Platform Rosa blog

3 mei 2009

Inleiding Ron Blom 1 mei viering Nijmegen

Filed under: Historie,Socialisme — platformrosa @ 6:05 05

De noodzaak van een strijdbare en democratische arbeidersbeweging als beste middel tot ‘inburgering’

Wellicht goed om te beginnen met mezelf te introduceren:

  • Al vanaf begin jaren tachtig van de vorige eeuw actief in de socialistische beweging, aanvankelijk in een kleine christelijke agrarische gemeenschap Boskoop. Ook hier was ik betrokken bij een gezamenlijke Dag van de Arbeidviering die opgeluisterd werd door het koor De Rooie Dendrons (naar de plaatselijk gekweekte Rhododendron). In de maanden voorafgaand aan 1 mei trachtten we onze muzikale kwaliteiten aan te doel sluiten bij de grootse idealen die wij deelden.
  • Op het moment ben ik actief in de vakbeweging (ABVA-KABO) en op de linkervleugel van de SP
  • De laatste paar jaren publiceerde ik diverse boeken, waaronder mijn proefschrift ‘Niet voor God en niet voor het Vaderland. Linkse soldaten, matrozen en hun organisaties tijdens de mobilisatie van ‘14- ‘18’, het boek ‘De oude Socialistische Partij van Harm Kolthek. Ontstaan, opkomst en ondergang van een ‘libertair-socialistische’ partij (1918-1928)’ en publiceer ik in diverse historische jaarboeken en andere tijdschriften
  • Ik laat me graag inspireren door de volgende uitspraak van de door de fascisten vermoorde Italiaanse marxist Antonio Gramsci: ‘de vergissing van de intellectueel bestaat hierin, dat hij gelooft dat men kan ‘weten’ zonder te begrijpen en vooral zonder te voelen, zonder gepassioneerd te zijn (niet alleen voor het weten op zich, maar voor het object daarvan).’

Jeroen Breekveldt, die ik wel vaker tegengekomen was, vroeg mij of ik interesse had om te komen spreken op deze eerste mei-bijeenkomst van Doorbraak te Nijmegen.

Het verzoek was aanvankelijk om in te gaan op het thema (gast)arbeidersstrijd, link naar de slappe opstelling van de vakbeweging en stil te staan bij de ontwikkeling dat een deel van de arbeiders nu voor de islamofobe PVV-leider Geert Wilders valt.

Ik bevond mij op dat moment midden in een verhuizing, c.q. verbouwing binnen Amsterdam Zuidoost. Of ik ook nog even een titel wilde doorgeven. Daar was ik al snel uit en gedurende mijn fysieke inzet bij een succesvolle overtocht en intrek in ons nieuwe huis vond ik ook nog tijd om na te denken over een nadere invulling van het thema.

Als onderwerp stelde ik voor: De noodzaak van een strijdbare en democratische arbeidersbeweging als middel tot ‘inburgering’.

Eerst was dat nog zonder aanhalingstekens, maar Jeroen gaf tijdens een telefonisch onderhoud aan dat de mensen van Doorbraak niet zo enthousiast waren over die inburgering. Dit probleem was dan ook snel opgelost, want dat vind ik ook.

Toch denk ik dat de dialectische problematiek tussen enerzijds gezamenlijk optrekken voor gelijke rechten en anderzijds het recht op eigenheid belangrijke historische parallellen kent. Ook op internationaal vlak komen we als socialisten op voor verbroedering en verzustering van alle onderdrukten op wereldschaal. Daarbij weten we natuurlijk helemaal niet hoe zo’n nieuwe globale socialistische wereldcultuur er uit zal zien.

Zal het een naar elkaar toe groeien zijn van de verscheidene inheemse en eigen culturen resulterend in iets nieuws? Zullen de met verdwijnen bedreigde talen onder de nieuwe omstandigheden juist beter kunnen gedijen? Of zal het Angelsaksische Coca-Cola model de wereld nog verder beheersen? Het is denk ik heel lastig om daar hier en nu iets definitiefs over te zeggen.

Waar we wel iets over kunnen zeggen is wat er gebeurt als onderdrukte groepen als arbeiders in beweging komen om hun lot te verbeteren of om hun positie te verdedigen.

