuwe kapitalistische bazen
De tegenstanders waren van mening dat de associaties geen fundamentele veranderingen in het kapitalisme konden bewerkstelligen en dat de geassocieerden eenvoudigweg nieuwe kapitalistische bazen zouden worden. De strijd moest volgens hen niet naast, maar in de bedrijven gevoerd worden. Zij beschouwden de beweging van de productieve associaties als kleinburgerlijk. Het lukte binnen het NAS dan ook nooit om tot een afgerond standpunt te komen met betrekking tot deze problematiek.

SDAP en verbruikerscoöperaties
De SDAP propageerde de vorming van verbruikscoöperaties, maar moest niets hebben van het stichten van communes of kolonies en productiecoöperaties. Overigens was er wel altijd een stroming die onder invloed van het Britse ‘Chartisme’, open stond voor coöperaties. Het chartisme wilde door hervormingen en klassensamenwerking de maatschappij veranderen. Zo was de latere Amsterdamse SDAP wethouder Floor Wibaut in 1891 als een van de vertalers van de zogeheten ‘Fabian Essays in Socialism’ instrumenteel in het populariseren in Nederland van het idee van de vermaatschappelijking van de productiemiddelen, waarbij de fabians de nadruk legden op de nationalisatie van de grond. Een opvatting die ook onder anarchisten een zekere aanhang genoot. Juist de terreinen waarop de fabians actief waren: de taak en de plaats van de gemeenten, van de coöperaties en van de vakbeweging, zouden later ook de tot de belangrijkste werkgebieden gaan behoren van Wibaut in de hoofdstad.

Landelijke bundeling: Vereniging Gemeenschappelijk Grondbezit
Rond 1920 nam het aantal productieve associaties in Nederland sterk toe en dit leidde ook een opleving van de debatten en polemieken. Harm Kolthek, die actief was geweest als landelijk secretaris van het NAS en vanaf 1918 de oude libertaire Socialistische Partij leidde, was hier ook bij betrokken. In de periode dat hij in Deventer woonde en werkte was hij al in aanraking gekomen met dit soort ideeën, maar hij liep daar toen niet echt warm voor. Hier maakte hij korte tijd deel uit van een drukkerij onder de naam ‘Voorwaarts’. Naast deze drukkerij waren nog meer coöperatieve bedrijven aangesloten bij de Deventer ‘Coöperatieve Verbruiks- en Productievereeniging Ons Belang’. Ons Belang was lid van de landelijke Vereniging Gemeenschappelijk Grondbezit (GGB).

Geen klassenstrijd
GGB was een beweging van landbouwkolonies, verbruikscoöperaties en productieve associaties, die samen de beweging van ‘binnenlandse kolonisatie’ moesten vormen. De arbeiders zouden zelf de productie ter hand moeten nemen om zo het kapitalisme van binnenuit uit te hollen en de nieuwe maatschappij op te bouwen. De kritiek van Kolthek richtte zich vooral op de opvatting zoals door GGB voorman en bekend literator Frederik van Eeden verwoord ‘dat G.G.B. de socialistische klassenbeweging moet vervangen’. Daarmee verwierp grondlegger Van Eeden de klassenstrijd. Kolthek achtte het één van de middelen van de socialistische beweging. Maar ook in het NAS-milieu en vanzelfsprekend in en rond de SP bespraken de activisten soortgelijke opvattingen.

Zelf doen zonder politieke partijen
Het is dan ook niet verwonderlijk dat Kolthek in Recht voor Allen van 11 mei 1918 een bespreking plaatste van de zojuist gepubliceerde brochure Een Economische Bond van Arbeiders. Een woord aan allen, die het wel meenen met hun medemenschen en zich zelven. De auteur van het werkje was Foeke Kamstra, de voorzitter van de Bond van Productieve Associaties GGB. Kamstra stelde dat er niets te verwachten was van politieke partijen, maar dat de arbeiders het zelf moesten doen. Overigens was hij niet geheel consequent want eerder pleitte hij in een hoofdartikel in het GGB-blad nog wel voor een stem op de SP bij de verkiezingen van 1918.
De vakorganisatie en coöperatie, aldus Kamstra, waren ondergeschikt gemaakt aan de belangen van de politiek in plaats van omgekeerd. De invloed van de werknemers in de bedrijven moest vergroot worden. Daartoe moesten de vakbonden een rol spelen bij de productie, de ruil en de distributie van de eerste levensbehoeften. Arbeiders dienden zich niet te laten verdelen naar religie, ‘modern’ of ‘onafhankelijk’ (het met de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij verbonden NVV of het radicalere NAS). Volgens Kamstra moesten de arbeiderscoöperaties een hoofdrol spelen bij de distributie en de samenwerking met de vakorganisaties en de vertegenwoordigers in het parlement. De GGB-voorman sprak zich uit voor een ‘economische bond van arbeiders van alle gezindten tegen staatssocialisme’.

Coöperaties onder kapitalistische verhoudingen
Kolthek voelde zich zeker aangesproken door het appèl aan de arbeiders om het zelf te doen. Ook kon hij zich natuurlijk vinden in de grotere invloed van de werkenden in de bedrijven en dat ze zich niet moesten laten verdelen naar politieke voorkeur of religie. Dat was ook steeds zijn opstelling geweest binnen het NAS. In het algemeen waarschuwde hij wel voor te hoge verwachtingen van de coöperatie onder nog steeds kapitalistische verhoudingen. De voornaamste kritiek op zijn vriend, maar toen nog geen partijgenoot, betrof echter het gebrek aan verbinding met de zaak van het socialisme. In Deventer liet Kolthek al weten dat de coöperatie één van de middelen van de socialistische beweging was maar niet zaligmakend.
Kamstra reageerde met te stellen dat hij bij zijn opvattingen over de coöperatie zou blijven. Hij zei een ‘praktisch socialisme’ na te streven, aan theoretisch socialisme hadden de arbeiders weinig. Kamstra sloot hiermee aan bij de opvattingen zoals verwoord door Felix Ortt in zijn brochure Praktisch socialisme. Hij eindigde met een oproep tot samenwerking. Iets waar de redactie van het SP-orgaan Recht voor Allen wel voor voelde. Dit zou in 1919, aan het einde van de Eerste Wereldoorlog en in een periode van revolutionaire opgang, resulteren in de eerder aangehaalde eenheidsbesprekingen tussen SP, GGB en andere radicaal-linkse organisaties.

Vakbeweging en coöperaties
Binnen de onafhankelijke vakbeweging speelde dit debat eveneens. NAS-voorzitter en SP-lid Bernard Lansink jr. had al eerder onder vuur gelegen binnen het NAS. De anarchistisch propagandist en lid van de Groninger GGB-drukkerij Volharding, Jan Bijlstra, had een sympathiek artikel met betrekking tot de associaties gestuurd naar De Arbeid. Lansink had hier een kritisch commentaar onder laten plaatsen. Bestuurslid Theo Dissel was van mening dat het NAS zich niet zo uitdrukkelijk moest uitspreken. Drie jaar later zou Lansink zich aanmerkelijk positiever uitlaten over de relatie tussen de productieve associaties en de onafhankelijke vakbeweging.

Staking tegen eigen instellingen
In 1922, brak er onder leiding van de Plaatselijke Federatie van Bouwvakarbeiders (PFBA) in Amsterdam een staking uit onder de werknemers werkzaam bij de Federatie van Zelfstandig Werkende Groepen (FvZWG) in het Bouwbedrijf. De staking werd niet veroorzaakt door communistische agitatie, ook niet doordat er onvoldoende overleg was tussen de onafhankelijke vakbeweging en de associaties. De voornaamste reden was dat de vakbeweging niet in staat was geweest een realistische politiek ten aanzien van de associaties te voeren. Vanaf 1920 kreeg de Nederlandse arbeidersklasse al te maken met de gevolgen van de economische crisis: werkloosheid, loonsverlaging en arbeidstijdverlenging. De bouwvakstakers verzetten zich tegen een eenzijdig door de FvZWG doorgevoerde loonsverlaging en de opvoering van de arbeidsproductiviteit. Vooral bestuurder Loek Spanjer van de Landelijke Federatie van Bouwvakarbeiders was tegen de staking. Maar hij stond niet alleen. NAS-veteraan Kolthek en ook de anarchisten van De Vrije Socialist bekritiseerden de staking. De Arbeid viel zowel de FvZWG als de PFBA aan. Deze associatie (de FvZWG) waarvan onder andere de bij de GGB aangesloten Metselaars- en Opperliedenvereniging van Frits Drewes deel uit maakte was dan niet het, maar wel een middel in de strijd voor een socialistisch productie- en distributiestelsel. Eigenlijk staakten de werknemers tegen instellingen die in zekere zin van hen zelf waren en onderdeel vormden van de beweging. Bovendien behoorden de lonen en arbeidsvoorwaarden al tot de betere in de sector. Spanjer besloot zelfs uit het NAS te stappen.
Op de achtergrond van dit conflict speelde de invloed van Moskou en de Nederlandse communisten op het NAS. De communistische krant De Tribune nam een vijandige houding in ten aanzien van de associaties. Meer anarchistisch georiënteerde vakbondsleden als Spanjer legden de nadruk op de leerschool die de arbeiders in de associaties hadden voor het zelf regelen van de productie en distributie, zoals dat later ook in de socialistische maatschappij zou gebeuren. Dit droeg allemaal bij tot een atmosfeer van wantrouwen. Zoals Kolthek stelde:

De drijfkracht in deze staking is de bolsjewistische mik-mak. Door De Tribune worden de arbeiders vergiftigd met opzettelijke leugens en laster. (…) Maar we weten het: het bolsjewisme staat principieel vijandig tegenover de productieve associatie. De verovering van de staatsmacht is het voornaamste en dan zullen dictatuur en terreur wel voor de rest zorgen.

Karl Marx en de Eerste Internationale
Onbekend is of de communisten precies op de hoogte waren van het standpunt van Karl Marx. In de schriftelijke instructies die hij meegaf aan de gedelegeerden van het eerste congres dat de Internationale Arbeiders Associatie (Eerste Internationale) in 1866 te Genève belegde, kwamen de productiecoöperaties al ter sprake. Marx zei nadrukkelijk:

Wij beschouwen de coöperatiebeweging als een van de stuwende krachten bij de omvorming van de huidige op klassentegenstellingen berustende maatschappij. Haar grote verdienste bestaat daarin praktisch te bewijzen, dat het bestaande despotieke en armoede voortbrengende systeem, gebaseerd op de onderwerping van de arbeid aan het kapitaal, vervangen kan worden door het republikeinse en zegenrijke systeem van samenwerkende vrije en gelijke producenten.

Daarbij zag hij meer in productie- dan in consumptiecoöperaties want de laatste ‘beroeren slechts de oppervlakte van het huidige economische systeem, terwijl de eerste het in zijn grondvesten aantasten’. Tegelijkertijd gaf Marx de beperkingen van de productieve associaties aan en zei dat het bleef bij ‘dwergachtige vormen, die enkele loonslaven door hun persoonlijke inspanningen tot ontwikkeling kunnen brengen’. Hiermee zette hij zich af tegen de aanhangers van Proudhon. De coöperaties zullen ‘nooit in staat zijn de kapitalistische maatschappij om te vormen’. Daarvoor zijn algemene maatschappelijke veranderingen nodig en de politieke voorwaarde daarvoor is dat de staatsmacht zich in de handen van de producenten zelf bevindt. Vooral op dit laatste legden de communisten van de CPN/CPH de nadruk. De Comintern nam in 1921 op haar derde congres zelfs een speciale resolutie aan.
Het NAS-bestuur zat met de bouwstaking in de maag. Voor het openlijk uitbreken van het conflict deed zij nog een tevergeefse poging een bemiddelingscommissie in te stellen. De plaatselijke federatie (PFBA) wilde niet ingaan op het voorstel van de Landelijke Federatie van Bouwvakarbeiders (LFBA) de staking te verschuiven en dwong het landelijk tot steun. De NAS-leiding wees de beschuldiging van ‘bolsjewistische terreur’ resoluut van de hand.
Achteraf kwam er een commissie tot stand met vertegenwoordigers van de Federatie van Zelfstandig Werkende Groepen en de bouwvakorganisaties in het NAS/PAS. Doel van de commissie was om tot een betere samenwerking te komen tussen de vakbeweging en de GGB. De bemiddelingscommissie concludeerde dat de voorgestelde loonsverlaging noodzakelijk was. Bovendien was ze van mening dat er eigenlijk wel wat harder gewerkt kon worden, want dan zouden de financiële problemen ook niet ontstaan zijn. Beide partijen aanvaardden het commissierapport, maar van samenwerking tussen de onafhankelijke vakbeweging en associaties kwam het niet meer.

Broederstrijd vakbeweging – arbeidersassociaties
Spanjer schreef naar aanleiding van de hele affaire de brochure De broederstrijd in het bouwbedrijf te Amsterdam. Tragedie der wankelmoedigen. Hij verweet de bouwbondbestuurders nooit een duidelijk standpunt te hebben ingenomen tegenover de associaties. Ook verweet hij ze geen paal en perk te hebben kunnen stellen aan het zijns inziens asociale lijntrekken door metselaars en opperlieden. Ten slotte noemde hij ook de volgens hem destructieve invloed van de communisten. Kolthek kon zich vinden in de brochure van Spanjer, hoewel de toon wel ‘erg bitter’ was.
Van diverse toenmalige SP-leden is bekend dat ze de coöperatiegedachte een warm hart toedroegen. Zo bezochten enkelen van hen de landbouwkolonie De Ploeg in Best. In de kolommen van het partijblad Recht voor Allen kwam de kwestie van de coöperaties meerdere malen terug. Chris Kamper, medestrijder uit de in 1904 opgerichte tuinbouwgroep uit de landbouwkolonie te Nieuwe Niedorp, deed in het partijorgaan een oproep om als producenten direct aan de consumenten te leveren zonder tussenkomst van grossiers. Kamper was dienstweigeraar en organiseerde Esperantocursussen. In Nieuwe Niedorp predikte de christen-socialistische dominee Nico Schermerhorn. Hoewel hij niet direct betrokken was bij de kolonie, had hij wel grote invloed op het denken en doen van veel van zijn volgelingen. Volgens Kamper was zijn voorstel een middel om de duurte te bestrijden. De redactie kon hiermee instemmen ‘mits krachtig en zakelijk aangepakt door ernstige menschen’.
Binnen partijverband bleef de associatiegedachte de gemoederen bezig houden. Zo schreef ‘T. v. de Horst’ over coöperatie, associatie en bedrijfsorganisatie. In Amsterdam vonden in 1923 en 1924 enkele goedbezochte gezamenlijke vergaderingen plaats van SP en GGB over de productieve associatie en de vakbeweging. Discussie was er vooral over welk van de twee belangrijker was. Lansink jr. stond op het standpunt dat de vakbeweging belangrijker was dan de productieve associatie. Kamstra had de tegenovergestelde mening. Volgens Kolthek ‘ontbrak het beide sociale organisaties aan goede leiding en een socialistisch bewustzijn’.

Socialisatie van bovenaf
Ook de sociaal-democratie stond nu meer open voor de coöperatiegedachte. Al in de woelige rode novemberdagen van 1918 kwamen SDAP en NVV op voor de ‘socialisatie van alle bedrijven die daarvoor in aanmerking komen’. Het NVV belegde in 1920 zelfs een congres over deze problematiek. De vanuit deze hoek komende gedachten over medezeggenschap en socialisatie stonden ver af van de praktijk van GGB, dat juist het initiatief van onderop en de zelfwerkzaamheid van de arbeiders bepleitte. SP-lid Willem Sligting was in het GGB-orgaan Vrije Arbeid zeer kritisch over het uit NVV kring afkomstige Rapport Bedrijfsorganisatie en Medezeggenschap. De fabrieken kwamen niet toe aan de arbeiders, maar aan ‘de gemeenschap’, dat wil zeggen een minister zou de raad van toezicht voorzitten. Daarnaast zou het personeel vertegenwoordigd worden door een personeelsraad. De voormalige eigenaars konden bovendien rekenen op een redelijke schadevergoeding. GGB en NVV stonden zeer ver van elkaar.

Verdeeldheid
De linkse beweging was sterk verdeeld over het nut van de coöperaties onder het kapitalisme. GGB onder leiding van Kamstra was het meest positief. Het NAS was het intern niet eens en kon eigenlijk niet tot een afgerond standpunt komen. Dit leidde tot confrontaties op het sociale vlak in de Amsterdamse bouwvakwereld. De CP had weinig sympathie voor de associatiegedachte en oriënteerde zich vooral op de verovering van de staatsmacht, als voorwaarde voor een succesvolle toepassing ervan. De SP onder leiding van Kolthek nam vooralsnog een middenpositie in. De associatie, mits socialistisch georiënteerd, kon een rol spelen in de voorbereiding op vormen van productie in een niet meer kapitalistische maatschappij. Dat lag vooral op het vlak van de verhoging van het bewustzijn. Illusies moesten daarbij vermeden worden, het was een van de middelen van de socialistische beweging en zeker niet belangrijker dan de onafhankelijke vakbeweging. De SDAP was vooral enthousiast over verbruikerscoöperaties.

De Woelrat
Wat kunnen wij hier in het jaar 2009 met dit soort discussies en experimenten? Begin jaren tachtig liep ik in het kader van mijn opleiding aan de Haagse Sociale Academie een zogeheten snuffelstage bij de linkse drukkerij ‘De Woelrat’ die was gevestigd in mijn toenmalige woonplaats Boskoop. Het sierheestercentrum Boskoop was een kleine agrarische gemeenschap waarbinnen de christelijke politiek dominant was. In deze collectieve drukkerij De Woelrat trachtten een handjevol compagnons om op basis van arbeiderszelfbestuur gezamenlijk een bedrijf te runnen. De drukkerij fungeerde tevens als vergadercentrum van de plaatselijke Pacifistisch Socialistische Partij (PSP) afdeling en nadat de restanten van de drukkerij verhuisd waren naar Den Haag en een ander adres in Boskoop, startten we hier een collectieve boekhandel onder de provocerende naam ‘De Vijfde Colonne’ en uitgeverij ‘Kronstadt Kollektief’. Ik heb hier veel van opgestoken, meer dan ik me aanvankelijk realiseerde.

Zonder illusies en zonder ridiculisering
Binnen de plaatselijke afdeling van de Socialistische Partij, of dat nu in hier in Breda is of in Amsterdam, proberen we ook een sfeer en situatie te creëren waarbinnen de leden zich naar vermogen en behoefte kunnen ontwikkelen en ontplooien. We zijn ons er van bewust dat dit alles nog steeds plaatsvindt onder de wetten van de kapitalistische wareneconomie. Maar juist omdat we niet kunnen afwachten tot de laatste definitieve en triomferende stormloop op de commandocentra van het kapitalisme heeft plaatsgevonden, proberen we hier en nu al iets van die toekomstige maatschappij te realiseren. Niet om ons daarmee in slaap te laten sussen en tevreden te zijn met een lege dop. Het biedt ons de gelegenheid het genoegen te proeven van een maatschappij zonder bazen en uitbuiters. Om onze spieren te oefenen en onze gedachten te focussen op een tijd waarin voor het kapitalisme geen plaats meer zal zijn. Zonder illusies en zonder ridiculisering.

Socialismedag 2009 SP Breda – inleiding Patrick Zoomermeijer

Filed under: Gastposting,Socialisme — platformrosa @ 1:25 25

Voor de Socialismedag van de SP-afdeling Breda op 9 mei 2009 was ik gevraagd een inleiding te even over het boekje “Loon, Prijs en Winst” van Karl Marx.

Loon, Prijs en Winst is gedrukte versie van de inleiding die Marx gaf op een bijeenkomst van de eerste socialistische internationale (waar toen ook nog anarchisten bij waren aangesloten) in 1865. In Loon,
Prijs en Winst beschreef Marx in betrekkelijk simpele bewoordingen zijn zogenaamde “arbeidswaardetheorie”, die hij later, vanaf 1867, in de diverse delen van Das Kapital (Het Kapitaal) verder uit zou werken.
Daarmee vormt het boekje Loon, Prijs en Winst (in Nederlandse vertaling) een prima inleiding van Marx zelf op de marxistische economie. Een aanrader!

In de inleiding die ik op de Socialismedag gaf heb ik geprobeerd de basis van de marxistische economie en haar kritiek op de kapitalistische economie te schetsen. Op veel onderwerpen heb ik door tijdsgebrek niet diep in kunnen gaan, hoezeer ze die aandacht ook verdienen. Maar ik hoop dat na mijn inleiding duidelijk is geworden wat de marxistische visie is op lonen, prijzen en winst, en hoe ze tot stand komen. Ik hoop ook dat dat een bijdrage levert aan het begrip van de dagelijkse uitbuiting onder het kapitalisme, en een aanzet geeft tot verzet tegen deze uitbuiting.

Met socialistische groet,

Patrick Zoomermeijer
rodezaanstreek@gmail.com

Hoe werkt het kapitalistisch systeem?
Inleiding tot de politieke economie

Overal waar je kijkt, zie je hetzelfde. Topdrukte bij het UWV, uitzendkrachten die als eerste hun baan verliezen maar ook weer alleen via uitzendbureaus weer aan werk kunnen, winkelcentra en yuppenwoningen waar ooit fabrieken stonden. Mensen moeten alle zeilen bijzetten om het hoofd boven water te houden. Dit is Europa in de 21ste eeuw.
Hoewel de heersende klasse beweert dat economie te ingewikkeld is voor gewone mensen en dat ze het toch niet begrijpen, vinden socialisten economie heel belangrijk. Economie legt uit hoe de rijkdom van onze maatschappij geproduceerd en verdeeld wordt. Vandaag de dag worden zaken die mensen nodig hebben niet gemaakt, zoals betaalbare medicijnen voor armen, en als ze wel gemaakt worden, kunnen we ze in veel gevallen niet betalen.
Wanneer we meer loon vragen, wordt ons verteld dat het onbetaalbaar is, dat we moeten wachten tot de economie er weer bovenop is en dat de stijgende loonkosten een rem zijn op de economische groei. De regeringspolitiek kan de economie beïnvloeden, maar de kapitalistische regeringen kunnen de fundamentele problemen uiteindelijk niet oplossen: uitbuiting, werkloosheid, massale armoede en regelmatig terugkerende economische crisissen. Daarom vechten socialisten niet alleen voor de beste levensomstandigheden die er mogelijk onder het kapitalisme, maar vechten socialisten ook voor de omverwerping van dit systeem en de vervanging ervan door het socialisme.
Een begrip van hoe het kapitalisme werkt is belangrijk als we die strijd willen voeren.

Wat is kapitalisme?