Ik wil vanavond stil staan bij twee voorbeelden die mij al snel te binnen schoten. Het ene geval betreft de organisatievorming van het Amsterdamse joodse proletariaat gedurende haar vlegeljaren in de periode aan het einde van de voorlaatste eeuw (1890-1894). Dit is in een groot aantal opzichten een positief voorbeeld van een offensief gevecht.

Het tweede geval gaat over de bezetting van Ford Amsterdam in de periode 1980-1981. Bij dit bedrijf probeerden de autochtone en allochtone werknemers tevergeefs het sluiten van het autoproductiebedrijf te voorkomen.

ANDB

Aan het eind van de negentiende eeuw probeerden ter linkerzijde twee stromingen een steeds grotere vat te krijgen op het joodse kiezerscorps. Enerzijds de radicale democraten met sociale inslag en anderzijds de sociaal-democraten.

Vooral tussen 1892 en 1897 vond er in het politieke denken onder de onbemiddelde joden van Amsterdam een belangrijke evolutie plaats. Een groot deel vond al voor de oprichting van de Algemeene Nederlandsche Diamantbewerkers Bond (ANDB) op 18 november 1894 de weg naar het socialisme en ging daardoor ook steeds meer afstand nemen van de godsdienst en joodse kerkelijke organisaties. De religieuze leiders probeerden de eigen joodse zuil in stand te houden en zagen niets in vermenging met niet-joden.

Die evolutie had ook te maken met het feit dat een aantal joodse ANDB bestuurders, waaronder Henri Polak, Dolf de Levita en Jos Loopuit in de op 26 augustus 1894 opgerichte zogenaamd parlementair-socialistische partij (SDAP) van meet af een rol van betekenis speelden. Daarnaast waren er ook vrouwen als de gezusters Grietje en Mietje Cohen actief in de progressieve beweging. Het gegeven dat de jonge De Levita en Polak (beiden waren geboren in 1868) behoorden tot de enkelingen die fatsoenlijk Nederlands spraken en schreven droeg hier eveneens aan bij. Hun snelle opkomst in de beweging dankten ze in de eerste plaats hieraan.

Aanvankelijk bestond de aanhang van de voorloper van de SDAP, de SDB aangevoerd door Ferdinand Domela Nieuwenhuis, vooral uit al of niet zelfstandige ambachtslieden. En juist onder deze ambachtslieden heerste een sterk antisemitische traditie. Daarnaast was de joodse massa nogal verknocht aan het huis van Oranje en stond ze in eerste instantie uiterst vijandig tegenover het socialisme.

De geringe ontvankelijkheid van joden voor socialistische ideeën had ook te maken met het feit dat althans het armste deel van de joodse massa, samengepakt in miserabele krotten en sloppen van de oude Jodenbuurt, weinig mogelijkheden tot contact met ‘anders denkenden’ had. En is dan ook zeer waarschijnlijk geen toeval dat vrijwel alle joodse socialisten van het eerste uur woonden in aan de oude joodse wijk grenzende buurten met een overwegend christelijke bevolking.

De vakorganisatie ANDB en de revolutionaire en parlementaire vleugels van de socialistische beweging slaagden er aan het eind van de negentiende eeuw in om vaste voet te krijgen bij de Amsterdamse joodse arbeiders, waarvan het merendeel uit diamantbewerkers bestond. De zogeheten diamantcrisis deed daarbij het zijne en de joodse vakbondsactivisten waren succesvol in het veroveren van de hegemonie binnen de vakbeweging van de diamantbewerkers (waaronder ook christenen). Diezelfde voorlieden speelden ook weer een hoofdrol in de belangrijkste socialistische partij, de SDAP.

De vrijzinnig-liberale Radicalen ontwikkelden zich steeds meer in antisocialistische richting. De socialisten combineerden kiesrechtstrijd met vakbondstrijd. Bovendien bood de beweging een platform voor de integratie en emancipatie van het joodse volksdeel. Overigens zonder dat de joodse wortels definitief doorgesneden werden. En zonder dat ze vervielen tot louter antireligieuze agitatie en propaganda.

Ford Amsterdam

In de zomer van 1980 ontdekten werknemers, vakbonden en ondernemingsraad bij Ford Amsterdam dat ergens ver weg de werkgelegenheid in de hoofdstad werd ondermijnd.

In december 1981 sloot een Ford-Tribunaal een periode af van bijna anderhalf jaar, waarin 1325 werknemers – en velen met hen – onophoudelijk strijd voerden tegen de macht van een multinationale onderneming.