Kapitalisme is gebaseerd op het privé-eigendom van de productiemiddelen: de bedrijven, de machines, de winkels en het financiële systeem.
Kapitalisten verkrijgen hun inkomen uit dit eigendom, door winst uit hun investeringen te halen, en niet door zelf productieve arbeid te verrichten, zoals arbeiders. Een arbeider aan de andere kant, nu ook vaak apolitiek ‘werknemer’ genoemd, moet zijn arbeidskracht verkopen. Een arbeider verkoopt zijn vermogen om te werken, om te produceren, en krijgt daar een loon voor terug.
Overigens, sommige delen van de economie kunnen publiek eigendom zijn, maar de grote privé-bedrijven vormen het belangrijkste deel van de economie.

Het privé-eigendom begon niet pas met het kapitalisme, dat slechts 250 jaar bstaat, heel erg kort dus.
Ook eerdere maatschappijen, zoals de slavenmaatschappij en het feodalisme waren op het privé-eigendom gebaseerd. Ook toen werden gewone mensen uitgebuit. Slaven werkten en kregen alleen voedsel en onderdak; lijfeigenen werkten een deel van de week op de landgoederen van de landheer of gaven een deel van hun oogst aan hem, of allebei.
De manier waarop arbeiders onder het kapitalisme uitgebuit worden, is anders. De lijfeigene had meestal een stukje land in bezit of had er rechten op. Voedsel en andere levensnoodzakelijkheden werden meestal door henzelf gemaakt. De arbeiders van vandaag kunnen hun eigen voedsel niet meer kweken of hun eigen kleren maken. Ze worden gedwongen voor een baas te werken om de eindjes aan elkaar te knopen.
Daarom noemde Karl Marx, de Duitse radicaal-socialist, het kapitalisme de “veralgemeende warenproductie”. Dat is het idee van het marktsysteem: alles is te koop, alles is een waar. Men noemt het de ‘vrije markt’. Er is echter niets vrij aan de markt als je een laag-betaalde baan hebt. En kan er vrijheid zijn in een wereld waar alles verdeeld wordt door een klein aantal grote bedrijven, en die de wereldeconomie domineren?

Arbeiders creëren de rijkdom

Een blik op het inkomen en de levensstijl van de grote bazen en de rijken, één blik op de grote en vaak zeer mooie gebouwen in onze steden, de rijken die booschappen doen in de PC Hooftstraat, kan slechts tot één conclusie leiden: Nederland is geen arm land.
Wie heeft echter die rijkdom gecreëerd? Wie heeft de flats en de paleizen, de auto- en spoorwegen gebouwd? De bron van alle rijkdom in de kapitalistische maatschappij is de arbeid van de arbeidersklasse. De arbeidersklasse bestaat niet alleen uit fabrieksarbeiders die werken met hun handen; het is de grote meerderheid van de bevolking die leeft door hun arbeidskracht – hun vermogen om te werken – te verkopen. Als we spreken over de arbeidersklasse bedoelen we dan ook zowel de bouwvakkers als kantoorpersoneel, chauffeurs en winkelbedienden, horecapersoneel en mensen die werken in de zorg.
Sommige arbeiders kunnen misschien een aantal aandelen bezitten, maar ze zullen nog steeds moeten werken om voldoende inkomen te verkrijgen. Werklozen en arbeiders in deeltijd behoren nog steeds tot de arbeidersklasse – het is de fout van het systeem dat ze geen recht op werk hebben.
Het is de arbeid die zaken hun waarde geeft in de marxistische zin van het woord. De natuur levert de grondstoffen, de lucht, het water, de mineralen en het voedsel dat we nodig hebben om te leven. We kunnen echter de meerderheid van de natuurlijke bronnen niet rechtstreeks gebruiken – ze moeten bewerkt worden om ze voor ons nuttig te maken. Regen bijvoorbeeld kan alleen waarde krijgen wanneer het bewerkt wordt tot drinkwater. Dus het moet worden opgepompt, gefilterd, verplaatst naar de plaats van consumptie via flessen of leidingen.

Wij maken het geld

Rondlopen in een supermarkt kan zeer frustrerend zijn, vooral als je niet vindt wat je zoekt. Wat opvalt in een supermarkt is de enorme variatie in de prijzen voor de goederen. Waarom zijn alle prijzen anders?
Kapitalistische economen beweren dat het allemaal afhangt van ‘vraag en aanbod’. Als ik 1.000 ijsjes heb en slechts 1 persoon wil er één kopen, dan zullen ze heel erg goedkoop zijn. Als ik slechts 1 ijsje heb en 1.000 mensen willen het kopen, zal dat ijsje voor een klein fortuin verkocht worden. Dit begrijpt iedereen. Maar dit verklaart nog niet de prijzen, want uiteindelijk zullen alle prijzen zich gelijkschakelen, worden uitgesmeerd. Als 1.000 mensen ijsjes willen, zal dat meer verkopers ter ore komen, en wordt de schaarste opgelost.
Nee, wat een waar duurder maakt dan het andere, hangt in laatste instantie niet af van vraag en aanbod, maar van de arbeidstijd die nodig is om het die waar te produceren.
Dit is de kern van de “arbeidswaardetheorie” die Marx meehielp te ontwikkelen. De wet van vraag en aanbod kan misschien uitleggen waarom een Rolls Royce op het ene moment voor 200.000 euro verkocht wordt en op het andere moment voor 175.000 euro. Maar ze kan echter niet verklaren waarom een handgemaakte en bestelling geleverde Rolls Royce altijd duurder zal zijn dan een op een lopende band in massa geproduceerde Hyundai. Dit komt doordat er veel meer arbeidstijd in de productie van een Roll Royce kruipt dan in het maken van de Hyundai.

Wat heeft dit met de prijzen van goederen te maken?
Geld lijkt ons leven te beheersen. Er is er nooit genoeg. De kern is echter dat het de arbeidersklasse is die het geld maakt. Geld is de maat van de waarde. In plaats van “het aantal minuten of uren arbeidstijd” dat het duurt om bijvoorbeeld een blik bonen te maken, hangt er een prijskaartje aan: geld is de uitdrukking van de waarde in de echte wereld. Het is uiteraard zeer onpraktisch als iedereen met elkaar goederen zou ruilen: de kapitalistische maatschappij heeft een uitdrukking nodig voor de waarde van een goed. Er is een uitdrukking nodig die door iedereen gebruikt wordt en dus een uniform systeem vormt. Geld is een dergelijke uitdrukking van de ruilwaarde. Marx noemde het de “universele ruilwaarde”.

Wij produceren de winsten

We hebben het al over kapitalisme gehad, maar wat is “kapitaal”? Een koffer vol briefjes van 50 euro onder je bed is leuk om hebben, maar het is geen kapitaal. Kapitaal is geld, machines en materialen die samengebracht worden om arbeiders aan het werk te zetten.
Arbeiders zijn de bron van de rijkdom. Maar bovenal zijn arbeiders de bron van de nieuwe weelde die de levensstijl en de investeringsplannen van de bazen mogelijk maakt. Hoe is dit mogelijk?
Deze grote zwendel, deze oplichting gebeurt niet openlijk. Als iemand 38 uur werkt, krijgt hij/zij het ‘gebruikelijke loon’ en komt hij/zij thuis met geld goed voor 38 uur werk. Het is een van de grote mythes van het kapitalisme, dat werk gebaseerd is op een ‘goed dagloon voor een goede dag werk’. Als we een blik werpen op de werkdag, kunnen we die mist doen opklaren.

De werkdag
Stel, een persoon werkt 8 uur per dag. In die periode wordt 8 uur arbeidstijd gespendeerd in de productie van goederen of diensten. Maar de werknemer zal nooit die 8 uur uitbetaald krijgen in de vorm van loon! Als de arbeider de volledige opbrengst zou krijgen van hetgeen hij/zij gemaakt heeft, zou er geen winst zijn en zou het bedrijf failliet gaan.
De eerste uren van de werkdag produceert de arbeider genoeg goederen of diensten, om zijn loon te betalen. Met dat loon kan de arbeider zijn huur of hypotheek, zijn energierekening, zijn eten, zijn lidmaatschap van de voetbalclub etcetera betalen. Kortom: hij werkt dan genoeg om in zijn onderhoud te voorzien, zodat hij elke dag weer fris op zijn werk verschijnt.
Het zou zo maar kunnen dat de arbeider al in 4 uur werk per dag in zijn onderhoud kan voorzien. Maar hij kan echter niet na 4 uur naar huis gaan: de arbeider moet nog verder werken voor de baas, onbetaald, en dus gratis. Iedere dag, maken arbeiders hun bazen rijker.
Deze extra arbeid noemde Marx de” meerwaarde”. Deze meerwaarde kan worden opgedeeld in bijvoorbeeld de huur van de werkplaats of het kantoor aan de verhuurder, rente aan de bank voor bedrijfsleningen en natuurlijk winsten voor de baas.
Alles dat in de winkels verkocht wordt, heeft een beetje meerwaarde in zich, en wanneer de waren worden verkocht realiseert de kapitalist die meerwaarde in de vorm van “winst”. Een daar doet de kapitalist het voor! Alle winst is uiteindelijk dus voortgekomen uit de onbetaalde arbeid van de arbeidersklasse.

Sommigen zeggen dat het de consumenten zijn en niet de arbeiders die uitgebuit worden.
Dit argument zou betekenen dat bazen meer geld vragen dat het eigenlijk kost – ze beroven de consument. Het is zeker waar dat winkels ons steeds zullen proberen te bestelen als ze dat kunnen. Maar nieuwe rijkdom komt niet hoofdzakelijk uit dat soort praktijken.

Voorbeeld:
Als ik een auto heb die 1.000 euro waard is en ik verkoop die voor 1.500 euro, dan heb ik 500 euro gewonnen en de koper heeft 500 euro verloren. Er is een overdracht van geld van de koper naar mij. Er is echter geen nieuwe rijkdom gecreëerd, er is niets geproduceerd, de auto was er al. Dit is dus geen productie, dus wordt er geen waarde gecreeerd.

Wat bepaalt welk deel van de arbeidsdag er naar de arbeider gaat in de vorm van loon, en hoeveel er naar de kapitalist gaat in de vorm van meerwaarde of winst?
De baas zal proberen de lonen en de “noodzakelijke arbeidstijd” (de tijd waarin de arbeider goederen of diensten produceert die een waarde hebben gelijk aan het loon dat uitbetaald wordt) zo laag mogelijk te houden om de winsten op te drijven. Uiteindelijk wil hij net genoeg loon geven om de arbeider als het ware ‘in leven’ te houden om terug te laten komen om te werken en om een nieuwe generatie arbeiders te laten opgroeien. Maar zelfs dat is geen vaststaand gegeven. In periodes van hoge werkloosheid zal het de baas niet kunnen schelen als de arbeider ongezond wordt door de lage lonen – zolang er anderen zijn om zijn/haar plaats in te nemen. Vandaag hebben veel gezinnen twee inkomens nodig om genoeg geld te hebben om een gezin te onderhouden en dus een nieuwe generatie arbeiders op de wereld te zetten. De werkende klasse moet de balans in de andere richting duwen. Door zich te organiseren in een vakbond en te strijden voor hoger loon en betere arbeidsomstandigheden kunnen de arbeiders de bazen dwingen een deel van hun meerwaarde of winst op te geven.

De kapitalist kan van zijn kant proberen de meerwaarde te vergroten door de arbeiders harder te laten werken, en zo de productie te verhogen.
Hij kan de arbeiders dwingen harder te werken. Hij kan daar ofwel brute uitbuitingstactieken voor gebruiken, ofwel met bonussystemen werken om de arbeiders te verleiden. Bonussystemen zullen zelden de arbeiders compenseren voor de extra meerwaarde die geproduceerd wordt, anders zou de baas ze niet introduceren. De meeste systemen met bonussen werken ook nog eens verdelend – ze zetten de ene arbeider op tegen de andere. De baas zal arbeiders tot op het merg willen uitzuigen. Maar het menselijk lichaam heeft zijn grenzen. Op een bepaald moment zullen we kwaad worden. En bazen hebben honger voor meer winst dan ons zweet kan leveren.

De machine beheerst ons leven

Het geheim van de ontwikkeling van het kapitalisme ligt in het gebruik van machines. Iemand die moderne machines gebruikt zal in het algemeen altijd productiever en dus winstgevender zijn dan een arbeider met oude (of zonder) machines. Zo is de industrie in Nederland over het algemeen inderdaad moderner dan de traditionele industrie in bijvoorbeeld Belgisch Wallonië. Van stoomkracht tot de meest moderne computergestuurde productiesystemen, het is altijd het zelfde liedje geweest. Het versnellen van de productie om zo snel mogelijk de loonkosten te produceren en dus de meerwaarde per arbeider massaal te verhogen. In moderne auto-fabrieken worden de lonen zo snel geproduceerd dat de arbeiders voor feitelijk een groot deel van het jaar gratis werken voor de baas.

Nieuwe technologie biedt het potentieel om de werkweek te verkorten tot een paar uur. Onder kapitalisme betekent die ‘arbeidsbesparende techniek’ echter een mes in onze rug.
De kosten van de machines zijn zo hoog dat de baas de productie opdrijft om schulden af te betalen. En de machines vervangen arbeid. Dit feit bleef verborgen gedurende de grote economische groei van 1950-1973. Terwijl grote investeringen plaatsvonden in lopende band-systemen (bijvoorbeeld in autofabrieken), waren nog steeds grote aantallen arbeiders nodig om de machines te bemannen. De hedendaagse technologie heeft echter steeds minder arbeiders nodig.

Ze gokken met ons geld

In de beginperiode van het kapitalisme was het familiebedrijf een normale zaak. Toen ‘efficiëntere’ bedrijven andere opslokten, begonnen de grote bedrijven de wereld te beheren. Denk aan hoe Albert Heijn begon als kruidenier in de Zaanstreek, maar nu een gigantische multinational is die andere bedrijven opslokt en kleine kruideniers kapot concurreert.

Terwijl de meerwaarde steeds groter werd, konden financiële instellingen het geld dat door arbeid werd gecreëerd, gaan verhandelen. Grote banken werden giganten. Bouw- en verzekeringsmaatschappijen en pensioenfondsen zijn ontwikkeld om het geld te verhandelen en er winst op te maken. De moderne kapitalist heeft het bedrijf waarin hij investeert misschien nooit van binnen gezien! Het tijdverdrijf van de kapitalisten bestaat erin met ons geld te gokken door die aandelen uit te kiezen waarmee ze denken het meeste geld te kunnen verdienen. De grootste casino’s bevinden zich op de ‘financiële markten’. Door het kopen en verkopen van munten wordt dagelijks honderden miljarden euro over de hele wereld verhandeld. En dan vertellen ze ons dat er geen geld is voor sociale zekerheid!

De markt werkt niet

Als het kapitalisme winst blijft maken, waarom stort de economie dan ineen? Waarom is er massale werkloosheid? Wat is er mis met de markteconomie?

Daar zijn twee hoofdredenen voor:
1) De tendens van de dalende winstvoet
Kapitalisten investeren hoge sommen in machines om de meerwaarde die iedere arbeider produceert te vergroten. Terwijl de arbeiders enorme winsten produceren, kan er een trend zijn waarbij de kosten van de machines de winst voor de bazen doet dalen.
2) Problemen in de markt
Arbeiders worden niet voor een volledige werkdag betaald. Ze kunnen dan als arbeidersklasse, die immers ook de consumenten zijn, ook niet alle goederen en diensten die ze produceren terugkopen. Uiteindelijk zorgt het kapitalisme voor “overproductie”: er wordt meer geproduceerd dan de maatschappij kan kopen. In de kapitalistische markteconomie is er geen rationele, democratische controle op de productie.

Verklarende woordenlijst:

Absolute meerwaarde: de meerwaarde die geproduceerd wordt door de werkdag langer te maken.
Kapitaal: geaccumuleerde rijkdom die gebruikt wordt om arbeidskracht uit te buiten en meerwaarde te creëeren. Waarde die waarde voortbrengt: het groeit (“accumuleert”) door uitbuiting.
Kapitalisme: de productiewijze die gebaseerd is op de productie van waren, met een klassensysteem van loonarbeid en privé-eigendom van de productiemiddelen.
Waar: een product of dienst die geproduceerd wordt voor verkoop op de markt. De waarde ervan wordt gemeten aan de hand van de “gemiddelde maatschappelijk noodzakelijke arbeidstijd” die nodig is om het te produceren – de gemiddelde productietijd onder de gegeven sociale omstandigheden.
Constant kapitaal: kapitaal dat in machines en grondstoffen zit, ook wel “dode arbeid” genoemd.
Krediet: het algemeen systeem van lenen voor winst.
Ruilwaarde: de waarde van een waar vergeleken met andere waren. Bijvoorbeeld: 1 jas = 2 paar broeken = 50 EURO. Ze wordt gemeten door de maatschappelijk noodzakelijke arbeidstijd van de te ruilen goederen.
Arbeidskracht: het vermogen om te produceren. Voor de prijs ervan (lonen) zie: noodzakelijke arbeidstijd.
Noodzakelijke arbeidstijd: het deel van de werkdag waarin de goederen geproduceerd worden die nodig zijn om de loonkosten te betalen.
Organische samenstelling van het kapitaal: de verhouding tussen de waarde van dode arbeid (machines en grondstoffen) en arbeidskracht in een kapitalistische industrie of economie.
Uitbuitingsgraad (of meerwaarde): de hoeveelheid onbetaalde arbeid (meerwaarde) tegenover de hoeveelheid betaalde arbeid.
Relatieve meerwaarde: meerwaarde gecreëerd door de arbeidstijd te verminderen om iets te produceren (in kortere tijd wordt evenveel geproduceerd).
Meerwaarde: rente en winst, de onbetaalde arbeid van de arbeidersklasse.
Gebruikswaarde: het nut van een bepaald object.
Waarde (of ruilwaarde): de ‘lijm’ die de kapitalistische economie samenbindt. De waarde van een waar is gemeten door de arbeidstijd die in de productie ervan vervat zit. Het toont zich in vergelijking met andere producten, als ruilwaarde. Drie vormen: goederen, geld en kapitaal.
Variabel kapitaal: lonen. Het deel van het totaal kapitaal dat gebruikt wordt om arbeidskracht te kopen.

Literatuurlijst:

Een aantal brochures en boeken die dieper ingaan op de materie van de marxistische economie zijn:

3 mei 2009

Socialismedag SP Breda

Filed under: Aankondigingen,Socialisme — platformrosa @ 6:30 30

Op zaterdag 9 mei is wederom een editie van de jaarlijkse Socialismedag in Breda. De dag duurt van 11.00 tot 16.00 uur, wordt gehouden in gemeenschapshuis De Poelewei aan Mgr. de Vetstraat in Breda, en staat dit jaar in het teken van ‘politiek en economie’. Er zijn inleidingen over coöperaties, arbeiders-zelfbestuur, de economische visie van Karl Marx en uiteraard ook over de kredietcrisis. Ook is er een politieke markt waar informatie en materiaal van verschillende organisaties verkrijgbaar is. Deelname is, net als door de SP verzorgde lunch, gratis. Aanmelden is wenselijk in verband met de lunch, maar niet verplicht.

Succesvolle 1 mei demonstratie in Breda

Filed under: Socialisme — platformrosa @ 6:11 11

Overgenomen van http://www.breda.sp.nl

Het comité Laat de Rijken de Crisis Betalen heeft op 1 mei een succesvolle demonstratie georganiseerd in Breda. In verband met de gebeurtenissen op Koninginnedag was de demonstratie wat ingetogener dan gepland en werden onder andere de fluitjes thuisgelaten. Desalniettemin was het een sfeervolle manifestatie op het Van Coothplein en een levendige demonstratie door de binnenstad. Hieronder vind je een fotoverslagje.

Spandoek
Over de slogan kon weinig misverstand bestaan

Johan wordt geinterviewd
Johan wordt geïnterviewd

Peter en Ben
Peter en Ben

Peter Storm
Peter Storm brengt de stemming erin

Johan spreekt de aanwezigen toe
Johan spreekt de aanwezigen toe

Peter is er natuurlijk ook
Waar iets te doen is in Breda, is Peter er natuurlijk ook…

René houdt een vurig betoog te midden van de fotografen
René houdt een vurig betoog te midden van de fotografen

Dick zorgde voor de - veganistische! - soep
Dick zorgde voor de – veganistische! – soep

Maurice worstelt met het spandoek
Maurice worstelt met het spandoek

demo 1
demo 2
demo 3
Tijdens de demonstratie

Inleiding Ron Blom 1 mei viering Nijmegen

Filed under: Historie,Socialisme — platformrosa @ 6:05 05

De noodzaak van een strijdbare en democratische arbeidersbeweging als beste middel tot ‘inburgering’

Wellicht goed om te beginnen met mezelf te introduceren:

  • Al vanaf begin jaren tachtig van de vorige eeuw actief in de socialistische beweging, aanvankelijk in een kleine christelijke agrarische gemeenschap Boskoop. Ook hier was ik betrokken bij een gezamenlijke Dag van de Arbeidviering die opgeluisterd werd door het koor De Rooie Dendrons (naar de plaatselijk gekweekte Rhododendron). In de maanden voorafgaand aan 1 mei trachtten we onze muzikale kwaliteiten aan te doel sluiten bij de grootse idealen die wij deelden.
  • Op het moment ben ik actief in de vakbeweging (ABVA-KABO) en op de linkervleugel van de SP
  • De laatste paar jaren publiceerde ik diverse boeken, waaronder mijn proefschrift ‘Niet voor God en niet voor het Vaderland. Linkse soldaten, matrozen en hun organisaties tijdens de mobilisatie van ‘14- ‘18’, het boek ‘De oude Socialistische Partij van Harm Kolthek. Ontstaan, opkomst en ondergang van een ‘libertair-socialistische’ partij (1918-1928)’ en publiceer ik in diverse historische jaarboeken en andere tijdschriften
  • Ik laat me graag inspireren door de volgende uitspraak van de door de fascisten vermoorde Italiaanse marxist Antonio Gramsci: ‘de vergissing van de intellectueel bestaat hierin, dat hij gelooft dat men kan ‘weten’ zonder te begrijpen en vooral zonder te voelen, zonder gepassioneerd te zijn (niet alleen voor het weten op zich, maar voor het object daarvan).’

Jeroen Breekveldt, die ik wel vaker tegengekomen was, vroeg mij of ik interesse had om te komen spreken op deze eerste mei-bijeenkomst van Doorbraak te Nijmegen.

Het verzoek was aanvankelijk om in te gaan op het thema (gast)arbeidersstrijd, link naar de slappe opstelling van de vakbeweging en stil te staan bij de ontwikkeling dat een deel van de arbeiders nu voor de islamofobe PVV-leider Geert Wilders valt.

Ik bevond mij op dat moment midden in een verhuizing, c.q. verbouwing binnen Amsterdam Zuidoost. Of ik ook nog even een titel wilde doorgeven. Daar was ik al snel uit en gedurende mijn fysieke inzet bij een succesvolle overtocht en intrek in ons nieuwe huis vond ik ook nog tijd om na te denken over een nadere invulling van het thema.