Die strijd werd verloren: de werkgelegenheid is weg. En het is maar een schrale troost voor de Ford-werknemers en hun gezinnen om te weten dat zij als geen ander zichtbaar hebben gemaakt hoe onze samenleving functioneert: het bedrijfsleven, de publieke opinie, de politiek, de internationale organen, de rechterlijke macht. De werknemers van Ford hadden het gelijk aan hun zijde en bleven zitten met de kater van de nederlaag.

Bij dit bedrijf werkten vijfhonderd Turken, honderdvijftig Spanjaarden, honderdvijftig Surinamers en Antillianen en nog honderd buitenlanders van andere nationaliteiten. Terwijl zij het meest kwetsbaar waren vochten ze schouder aan schouder met hun Nederlandse collega’s.

Zonder hen was er van daadwerkelijk verzet geen sprake geweest. In het aangrijpende fotoboek dat hiervan verschenen is, onder de titel ‘De kater van het gelijk. Een aanklacht tegen de praktijken van het Ford-imperium’ lezen we de volgende uitspraken van Mario Gonzalez de Sousa:

‘Wij een cocktail van buitenlandse werknemers van verschillende rassen en nationaliteiten, zijn hierheen gebracht door Ford uit onze landen toen er in Amsterdam een tekort bestond aan het soort arbeiders dat men hier nodig had: Jonge mensen met veel energie, die uitgebuit konden worden in een lopende bandproces, dat ons verplichtte om constant onder een nerveuze spanning te werken en ons langzaam maar zeker kapot maakte. Diegenen die zich niet verzetten en ziek werden, werden ontslagen als de jaarcontracten vernieuwd moesten worden.’

En Leyla ILeri van de Turkse Vrouwenvereniging:

‘Degenen die in de goede jaren de Nederlandse economie moesten redden worden in deze tijd het eerst afgedankt. Alsof de buitenlandse werknemers de schuld zijn van de crisis! Dat zijn wij niet. En daarom is het onaanvaardbaar dat mensen die hier soms twintig jaar hebben gewerkt zonder pardon het land worden uitgezet.’

Dankzij het werk van de ondernemingsraad en de vakbonden bij Ford is voorkomen, dat buitenlandse werknemers die nog geen drie jaar onafgebroken bij Ford werkten, hun verblijfsvergunning verspeelden. De Amsterdamse Vreemdelingenpolitie maakte aanvankelijk fouten bij het verstrekken van verblijfsvergunningen, maar op last van de regering werden die fouten hersteld.

Het moge duidelijk zijn dat strijd op zich een belangrijke voorwaarde is, maar het gaat om meer. Het gaat om het verbinden met een internationalistisch socialistisch perspectief.

Hierbij staan hervormingen niet tegenover structurele maatschappijverandering. Het betreft de delicate band tussen hervormingen op basis van overwinningen, die de betrokkenen extra zelfvertrouwen en motivatie geven en het streefdoel van een klassenloze maatschappij.

In deze samenleving zullen zich ongetwijfeld ook conflicten voordoen op basis van sekse, leeftijd, seksuele geaardheid en of etnische, religieuze afkomst. Maar wellicht lukt het dan beter om deze conflicten geen destructieve dynamiek mee te geven, maar juist een bijdrage aan een veelzijdige, levendige menselijke maatschappij.

Eentje waarbij de tegenstellingen tussen de mensen niet aangewend worden door de bourgeoisie en haar lakeien om verdeeldheid en haat te zaaien. Een maatschappij gebaseerd op samenwerking op wereldschaal en in de buurt.

Een maatschappij waaraan we bijdragen naar vermogen en terugeisen naar behoefte.

Kortom een samenleving, zoals die in zovele utopieën beschreven wordt, maar die we wellicht ooit eens kunnen realiseren: een werkelijke socialistische maatschappij!

Advertenties

2 februari 2009

Korte geschiedenis van het Sneevliet hedenkingscomité

Filed under: Gastposting,Historie — platformrosa @ 3:23 23

Door Dick de Winter, voorzitter van het comité.