Als onderwerp stelde ik voor: De noodzaak van een strijdbare en democratische arbeidersbeweging als middel tot ‘inburgering’.

Eerst was dat nog zonder aanhalingstekens, maar Jeroen gaf tijdens een telefonisch onderhoud aan dat de mensen van Doorbraak niet zo enthousiast waren over die inburgering. Dit probleem was dan ook snel opgelost, want dat vind ik ook.

Toch denk ik dat de dialectische problematiek tussen enerzijds gezamenlijk optrekken voor gelijke rechten en anderzijds het recht op eigenheid belangrijke historische parallellen kent. Ook op internationaal vlak komen we als socialisten op voor verbroedering en verzustering van alle onderdrukten op wereldschaal. Daarbij weten we natuurlijk helemaal niet hoe zo’n nieuwe globale socialistische wereldcultuur er uit zal zien.

Zal het een naar elkaar toe groeien zijn van de verscheidene inheemse en eigen culturen resulterend in iets nieuws? Zullen de met verdwijnen bedreigde talen onder de nieuwe omstandigheden juist beter kunnen gedijen? Of zal het Angelsaksische Coca-Cola model de wereld nog verder beheersen? Het is denk ik heel lastig om daar hier en nu iets definitiefs over te zeggen.

Waar we wel iets over kunnen zeggen is wat er gebeurt als onderdrukte groepen als arbeiders in beweging komen om hun lot te verbeteren of om hun positie te verdedigen.

Ik wil vanavond stil staan bij twee voorbeelden die mij al snel te binnen schoten. Het ene geval betreft de organisatievorming van het Amsterdamse joodse proletariaat gedurende haar vlegeljaren in de periode aan het einde van de voorlaatste eeuw (1890-1894). Dit is in een groot aantal opzichten een positief voorbeeld van een offensief gevecht.

Het tweede geval gaat over de bezetting van Ford Amsterdam in de periode 1980-1981. Bij dit bedrijf probeerden de autochtone en allochtone werknemers tevergeefs het sluiten van het autoproductiebedrijf te voorkomen.

ANDB

Aan het eind van de negentiende eeuw probeerden ter linkerzijde twee stromingen een steeds grotere vat te krijgen op het joodse kiezerscorps. Enerzijds de radicale democraten met sociale inslag en anderzijds de sociaal-democraten.

Vooral tussen 1892 en 1897 vond er in het politieke denken onder de onbemiddelde joden van Amsterdam een belangrijke evolutie plaats. Een groot deel vond al voor de oprichting van de Algemeene Nederlandsche Diamantbewerkers Bond (ANDB) op 18 november 1894 de weg naar het socialisme en ging daardoor ook steeds meer afstand nemen van de godsdienst en joodse kerkelijke organisaties. De religieuze leiders probeerden de eigen joodse zuil in stand te houden en zagen niets in vermenging met niet-joden.

Die evolutie had ook te maken met het feit dat een aantal joodse ANDB bestuurders, waaronder Henri Polak, Dolf de Levita en Jos Loopuit in de op 26 augustus 1894 opgerichte zogenaamd parlementair-socialistische partij (SDAP) van meet af een rol van betekenis speelden. Daarnaast waren er ook vrouwen als de gezusters Grietje en Mietje Cohen actief in de progressieve beweging. Het gegeven dat de jonge De Levita en Polak (beiden waren geboren in 1868) behoorden tot de enkelingen die fatsoenlijk Nederlands spraken en schreven droeg hier eveneens aan bij. Hun snelle opkomst in de beweging dankten ze in de eerste plaats hieraan.

Aanvankelijk bestond de aanhang van de voorloper van de SDAP, de SDB aangevoerd door Ferdinand Domela Nieuwenhuis, vooral uit al of niet zelfstandige ambachtslieden. En juist onder deze ambachtslieden heerste een sterk antisemitische traditie. Daarnaast was de joodse massa nogal verknocht aan het huis van Oranje en stond ze in eerste instantie uiterst vijandig tegenover het socialisme.

De geringe ontvankelijkheid van joden voor socialistische ideeën had ook te maken met het feit dat althans het armste deel van de joodse massa, samengepakt in miserabele krotten en sloppen van de oude Jodenbuurt, weinig mogelijkheden tot contact met ‘anders denkenden’ had. En is dan ook zeer waarschijnlijk geen toeval dat vrijwel alle joodse socialisten van het eerste uur woonden in aan de oude joodse wijk grenzende buurten met een overwegend christelijke bevolking.

De vakorganisatie ANDB en de revolutionaire en parlementaire vleugels van de socialistische beweging slaagden er aan het eind van de negentiende eeuw in om vaste voet te krijgen bij de Amsterdamse joodse arbeiders, waarvan het merendeel uit diamantbewerkers bestond. De zogeheten diamantcrisis deed daarbij het zijne en de joodse vakbondsactivisten waren succesvol in het veroveren van de hegemonie binnen de vakbeweging van de diamantbewerkers (waaronder ook christenen). Diezelfde voorlieden speelden ook weer een hoofdrol in de belangrijkste socialistische partij, de SDAP.

De vrijzinnig-liberale Radicalen ontwikkelden zich steeds meer in antisocialistische richting. De socialisten combineerden kiesrechtstrijd met vakbondstrijd. Bovendien bood de beweging een platform voor de integratie en emancipatie van het joodse volksdeel. Overigens zonder dat de joodse wortels definitief doorgesneden werden. En zonder dat ze vervielen tot louter antireligieuze agitatie en propaganda.

Ford Amsterdam

In de zomer van 1980 ontdekten werknemers, vakbonden en ondernemingsraad bij Ford Amsterdam dat ergens ver weg de werkgelegenheid in de hoofdstad werd ondermijnd.

In december 1981 sloot een Ford-Tribunaal een periode af van bijna anderhalf jaar, waarin 1325 werknemers – en velen met hen – onophoudelijk strijd voerden tegen de macht van een multinationale onderneming.

Die strijd werd verloren: de werkgelegenheid is weg. En het is maar een schrale troost voor de Ford-werknemers en hun gezinnen om te weten dat zij als geen ander zichtbaar hebben gemaakt hoe onze samenleving functioneert: het bedrijfsleven, de publieke opinie, de politiek, de internationale organen, de rechterlijke macht. De werknemers van Ford hadden het gelijk aan hun zijde en bleven zitten met de kater van de nederlaag.

Bij dit bedrijf werkten vijfhonderd Turken, honderdvijftig Spanjaarden, honderdvijftig Surinamers en Antillianen en nog honderd buitenlanders van andere nationaliteiten. Terwijl zij het meest kwetsbaar waren vochten ze schouder aan schouder met hun Nederlandse collega’s.

Zonder hen was er van daadwerkelijk verzet geen sprake geweest. In het aangrijpende fotoboek dat hiervan verschenen is, onder de titel ‘De kater van het gelijk. Een aanklacht tegen de praktijken van het Ford-imperium’ lezen we de volgende uitspraken van Mario Gonzalez de Sousa:

‘Wij een cocktail van buitenlandse werknemers van verschillende rassen en nationaliteiten, zijn hierheen gebracht door Ford uit onze landen toen er in Amsterdam een tekort bestond aan het soort arbeiders dat men hier nodig had: Jonge mensen met veel energie, die uitgebuit konden worden in een lopende bandproces, dat ons verplichtte om constant onder een nerveuze spanning te werken en ons langzaam maar zeker kapot maakte. Diegenen die zich niet verzetten en ziek werden, werden ontslagen als de jaarcontracten vernieuwd moesten worden.’

En Leyla ILeri van de Turkse Vrouwenvereniging:

‘Degenen die in de goede jaren de Nederlandse economie moesten redden worden in deze tijd het eerst afgedankt. Alsof de buitenlandse werknemers de schuld zijn van de crisis! Dat zijn wij niet. En daarom is het onaanvaardbaar dat mensen die hier soms twintig jaar hebben gewerkt zonder pardon het land worden uitgezet.’

Dankzij het werk van de ondernemingsraad en de vakbonden bij Ford is voorkomen, dat buitenlandse werknemers die nog geen drie jaar onafgebroken bij Ford werkten, hun verblijfsvergunning verspeelden. De Amsterdamse Vreemdelingenpolitie maakte aanvankelijk fouten bij het verstrekken van verblijfsvergunningen, maar op last van de regering werden die fouten hersteld.

Het moge duidelijk zijn dat strijd op zich een belangrijke voorwaarde is, maar het gaat om meer. Het gaat om het verbinden met een internationalistisch socialistisch perspectief.

Hierbij staan hervormingen niet tegenover structurele maatschappijverandering. Het betreft de delicate band tussen hervormingen op basis van overwinningen, die de betrokkenen extra zelfvertrouwen en motivatie geven en het streefdoel van een klassenloze maatschappij.

In deze samenleving zullen zich ongetwijfeld ook conflicten voordoen op basis van sekse, leeftijd, seksuele geaardheid en of etnische, religieuze afkomst. Maar wellicht lukt het dan beter om deze conflicten geen destructieve dynamiek mee te geven, maar juist een bijdrage aan een veelzijdige, levendige menselijke maatschappij.

Eentje waarbij de tegenstellingen tussen de mensen niet aangewend worden door de bourgeoisie en haar lakeien om verdeeldheid en haat te zaaien. Een maatschappij gebaseerd op samenwerking op wereldschaal en in de buurt.

Een maatschappij waaraan we bijdragen naar vermogen en terugeisen naar behoefte.

Kortom een samenleving, zoals die in zovele utopieën beschreven wordt, maar die we wellicht ooit eens kunnen realiseren: een werkelijke socialistische maatschappij!

12 februari 2009

Partijbestuur gooit Offensief uit de SP

Filed under: Democratie in de SP,Partijorganisatie,Socialisme — platformrosa @ 12:06 06

Via de website van Offensief vernamen we dat het Partijbestuur van de SP besloten heeft om Offensief-leden expliciet uit te sluiten van het partijlidmaatschap, daarmee de weg vrij makend voor het royement van deze leden, én andere kritische socialisten binnen de partij. Platform Rosa – één van de opbouwend-kritische platforms binnen de SP – staat lijnrecht tegenover deze beslissing. Socialisten horen thuis binnen de SP, net als iedereen die zich hard wil maken voor een maatschappij waar gelijkwaardigheid, menselijke waardigheid en solidariteit voorop staan. De arbeidersbeweging heeft een lange traditie van pluriformiteit, en als de SP claimt dé vertegenwoordiger van de ‘gewone mensen’ te willen zijn, dan zal ze zich ook op moeten stellen als een brede, pluriforme partij waar ruimte is voor verschillende opvattingen. Platform Rosa zal deze ingeslagen weg van de partijleiding met kracht bestrijden. Hieronder plaatsen we de open brief van het secretariaat van Offensief.

Open brief aan de leden en sympathisanten van de Socialistische Partij

Nee tegen royementen – voor een strijdbare, democratische SP! Het partijbestuur van de SP heeft besloten dat SP-leden niet langer eveneens lid mogen zijn van de socialistische groep Offensief. Hiermee wordt de weg vrijgemaakt om alle Offensief-leden uit de SP te royeren. Ons wordt maar zeer beperkte mogelijkheden geboden ons binnen de structuren van de SP te verdedigen, vandaar dat we deze open brief publiceren aan alle SP-leden en –sympathisanten. Juist in een tijd, dat de economie wereldwijd in crisis raakt, het ene na het andere bloedige conflict oplaait, het kapitalistische systeem meer en meer in diskrediet komt, en Marx weer populair wordt, besluit het partijbestuur om diegenen die het hardst stelling nemen voor een socialistische verandering, uit de SP te smijten. Wat is er aan de hand?