Na de dood van Henk Sneevliet en zijn medestrijders viel het Marx-Lenin-Luxemburg-Front (MLL-Front), de illegale organisatie van de Revolutionair Socialistische Arbeiders Partij (RSAP) tijdens de Tweede Wereldoorlog, uiteen in twee groeperingen. Splijtzwam was de verdediging van de Sovjet-Unie. Het trotskistisch Comité van Revolutionaire Marxisten (CRM) pleitte vóór verdediging, terwijl Spartacus dat politiek in radencommunistische richting evolueerde, tegen die verdediging was. Politieke divergentie heeft in het latere Sneevliet Herdenkingscomité ook nog wel eens tot politieke en soms ook persoonlijke wrijving aanleiding gegeven. Maar het Comité is geen vereniging of partij en functioneert naar tevredenheid als een bloemencomité.

Hoe het begon …
In 1945 werd een Comité opgericht om de crematie van de gevallenen te regelen. Er waren ook plannen voor een monument op Westerveld, een in de Noord-Hollandse duinen gelegen crematorium/begraafplaats in de plaats Velsen. Op zaterdag 10 november 1945 trok een lange stoet mensen door Amsterdam achter auto’s en volgkoetsen naar het standbeeld van Domela Nieuwenhuis, de grote wekker van de Nederlandse arbeidersklasse in de 19e – en begin 20ste eeuw. Vandaar reisde men naar Westerveld waar de crematie plaatsvond. Het was een indrukwekkende stoet.
Een jaar later werden de urnen, alleen door de vrouwen en familileden, in het monument dat gebouwd was bijgezet.
De jaren daarna tot 1952 werd er praktisch niet naar het monument omgekeken.

In 1951 stelden vakbondsleider Toon van den Berg en de latere biograaf van Henk Sneevliet Piet van ’t Hart (pseud. Max Perthus) voor om in 1952, tien jaar na de executie, een brochure ter herinnering aan de gevallenen uit te geven. Er moest zoveel in! Het werd uiteindelijk een eerste gedenkboek: Voor Vrijheid en Socialisme, geschreven door Max Perthus. Het kwam anderhalf jaar later, in 1953, uit. De drukker was Eddy van Lambaart die in de illegaliteit een tijdlang de krant Spartacus voor het MLL-Front had vervaardigd. Hij was bereid het boek te drukken en voor een deel ook financieel risico te lopen. Gelukkig verkocht het boek goed. Na een paar jaar was het uitverkocht. Het is nu een zeldzaam antiquarisch boek.

In het jaar 1951 werd het Sneevliet Herdenkingscomité opgericht. Zonder de andere revolutionairsocialisten te kort te willen doen: de naam Sneevliet is nu eenmaal een bekende naam voor de buitenwereld. Een oproep van het Sneevliet Herdenkingscomité aan politieke vrienden en geestverwanten, met instemming van de families, vond in het land grote weerklank. Dat resulteerde in een eerste herdenking. Die vond plaats op 13 april 1952 in het gebouw Bellevue, zeer bekend in Amsterdam, en aansluitend op Westerveld bij het monument.

… en hoe het verder ging
Er waren daarna stemmen die het Comité wilden opheffen vanuit de gedachte niet aan persoonsverheerlijking te willen doen. Het was Marie de Jong-Lagerwaard die het Sneevliet Herdenkingscomité niet wilde loslaten. Ze had zich toen voorgenomen, vertelde ze me jaren later, elk jaar zolang de vrouwen van de omgekomen mannen leefden de gevallenen op Westerveld te zullen herdenken. Vanaf 1953, meer dan veertig jaar – Marie overleed in 1997- , heeft ze dat in goede samenwerking met mijn moeder Hennie de Winter- van Tilborg volgehouden. Uiteraard werden zij ondersteund door de andere leden van het Comité. Daar behoorden familieleden van de gevallenen toe als Ellen Santen, Pien Visser-Menist en Frans Dolleman. Maar ook politieke geestverwanten als Theo van Veen die in 1988 met Sneevliets dochter Sima Sneevliet zou trouwen. Het was haar gelukt om vanuit de Sovjet-Unie definitief naar Nederland te komen.
Het staat buiten kijf dat de wilskracht en doorzettingsvermogen van Marie de Jong-Lagerwaard van beslissende betekenis zijn geweest voor het voortbestaan van het Comité. Ook na haar dood kwamen er weer stemmen op die het wilden opheffen. Maar het tegenwoordige driekoppige bestuur wilde daar niets van weten. De opkomst blijft zeer bevredigend. Er is nog steeds aanwas van nieuwe belangstellenden waaronder jongeren. Daar zijn we blij mee.

Sinds 1953 verzorgt het Sneevliet Herdenkingscomité dat ook enige tijd onder de weinig aansprekende naam voor de buitenwereld als Herdenkingscomité Gefusilleerden 13 april-1942-16 oktober bekend stond, een jaarlijkse circulaire. Op 13 april en op 16 oktober werden altijd bloemen bij het monument gelegd. Ook op 16 oktober, want op die datum in 1942 werden de strijders van het MLL-Front Aaldert IJmkers en Johan Roebers die als gijzelaars gevangen genomen waren, als represaille in de bossen bij Austerlitz door de Duitsers vermoord. Ook werd 1 mei, de Dag van de Arbeid, niet overgeslagen. Ook dan werden er bloemen bij het monument gelegd.
Bij het monument op Westerveld wordt totnutoe altijd een rede uitgesproken en worden gedichten gezegd. In de omgeving is een zaal gehuurd zodat men daar rustig kan bijpraten. De gezellige reünie-achtige sfeer die ontstaat, wordt nogsteeds gewaardeerd. In de loop der jaren zijn veel belangstellenden overleden of waren niet meer goed in staat op doordeweekse dagen de in totaal drie herdenkingen per jaar bij te wonen. Een aantal jaren geleden werd daarom besloten de herdenking een keer per jaar op een zondag, op of omstreeks 13 april, te houden. Men was dan ook beter in staat vervoer per auto te regelen.

Er is al die jaren veel door het Sneevliet Herdenkingscomité tot stand gebracht. Te veel om op te noemen. Een aantal activiteiten moeten worden gememoreerd:

*Hoogtepunten waren de grote herdenkingen in Marcanti in Amsterdam in 1972 en in Hotel Lion d’Or in Haarlem in 1992. Er waren sprekers, er was een (kleine) tentoonstelling en er werd muziek ten gehore gebracht. De belangstelling was groot.

*In 1976 werd aan acht universiteiten een serie lezingen gorganiseerd over ‘Sneevliet en de Chinese revolutie’ met als spreker Bov Bing.

*Onvermoeid ijveren heeft er ook toe geleid dat in de deelgemeente Hoogvliet in Rotterdam straten naar Henk Sneevliet en Ab Menist (in 1974) werden vernoemd. In 1994 kwam daar nog de Mien Sneevliet-Draaijerstraat bij. In andere plaatsen, zoals bijvoorbeeld in Amsterdam, kreeg een belangrijke weg en een Metrostation de naam van Henk Sneevliet. Ook in Zwolle, waar Henk Sneevliet heeft gewoond, werd een staat naar hem vernoemd.

*In 1973 werd met grote en kleine bijdragen geld bijelkaar gebracht zodat het monument op Westerveld dat tekenen van verval begon te vertonen, kon worden gerestaureerd. Bovendien werd vijf jaar later een apart fonds gevormd dat ook als alle comitéleden zouden wegvallen voldoende zou zijn de bloemlegging voor een aantal jaren zeker te stellen.

*In 1984 verscheen het tweede gedenkboek: Internationaal Socialisme.

*In 2002 kwam een meer uitgebreid derde gedenkboek uit: Wij moesten door … .

*Natuurlijk ligt de ontmoeting met de Chinese delegatie van het museum in Shanghai in april van 2008 nog vers in ons geheugen. Het Sneevliet Herdenkingscomité heeft toen een bijdrage kunnen leveren aan het onderzoek van de delegatie in Nederland en aan de voorbereidingen voor de tentoonstelling over Henk Sneevliet die in 2009 zal worden geopend.

We hopen dat de herinnering aan de politieke overtuiging van Henk Sneevliet en zijn medestanders niet verloren gaat en in de toekomst een blijvende inspiratie zal blijven.

Dick de Winter (voorzitter)

1 februari 2009

I have a dream

Filed under: Historie — platformrosa @ 2:37 37

Op 16 januari zou Martin Luther King tachtig jaar zijn geworden, als hij niet op 4 april 1968 vermoord zou zijn geweest. King is bekend vanwege zijn voortrekkersrol in het verzet tegen het – nog steeds – geïnstitutionaliseerde racisme in de VS in de jaren ’60. Met name zijn legendarische toespraak ‘I had a dream is bekend’ geworden. Bekijk ‘m hieronder.