Een verklaring van het Nationaal Secretariaat van Offensief

Wat is Offensief?

Offensief is een socialistische groep, onderdeel van een internationale organisatie, het Comité voor een Arbeidersinternationale (CAI/CWI). We zijn georganiseerd rond een aantal specifieke ideeën. Wij vechten voor een fundamentele, socialistische verandering van de maatschappij, inclusief het in gemeenschap brengen van de grote bedrijven en financiële instellingen, en voor een democratisch geplande economie die draait om de behoeften van de bevolking in plaats van om winst. Wij zijn echter altijd tegenstanders geweest van de systemen zoals die bestonden in Rusland na de machtsgreep door Stalin, Oost-Europa en China. Socialisme kan volgens ons niet werken zonder democratie.

Hoewel we georganiseerd zijn rond specifieke ideeën, hebben wij onszelf steeds gezien als deel van de brede arbeidersbeweging, met al haar variëteiten en schakeringen. Sinds het kapitalisme bestaat, hebben de arbeiders (de gewone werkende en werkloze mensen en hun gezinnen) zich georganiseerd om voor hun belangen op te komen. In vakbonden streden zij voor betere lonen en werkomstandigheden; in politieke, socialistische partijen organiseerden zij zich om deze eisen te veralgemenen en te vertalen naar een politiek beleid met als doel een betere maatschappij. De ideeën waar Offensief voor staat, onze interpretatie van het marxisme, hebben altijd deel uitgemaakt van die bredere arbeidersbeweging en van brede arbeiderspartijen.

Waarom is Offensief in de SP gegaan?

Tientallen jaren zagen arbeiders de PvdA als hun partij, de partij die voor de arbeiders opkwam. Offensief maakte om die reden in het verleden deel uit van de PvdA. Maar eind 80er, begin 90er jaren van de vorige eeuw verrechtste de PvdA in snel tempo. Voor veel arbeiders werd een breekpunt bereikt toen de PvdA in 1991 verantwoordelijk was voor de afbraak van de WAO. Tienduizenden kwamen in protest de straat op, en nog veel meer mensen keerden de PvdA de rug toe. Zij concludeerden terecht dat de PvdA hun partij niet meer was. Daarmee waren de arbeiders in Nederland in feite politiek dakloos geworden.

Sindsdien is de PvdA verder gegaan op dezelfde rechtse koers. Het is een neo-liberale partij geworden, die hooguit nog de schijn ophoudt sociaal te zijn. De PvdA was medeverantwoordelijk voor de afbraak van het zorgstelsel, en heeft bloed aan haar handen door de oorlog in Afghanistan. Nu met de kredietcrisis kan “bankier Bos” tientallen miljarden vinden om de banken te redden, maar voor sociale voorzieningen is er géén geld.

De SP is in de afgelopen periode voor steeds meer mensen een alternatief geworden. Wij van Offensief zagen dat ook. We zagen dat de SP duidelijk stelling nam tegen het neoliberalisme; dat de SP actie op straat als een belangrijk middel voor verandering zag; dat SP-ers in gemeenteraden en Tweede Kamer alleen een modaal salaris ontvingen, en dus niet meededen met de zakkenvullerij van andere partijen; dat de SP niet langer probeerde eigen vakbonden op te zetten maar zich terecht begon te richten op de massa-vakbond FNV; en dat de SP een socialistische maatschappij als einddoel had. Wij concludeerden dat de SP het potentieel had om uit te groeien tot een nieuwe, brede arbeiderspartij, een instrument dat arbeiders zo nodig hebben. Wij wilden hieraan graag ons steentje bijdragen, en besloten in 1998 om lid te worden van de SP, en te helpen de SP op te bouwen. We gingen er van uit dat de SP een open, democratische partij was geworden, waar ruimte was voor verschillende stromingen, zo ook de onze. We hebben nooit verborgen dat we georganiseerd zijn, dat we onze eigen leden, bijeenkomsten en publicaties hebben. We gingen er van uit dat de SP open stond voor kritiek, en hebben de kritiek die we wel degelijk hadden ook niet verzwegen.

Ontwikkelingen binnen de SP en de kritiek van Offensief

Ons is verweten dat we te kritisch zijn tegenover de SP. We zagen enorme kansen voor de SP, maar ook gevaren. Al snel nadat we lid waren geworden van de SP, werd het nieuwe beginselprogramma “Heel de Mens” aangenomen. Wij waarschuwden toen dat dit programma in feite een afzwakking ten opzichte van het oude programma betekende, het “Handvest 2000”. In dat “Handvest 2000”stond het streven naar een fundamenteel andere, socialistische maatschappij waarin de chaos van de markt vervangen zou worden door gemeenschapsbezit van banken en bedrijven, en door democratische planning, expliciet benoemd; in het daaropvolgende beginselprogramma “Heel de mens”is dat niet langer het geval. “Heel de Mens” kan misschien met een grote dosis creativiteit nog steeds uitgelegd worden als een socialistisch programma, maar het maakt ook de weg vrij om afstand te nemen van de oude socialistische idealen, en de weg op te gaan van een sociaal-democratisch programma – slechts de scherpe kantjes van het kapitalisme afhalen, zonder de maatschappij fundamenteel te veranderen. Offensief heeft uiteraard de waarheid niet in pacht, ook wij hebben ons in het verleden meermaals vergist. We willen de discussie daarover niet uit de weg gaan. Uit ons verleden in de PvdA hebben we echter een belangrijke les getrokken. De ontwikkeling van de PvdA naar een neoliberale partij was geen toeval, maar het logisch gevolg van het verlaten van de socialistische idealen. Wat begint als een pragmatischer sociaal democratische koers eindigt onvermijdelijk daar waar de PvdA is beland.

De gevolgen van die koerswijziging laat zich op allerlei vlakken voelen. De standpunten van de SP over de NAVO en het koningshuis zijn de afgelopen jaren afgezwakt. Ook in de praktijk is er een verschuiving opgetreden. De actie werd minder belangrijk, en de parlementaire weg steeds belangrijker. De SP heeft enorme mogelijkheden laten liggen om het voortouw te nemen in het organiseren van een strijdbare oppositie binnen de vakbeweging en in het organiseren van massale actie. In plaats daarvan worden alle kaarten gezet op het winnen van stemmen, zetels, en steeds meer ook op regeringsdeelname. Wij denken dat het meedoen aan verkiezingen, het plaatsnemen in gemeenteraden en Tweede Kamer zeer nuttig kan zijn, maar dat werkelijke veranderingen niet kunnen worden afgedwongen zonder massale actie.

Lokaal is de SP al in coalities gestapt met neo-liberale partijen. Dit heeft tot gevolg gehad dat de SP lokaal heeft meegewerkt aan verslechteringen, zoals bijvoorbeeld de privatisering van een busbedrijf in Nijmegen. Nu richten alle pijlen zich op regeringsdeelname, in coalitie met de PvdA of zelfs het CDA, zoals Marijnissen in de Volkskrant betoogde. Wij hebben hier steeds tegen gewaarschuwd; niet dat we in principe tegen regeringsdeelname of coalities zijn, maar een coalitie waaraan de SP deelneemt zou een duidelijke breuk moeten maken met het neo-liberale beleid. Zo’n coalitie zou een socialistisch programma moeten doorvoeren, met speerpunten als arbeidstijdverkorting met behoud van loon, grote investeringen in zorg, onderwijs en openbaar vervoer, terugdraaien van privatiseringen en verhoging van de uitkeringen en het minimumloon. Wij betwijfelen of een dergelijk programma kan worden uitgevoerd in een coalitie met neo-liberale partijen als de PvdA en zeker het CDA. Eerder nog zou de SP in zo’n coalitie door de andere partijen gebruikt worden om het vuile werk op te knappen en bezuinigingen door te voeren, zeker in een situatie van economische crisis. Daarmee zou de SP haar eigen graf delven.

Waarom royementen?

Wij denken dat het juist vanwege onze kritiek op regeringsdeelname met neo-liberale partijen is, dat het partijbestuur ertoe over is gegaan om Offensief-leden te royeren. Het lijkt wel alsof het deze kritiek de mond wil snoeren, en hoopt zo te voorkomen dat een meer wijdverspreide oppositie tegen regeringsdeelname ontstaat als de SP in de toekomst in een coalitie zou stappen. Zou het kunnen dat Offensief slechts het eerste slachtoffer is? Is het doordat we consequent zijn in onze ideeën en georganiseerd dat we ondanks onze geringe grootte een bedreiging vormen voor diegenen die koste wat kost in de regering willen komen?

Als het zo is en er komt geen protest tegen dit soort methoden, dan zal de leiding van de SP er niet voor terugdeinzen om in de toekomst ook vele andere leden, die in haar ogen te links of te kritisch zijn, de partij uit te smijten. Het besluit dat wij niet langer welkom zijn in de SP is genomen zonder ons ook maar één gelegenheid te geven onszelf te verdedigen. De speciale onderzoekscommissie die werd ingesteld naar Offensief heeft geen van onze leden gehoord, wij zijn niet eens op de hoogte gesteld van haar bestaan.

Met dergelijke methoden speelt de partijleiding de tegenstanders van de SP in de kaart, die maar al te graag de SP afschilderen als een dictatoriale, stalinistische partij. In het post-stalinistische tijdperk heerst er sowieso veel wantrouwen tegenover politieke partijen onder gewone jongeren en arbeiders. Een gebrek aan openheid en interne partijdemocratie, elke zweem van centralisme en top-down-methoden, zal jongeren en arbeiders weerhouden om zich aan te sluiten, laat staan zich actief in te zetten, bij de SP. Zolang de partij er electoraal op vooruit gaat, zal het effect daarvan zich nauwelijks laten voelen, maar zodra het electoraal wat minder wordt kan dit een uittocht tot gevolg hebben.

Sinds wij zijn toegetreden tot de SP, hebben wij tegenwerking vanuit de partijleiding ondervonden. We werden bij verschillende gelegenheden onder druk gezet om ons blad niet te verkopen, en enkele van onze leden werden uit ROOD, de SP-jongerenorganisatie, geschorst, één zelfs geroyeerd. Steeds werd dit met bureaucratische argumenten verdedigd. Als hoofdreden voor het laatste besluit van het partijbestuur wordt gesteld, dat Offensief een “partij in de partij” zou vormen. Maar de arbeidersbeweging heeft, in Nederland en internationaal, een traditie van openheid, van vrije democratische discussie, inclusief het recht om je binnen de partij te organiseren rond specifieke ideeën– als een platform, een fractie, of, zo zou het partijbestuur het zien, als “partij in de partij”. Ook in de communistische partij van Rusland was dit lange tijd heel normaal. En met reden: als je de zware taak op je neemt om de maatschappij te veranderen, dan is een open en vrije uitwisseling van ideeën binnen je partij over de weg vooruit absoluut noodzakelijk. Pas onder Stalin, en later onder Mao, ontstonden de monolithische communistische partijen waarin kritiek en fractievorming een misdaad was. Zijn dat de tradities waarop de partijleiding wil teruggrijpen?

Sluit je bij ons aan!

We betreuren deze ingreep van de partijleiding, maar zullen ons niet zomaar het zwijgen laten opleggen. Elke dag zien we het failliet van het kapitalisme, worden we geconfronteerd met economische crisis, ecologische crisis, oorlog in Gaza en Afghanistan… De strijd voor het socialisme is actueler dan ooit. Wij roepen leden en sympathisanten van de SP op om samen met ons te vechten voor het socialisme. Wij roepen niet op om de SP te verlaten, maar samen met ons te vechten voor een echte en democratische socialistische partij, binnen en buiten de SP. Sluit je bij ons aan!