Een paar inleidende opmerkingen over Het Kapitaal

Filed under: Gastposting,Historie,Socialisme — platformrosa @ 2:32 32

Bijgaand een bijdrage naar aanleiding van een inleiding over Het Kapitaal van Karl Marx gegeven op de afgelopen winterschool van de International Socialisten door Rob Gerretsen.

Een paar inleidende opmerkingen over Het Kapitaal
Begin januari 2009 schreef Raymond van den Boogaard in het Cultureel Supplement van NRC Handelsblad een stukje over Das Kapital van Marx, onder de titel ‘Marx verfilmd voor luie lezers’. Hij vertelt dat in Japan Het Kapitaal wordt uitgebracht als strip op klein formaat. En er is een tien uur durende video van Alexander Kluge over Marx en Das Kapital. Kluge noemt Marx “de dichter van onze crisis”. De huidige kredietcrisis en de zware economische recessie die net begonnen is en die steeds zwaardere gevolgen lijkt te krijgen, zullen zeker een van de redenen zijn dat de verkoop van Das Kapital bij de oude Dietz Verlag in Berlijn vorig jaar verdrievoudigd is.

Van den Boogaard betwijfelt in de NRC of alle kopers van Das Kapital ook lezers zullen zijn. Hij is zelf een luie lezer en hij is niet de enige die er mee pronkt dat het hoofdwerk van Marx er zo dik en moeilijk uit ziet, dat hij er maar nooit aan is begonnen. Die luie mensen worden overigens daardoor vaak niet gehinderd om wel van alles over Marx te beweren.

Het Kapitaal is inderdaad een dik en moeilijk werk, maar als we Marx willen begrijpen – en dat kan ik socialisten van harte aanbevelen – dan zullen we hem toch moeten lezen en vooral ook herlezen. Veel mensen doen dat in een groepje en onder begeleiding van iemand die er iets of liefst veel meer van weet. Ook dat is aan te bevelen. Er bestaan ook goede inleidingen over Het Kapitaal; bijvoorbeeld van Ben Fine en Alfredo Saad-Filho, van Ernest Mandel of van Michael Heinrich. Het kan zeker geen kwaad die ook te lezen, want het kost nu eenmaal veel tijd en herhaling om je de marxistische economie eigen te maken. En er zijn veel discussies over Marx tussen marxisten. Die zijn niet altijd meteen begrijpelijk, maar op den duur krijg je wel een basis van inzicht, als je die leest.

Het werk van Marx is een logisch samenhangend geheel en dat geldt zeker voor de drie delen van Het Kapitaal. Zoals bekend heeft Marx alleen van deel I zelf de eindredactie gevoerd, ook van de Franse vertaling daarvan en van een tweede Duitse druk van deel I, die in 1872/73 in Hamburg verscheen. De delen II en III van Das Kapital zijn later – na de dood van Marx- in 1885 en 1894 verschenen, in een redactie van Friedrich Engels. Die heeft daarmee zeer belangrijk werk verricht, door het vrijwel onleesbare handschrift van Marx te ontcijferen, verschillende versies en aanvullende manuscripten van Marx van de delen II en III te redigeren en te publiceren. Maar omdat Marx deze delen zelf niet drukklaar heeft gemaakt, heeft Engels moeten sleutelen aan de stapels oorspronkelijke aantekeningen van Marx. Hij heeft dat gewetensvol gedaan, maar toch is het van wetenschappelijk belang om heel precies te weten wat de tekst van Marx was en wat de redactie en toevoegingen van Engels. De redacteuren van de Marx/Engels Gesamtausgabe (MEGA), waar ik straks nog iets over zal zeggen, hebben daar een reconstructie van weten te maken. Dat betekent overigens niet dat hierover nu geen discussie meer bestaat. Waarover ook discussie wordt gevoerd, is waarom Marx niet meer zelf de delen II en III, waarvan hijzelf natuurlijk meer dan wie ook het belang zag, heeft gepubliceerd. Als redenen worden genoemd de slechte gezondheid en de overwerktheid van Marx en zijn afnemende krachten aan het eind van zijn leven. Die factoren zullen zeker een rol hebben gespeeld. Maar in de discussies wordt ook genoemd dat Marx deze delen wilde publiceren op basis van een grondige analyse van een ‘gemiddeld kapitalisme’, dat wil zeggen op meer dan alleen een analyse van Engeland of West-Europa van dat moment. In de laatste decennia van zijn leven bestudeerde Marx uitgebreid de kapitalistische ontwikkelingen in de Verenigde Staten en in Rusland. Dat laatste hielp hem onder meer om zijn theorie over de grondrente verder te ontwikkelen. Maar Marx wilde ook nog de nieuwste ontwikkelingen van het internationaal kapitalisme in die delen van Het Kapitaal meenemen. Dat schreef hij bijvoorbeeld in een brief van 27 juni 1880 aan Ferdinand Domela Nieuwenhuis in Den Haag. Marx schreef daarin dat zijn arts hem verboden had om te werken en hij schreef over de zeer ernstige ziekte van zijn vrouw. Hij dacht ook wel dat Domela in staat zou zijn voor de Hollanders een samenvatting van Het Kapitaal te maken. Over het tweede deel van Das Kapital schreef Marx aan Domela dat dit onder de huidige omstandigheden niet in Duitsland zou kunnen verschijnen, “was mir sofern ganz willkommen ist, als grade in diesem Augenblick gewisse ökonomische Phänomene in ein neues Stadium der Entwicklung getreten sind, also neue Bearbeitung erheischen.” (wat mij in zoverre helemaal niet betreurt, omdat juist op dit ogenblik bepaalde economische verschijnselen in een nieuw ontwikkelingsstadium zijn gekomen en dus opnieuw bewerkt moeten worden.)