1 februari 2009

Een paar inleidende opmerkingen over Het Kapitaal

Filed under: Gastposting,Historie,Socialisme — platformrosa @ 2:32 32

Bijgaand een bijdrage naar aanleiding van een inleiding over Het Kapitaal van Karl Marx gegeven op de afgelopen winterschool van de International Socialisten door Rob Gerretsen.

Een paar inleidende opmerkingen over Het Kapitaal
Begin januari 2009 schreef Raymond van den Boogaard in het Cultureel Supplement van NRC Handelsblad een stukje over Das Kapital van Marx, onder de titel ‘Marx verfilmd voor luie lezers’. Hij vertelt dat in Japan Het Kapitaal wordt uitgebracht als strip op klein formaat. En er is een tien uur durende video van Alexander Kluge over Marx en Das Kapital. Kluge noemt Marx “de dichter van onze crisis”. De huidige kredietcrisis en de zware economische recessie die net begonnen is en die steeds zwaardere gevolgen lijkt te krijgen, zullen zeker een van de redenen zijn dat de verkoop van Das Kapital bij de oude Dietz Verlag in Berlijn vorig jaar verdrievoudigd is.

Van den Boogaard betwijfelt in de NRC of alle kopers van Das Kapital ook lezers zullen zijn. Hij is zelf een luie lezer en hij is niet de enige die er mee pronkt dat het hoofdwerk van Marx er zo dik en moeilijk uit ziet, dat hij er maar nooit aan is begonnen. Die luie mensen worden overigens daardoor vaak niet gehinderd om wel van alles over Marx te beweren.

Het Kapitaal is inderdaad een dik en moeilijk werk, maar als we Marx willen begrijpen – en dat kan ik socialisten van harte aanbevelen – dan zullen we hem toch moeten lezen en vooral ook herlezen. Veel mensen doen dat in een groepje en onder begeleiding van iemand die er iets of liefst veel meer van weet. Ook dat is aan te bevelen. Er bestaan ook goede inleidingen over Het Kapitaal; bijvoorbeeld van Ben Fine en Alfredo Saad-Filho, van Ernest Mandel of van Michael Heinrich. Het kan zeker geen kwaad die ook te lezen, want het kost nu eenmaal veel tijd en herhaling om je de marxistische economie eigen te maken. En er zijn veel discussies over Marx tussen marxisten. Die zijn niet altijd meteen begrijpelijk, maar op den duur krijg je wel een basis van inzicht, als je die leest.

Het werk van Marx is een logisch samenhangend geheel en dat geldt zeker voor de drie delen van Het Kapitaal. Zoals bekend heeft Marx alleen van deel I zelf de eindredactie gevoerd, ook van de Franse vertaling daarvan en van een tweede Duitse druk van deel I, die in 1872/73 in Hamburg verscheen. De delen II en III van Das Kapital zijn later – na de dood van Marx- in 1885 en 1894 verschenen, in een redactie van Friedrich Engels. Die heeft daarmee zeer belangrijk werk verricht, door het vrijwel onleesbare handschrift van Marx te ontcijferen, verschillende versies en aanvullende manuscripten van Marx van de delen II en III te redigeren en te publiceren. Maar omdat Marx deze delen zelf niet drukklaar heeft gemaakt, heeft Engels moeten sleutelen aan de stapels oorspronkelijke aantekeningen van Marx. Hij heeft dat gewetensvol gedaan, maar toch is het van wetenschappelijk belang om heel precies te weten wat de tekst van Marx was en wat de redactie en toevoegingen van Engels. De redacteuren van de Marx/Engels Gesamtausgabe (MEGA), waar ik straks nog iets over zal zeggen, hebben daar een reconstructie van weten te maken. Dat betekent overigens niet dat hierover nu geen discussie meer bestaat. Waarover ook discussie wordt gevoerd, is waarom Marx niet meer zelf de delen II en III, waarvan hijzelf natuurlijk meer dan wie ook het belang zag, heeft gepubliceerd. Als redenen worden genoemd de slechte gezondheid en de overwerktheid van Marx en zijn afnemende krachten aan het eind van zijn leven. Die factoren zullen zeker een rol hebben gespeeld. Maar in de discussies wordt ook genoemd dat Marx deze delen wilde publiceren op basis van een grondige analyse van een ‘gemiddeld kapitalisme’, dat wil zeggen op meer dan alleen een analyse van Engeland of West-Europa van dat moment. In de laatste decennia van zijn leven bestudeerde Marx uitgebreid de kapitalistische ontwikkelingen in de Verenigde Staten en in Rusland. Dat laatste hielp hem onder meer om zijn theorie over de grondrente verder te ontwikkelen. Maar Marx wilde ook nog de nieuwste ontwikkelingen van het internationaal kapitalisme in die delen van Het Kapitaal meenemen. Dat schreef hij bijvoorbeeld in een brief van 27 juni 1880 aan Ferdinand Domela Nieuwenhuis in Den Haag. Marx schreef daarin dat zijn arts hem verboden had om te werken en hij schreef over de zeer ernstige ziekte van zijn vrouw. Hij dacht ook wel dat Domela in staat zou zijn voor de Hollanders een samenvatting van Het Kapitaal te maken. Over het tweede deel van Das Kapital schreef Marx aan Domela dat dit onder de huidige omstandigheden niet in Duitsland zou kunnen verschijnen, “was mir sofern ganz willkommen ist, als grade in diesem Augenblick gewisse ökonomische Phänomene in ein neues Stadium der Entwicklung getreten sind, also neue Bearbeitung erheischen.” (wat mij in zoverre helemaal niet betreurt, omdat juist op dit ogenblik bepaalde economische verschijnselen in een nieuw ontwikkelingsstadium zijn gekomen en dus opnieuw bewerkt moeten worden.)

Talloze mensen hebben in de loop der tijd belangrijke ‘fouten’ en ‘inconsistenties’ in de drie delen of tussen de drie delen van Het Kapitaal ontdekt. Teveel om hier te bespreken. Ik denk dat die mensen allemaal ongelijk hebben. Daarbij is het goed om te weten dat Marx de grote bulk van de delen II en III van Das Kapital al geschreven heeft in 1864 en 1865, dat wil zeggen voordat hij op 1 januari 1866 begon aan zijn eindredactie van het eerste deel van Das Kapital, waarvan de eerste druk in 1867 zou verschijnen. Die eerste manuscripten van deel II en deel III zijn al in de MEGA uitgegeven. Marx wist dus bij het schrijven van het eerste deel in grote lijnen goed wat er in de delen II en III zou moeten komen. Marx kondigt in het voorwoord van de eerste druk van deel I andere delen van Het Kapitaal al aan. Overigens heeft Marx ook na het verschijnen van deel I nog veel aan de delen II en III gewerkt. In de jaren 1868 tot 1870 schreef hij een tweede manuscript voor deel II. En in 1875 scheef hij nog een manuscript van 130 pagina’s voor deel III, waaraan hij veel wilde wijzigen. De misverstanden over de zogenaamde inconsistenties bij Marx hebben vooral te maken met onbegrip van waarover deel II en deel III precies gaan en over de verschillende abstractieniveaus die Marx in zijn werk hanteert. Maar ook met een meer algemeen onbegrip van de marxistische methode.

Een belangrijke reden waarom het lezen en begrijpen van Das Kapital zo moeilijk is, ligt niet in de schrijfstijl van Marx, maar in de kapitalistische economie zelf. Daarin lijken de zaken voortdurend anders dan ze zijn. Zoals bekend is de ondertitel van Das Kapital ‘Kritik der politischen Ökonomie’. Het is een kritische analyse van de kapitalistische economie. Het is ook een kritiek op veel andere economen. En het is een kritiek op en een verklaring van de schijngestalten van de kapitalistische economie, waarin niets is wat het lijkt te zijn. Marx is steeds op zoek naar de specifieke historische sociale vorm die alle elementen van de maatschappelijke rijkdom, de productie, de distributie, de consumptie, de arbeid, etc. onder kapitalistische verhoudingen aannemen. Hij laat zien dat hieraan niets natuurlijks is, maar dat die sociale vormen historisch bepaald worden door de kapitalistische klassenverhoudingen. Ze zijn niet natuurlijk en niet eeuwig en dus veranderbaar door de strijd van de arbeidersklasse. Zelfs de laatste grote vertegenwoordiger van de klassieke politieke economie, David Ricardo (wiens vader een Portugese jood uit Amsterdam was), had weliswaar de klassentegenstellingen als uitgangspunt van zijn onderzoek gemaakt, maar die “naïef als maatschappelijke natuurwet opgevat”, zoals Marx schrijft. De klassieke politieke economie onderzocht wel de waar en de waarde, maar heeft zich volgens Marx nooit afgevraagd waaróm arbeid in een kapitalistische maatschappij z’n uitdrukking vindt in waarde. En alle economen onderzoeken niet de meerwaarde als zodanig, maar alleen in haar bijzondere vormen van winst en rente. Ricardo’s boek The Principles of Political Economy and Taxation verscheen in 1817. Daarna was het wel ongeveer afgelopen met de burgerlijke economie als echte wetenschap. In 1825 brak de eerste periodieke crisis van het industrieel kapitalisme uit, de bourgeoisie had in Engeland en Frankrijk de politieke macht veroverd en de opkomende klassenstrijd tussen bourgeoisie en proletariaat (bijvoorbeeld de juli-revolutie in Frankrijk en de Chartisten en de kiesrechthervorming in Engeland) luidde “de doodsklok van de wetenschappelijke burgerlijke economie” (Marx).
Marx laat de schijngestalten van de kapitalistische economie en de noodzaak daarvan bijvoorbeeld zien in zijn loontheorie en in een paragraaf van het eerste hoofdstuk van deel I van Das Kapital, met de titel ‘Der Fetischcharakter der Ware und sein Geheimnis’, het fetishkarakter van de waar en zijn geheim. Die eerste paar hoofdstukken van het eerste deel van Het Kapitaal vormen altijd het grootste struikelblok en die hebben ook de meeste discussies losgemaakt. Toch vond Marx het noodzakelijk om met deze abstracte materie te beginnen om de rest van de analyse een fundament te geven en begrijpelijk te maken, of om op te stijgen van het abstracte naar het concrete. Marx noemde zelf dat eerste deel over ‘Waar en geld’ al in 1859 in een brief aan Joseph Weydemeyer “het moeilijkste, want het abstractste deel van de politieke economie”.

De opzet van voornamelijk de eerste hoofdstukken van het eerste deel is nogal gewijzigd tussen de eerste en tweede druk, door Marx zelf. Niet zozeer wat de inhoud betreft – hoewel dat ook – maar vooral wat betreft de structuur en de indeling en de begrijpelijkheid. Marx had dat onder andere gedaan na kritische op- en aanmerkingen van Engels en van Louis Kugelmann en Wilhelm Liebknecht op de eerste druk, maar ook in reactie op burgerlijke commentaren. Engels wilde graag een sterkere onderverdeling van de hoofdstukken en paragrafen en meer tussenkopjes. In december 1871 en januari 1872 schreef Marx het manuscript “Ergänzungen und Veränderungen zum ersten Band des ‘Kapitals’”, als basis voor zijn verbeteringen in de tweede druk. Marx noemde de tweede druk een ‘verbesserte Auflage’. In 1872 verscheen bovendien in Petersburg ook de eerste vertaling van Das Kapital, in het Russisch, in een vertaling van Lopatin, Danielson en Ljubawin en in een oplage van 3.000 stuks. In de Franse vertaling bracht Marx ook nog enkele veranderingen aan, bijvoorbeeld over de organische samenstelling van het kapitaal. In de tweede Duitse druk heeft Marx bovendien nog een heel aantal voetnoten toegevoegd om de begrijpelijkheid te vergroten. Meer begrijpelijkheid was inderdaad nodig. Marx had bijvoorbeeld al in het voorwoord van de eerste druk geschreven “Die Werthform, deren fertige Gestalt die Geldform, ist sehr inhaltlos und einfach. Dennoch hat der Menschengeist sie seit mehr als 2000 Jahren vergeblich zu ergründen gesucht, ..” (de waardevorm, waarvan de ontwikkelde vorm de geldvorm is, is bijzonder inhoudsloos en eenvoudig. Toch heeft de menselijke geest meer dan 2000 jaar tevergeefs geprobeerd die te doorgronden,..)
Marx voerde de veranderingen onder meer in om het objectieve karakter van zijn waardetheorie te versterken en om de tegenstelling tussen concrete en abstracte arbeid sterker te benadrukken. Hij werkte gedetailleerder het historisch maatschappelijk karakter van de waardesubstantie, de waardegrootte en de waardevorm uit en hij werkte duidelijker uit dat: “der Werth der Waaren nichts ist ausser ihrem Verhältnis zur Arbeit als ihrer gemeinschaftlichen Substanz” (de waarde van de waren is niets buiten haar verhouding tot arbeid als haar gemeenschappelijke substantie). In Het Kapital schrijft Marx dat het waarde-zijn van de waren “also rein gesellschaftlich ist” (dus zuiver maatschappelijk is).

Marx maakte ook duidelijker een begripsmatig onderscheid tussen de waarde en de ruilwaarde als de verschijningsvorm daarvan. In het nawoord van de tweede druk stelt Marx dan ook dat het begin van zijn boek “ist die Ableitung des Werths durch Analyse der Gleichungen, worin sich jeder Tauschwerth ausdrückt” (de afleiding van de waarde is door analyse van de vergelijkingen waarin zich iedere ruilwaarde uitdrukt). De waardevorm drukt niet alleen de waarde zelf, maar ook de waardegrootte uit. Dit moet duidelijk worden als je de tekst van Het Kapitaal zelf leest.

Marx veranderde in de tweede druk ook wat filosofische begrippen en redeneringen in economische, omdat hij te sterk met Hegel geïdentificeerd werd in de recensies en commentaren. Dat ging niet ten koste van het toepassen van de dialectische methode in Het Kapitaal, integendeel. In het nawoord van de tweede druk gaat Marx daarop in, evenals op andere veranderingen in de tweede druk. Marx schrijft daar dat de methode die hij in Het Kapitaal gebruikt, niet goed is begrepen. En hij benadrukt nog eens dat “meine dialektische Methode ist der Grundlage nach von der Hegelschen nicht nur verschieden, sondern ihr direktes Gegentheil” (mijn dialectische methode is fundamenteel niet alleen verschillend van die van Hegel, maar haar directe tegendeel). En ter verduidelijking voegt hij er aan toe: ”Bei mir ist umgekehrt das Ideelle nichts andres als das im Menschenkopf umgesetzte und übersetzte Materielle” (bij mij is omgekeerd het ideële niets anders dan het in de hoofden van de mensen omgezette en vertaalde materiële).

Marx wijst ook op een kwestie die steeds weer tot onbegrip leidt bij het lezen van Het Kapitaal, namelijk dat de methode van onderzoek verschilt van de manier van presenteren van de stof, maar dat dit beide aspecten zijn van de dialectische methode. Hij schrijft: “In het onderzoek moet men zich de materie tot in detail toe-eigenen, de verschillende ontwikkelingsvormen ervan analyseren en het onderlinge verband ontdekken. Pas als deze arbeid is volbracht, kan men de werkelijke beweging adequaat weergeven. Lukt dit en weerspiegelt zich nu het stoffelijke leven ideëel, dan lijkt het er op alsof men met een constructie a priori te doen heeft”. Dit onderscheid speelt nog steeds, ook in actuele discussies tussen marxisten. Zo maken bijvoorbeeld Ben Fine en Alfredo Saad-Filho in een discussie met Jim Kincaid in het laatste nummer van Historical Materialism onderscheid tussen vier methodische verschillen: “the order of abstraction (movement from simple and more abstract to complex and more concrete, value to price for example), the order (and nature) of causation (production prior to exchange), the order of presentation, and the order of investigation” (de volgorde van de abstractie (de beweging van het eenvoudige en meer abstracte naar complex en meer concreet, van waarde naar prijs bijvoorbeeld), de volgorde (en de aard van) de causaliteit (productie gaat vooraf aan de ruil), de volgorde van de presentatie en de methode van onderzoek).

Het stuk over het fetisjkarakter van de waar is ook stevig veranderd in de tweede druk. Marx had aan Kugelmann al eens geschreven over de schijngestalten van het kapitalisme: “De heersende klassen hebben er hier dus een absoluut belang bij om de hersenloze verwarring te vereeuwigen”. Hij schrijft: “Op het eerste gezicht schijnt de waar een alledaags en eenvoudig ding te zijn. Uit haar analyse blijkt dat het een bijzonder lastig ding is, vol metafysische spitsvondigheden en theologische grillen. Voor zover de waar gebruikswaarde is, is er niets geheimzinnigs aan (…). Waaruit vloeit het raadselachtige karakter, dat het arbeidsproduct krijgt zodra het in de warenvorm verschijnt, dan voort? Kennelijk uit deze vorm zelf. (…) Het geheimzinnige van de warenvorm ligt dus eenvoudig in de omstandigheid dat deze vorm voor de mensen het maatschappelijk karakter van hun eigen arbeid weerspiegelt als het concrete karakter van de arbeidsproducten zelf, als de maatschappelijk-natuurlijke eigenschappen van deze dingen. (…) Het is slechts de bepaalde maatschappelijke verhouding van de mensen zelf, die voor hen de fantasmagorische vorm van een verhouding tussen dingen aanneemt.” Ook dit wordt duidelijker als je de gehele tekst zelf leest.

Zoals gezegd bespreekt Marx de schijngestalten van de kapitalistische economie onder andere in zijn analyse van het arbeidsloon. In een brief aan Engels van 8 januari 1868 had Marx de “drei grundneuen Elemente des Buchs” (de drie wezenlijk nieuwe elementen van het boek) aangegeven en dat was naast de analyse van de meerwaarde in zijn zuivere vorm en de behandeling van het dubbelkarakter van de warenproducerende arbeid, in de derde plaats de behandeling van het arbeidsloon “als irrationelle Erscheinungsform eines dahinter versteckten Verhältnisses” (als irrationele verschijningsvorm van een daarachter verscholen verhouding). Op het eerste gezicht lijkt er niets geks aan het arbeidsloon, zelfs al is dat voor veel arbeiders vaak mager of te weinig om van te leven. Pas geleden schreef de hoofdredacteur van het blad van de Abvakabo FNV nog: “ik verzet werk en daar krijg ik loon voor”. Dat lijkt op het eerste gezicht alleszins redelijk en normaal. Marx laat zien wat die daarachter verscholen verhouding dan wel is en hij laat ook zien waarom ook hier weer de schijn de werkelijkheid lijkt. Dit begrip hebben we nodig, want anders begrijpen we bijvoorbeeld niet waarom het loonaandeel in de geproduceerde rijkdom van de belangrijkste kapitalistische landen de afgelopen decennia aanzienlijk is gedaald, terwijl er toch meer mensen zijn gaan werken en er ook harder gewerkt is. Marx laat zien dat de loonvorm zelf ieder spoor uitwist van de verdeling van de arbeidsdag in noodzakelijke arbeid en meerarbeid, in betaalde arbeid en onbetaalde arbeid en dat alle arbeid verschijnt als betaalde arbeid. De loonvorm versluiert dus de uitbuiting.

Ik zou nog iets zeggen over de Marx Engels Gesamtausgabe, de MEGA. Tijdens zijn leven is er maar een heel klein deel van het werk van Marx in druk verschenen. Na zijn dood werden dus het tweede en derde deel van Het Kapitaal door Engels uitgegeven. Daar kwam onder andere later nog bij de publicatie van de Theorien über den Mehrwert, de Parijse Manuscripten en de Grundrisse. Er verschenen ook andere losse uitgaven en we kennen de serie werkuitgaven in de vorm van de MEW, de Marx-Engels Werke. Al snel na de Russische revolutie begon men te denken aan een complete uitgave van het werk van Marx en Engels. Lenin zag dat als “een opdracht van internationaal belang”. Slechts vier van de geplande 28 delen konden toen worden uitgebracht. Een nieuwe impuls kwam er onder leiding van de Russische revolutionair David Rjazanov met de oprichting in 1921 van het Marx-Engels Instituut in Moskou. In 1927 verscheen het eerste van de geplande 42 delen van de MEGA in samenwerking met het Frankfurter Institut für Sozialforschung van Horkheimer. Met deel 12 werd in 1935 de eerste serie van de MEGA stopgezet. Hitler was intussen aan de macht gekomen en Rjazanov werd in 1938 door Stalin vermoord. Een belangrijk deel van de originelen van Marx en Engels, die in bezit waren van de Duitse SPD kwam terecht bij het IISG in Amsterdam. Ongeveer een derde van de originelen bevindt zich in Moskou. Gelukkig had Rjazanov kopieën gemaakt, want sommige originelen zijn intussen onherstelbaar beschadigd.

In de periode na 1956 werden er vanuit het Instituut voor Marxisme-Leninisme initiatieven genomen om de serie MEGA weer nieuw leven in te blazen. Ook door Walter Ulbricht in Oost-Berlijn werd druk uitgeoefend om verder te gaan met de MEGA. Door tegenwerking in Moskou gebeurde er weinig, totdat er in 1968 een plan gereed kwam voor publicatie van de MEGA bij Dietz Verlag. Er kwam een samenwerking met het IISG tot stand, dat niet zelf meedeed. Men plande 120 delen voor de eerstkomende 25 jaar en de opzet van de MEGA werd veranderd. Met de nieuwe wetenschappelijke richtlijnen kwam men zelfs tot een planning van 142 delen. In 1975 werd met de reguliere publicatie begonnen. Nieuwe problemen ontstonden na de val van de muur en het ineenstorten van de Sovjet-Unie. Maar in 1990 kwam een nieuw samenwerkingsverband tot stand in de vorm van de IMES, de Internationale Marx-Engels Stiftung. Feitelijke uitgever werd het IISG. Zo’n twintig procent van de oplage wordt verkocht in Japan. Alle delen bestaan uit twee aparte gebonden boeken, een met tekst en een met apparaat. De hele serie zal niet voor 2025 of 2030 klaar zijn. De boeken zijn erg duur, maar je kunt ze wel inzien, bijvoorbeeld op het IISG.

Als wij de kredietcrisis en de economische recessie of depressie van nu willen begrijpen, dan is het niet voldoende om alleen Das Kapital te lezen. Maar zonder dat is het onmogelijk om de wereld om ons heen werkelijk te begrijpen. En zonder begrip kunnen we de wereld ook niet veranderen. En daarop komt het toch aan, zoals Marx al in de elfde stelling over Feuerbach schreef.

Rob Gerretsen, 25 januari 2009 (inleiding op de winterschool van de IS in Amsterdam)

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.