Talloze mensen hebben in de loop der tijd belangrijke ‘fouten’ en ‘inconsistenties’ in de drie delen of tussen de drie delen van Het Kapitaal ontdekt. Teveel om hier te bespreken. Ik denk dat die mensen allemaal ongelijk hebben. Daarbij is het goed om te weten dat Marx de grote bulk van de delen II en III van Das Kapital al geschreven heeft in 1864 en 1865, dat wil zeggen voordat hij op 1 januari 1866 begon aan zijn eindredactie van het eerste deel van Das Kapital, waarvan de eerste druk in 1867 zou verschijnen. Die eerste manuscripten van deel II en deel III zijn al in de MEGA uitgegeven. Marx wist dus bij het schrijven van het eerste deel in grote lijnen goed wat er in de delen II en III zou moeten komen. Marx kondigt in het voorwoord van de eerste druk van deel I andere delen van Het Kapitaal al aan. Overigens heeft Marx ook na het verschijnen van deel I nog veel aan de delen II en III gewerkt. In de jaren 1868 tot 1870 schreef hij een tweede manuscript voor deel II. En in 1875 scheef hij nog een manuscript van 130 pagina’s voor deel III, waaraan hij veel wilde wijzigen. De misverstanden over de zogenaamde inconsistenties bij Marx hebben vooral te maken met onbegrip van waarover deel II en deel III precies gaan en over de verschillende abstractieniveaus die Marx in zijn werk hanteert. Maar ook met een meer algemeen onbegrip van de marxistische methode.

Een belangrijke reden waarom het lezen en begrijpen van Das Kapital zo moeilijk is, ligt niet in de schrijfstijl van Marx, maar in de kapitalistische economie zelf. Daarin lijken de zaken voortdurend anders dan ze zijn. Zoals bekend is de ondertitel van Das Kapital ‘Kritik der politischen Ökonomie’. Het is een kritische analyse van de kapitalistische economie. Het is ook een kritiek op veel andere economen. En het is een kritiek op en een verklaring van de schijngestalten van de kapitalistische economie, waarin niets is wat het lijkt te zijn. Marx is steeds op zoek naar de specifieke historische sociale vorm die alle elementen van de maatschappelijke rijkdom, de productie, de distributie, de consumptie, de arbeid, etc. onder kapitalistische verhoudingen aannemen. Hij laat zien dat hieraan niets natuurlijks is, maar dat die sociale vormen historisch bepaald worden door de kapitalistische klassenverhoudingen. Ze zijn niet natuurlijk en niet eeuwig en dus veranderbaar door de strijd van de arbeidersklasse. Zelfs de laatste grote vertegenwoordiger van de klassieke politieke economie, David Ricardo (wiens vader een Portugese jood uit Amsterdam was), had weliswaar de klassentegenstellingen als uitgangspunt van zijn onderzoek gemaakt, maar die “naïef als maatschappelijke natuurwet opgevat”, zoals Marx schrijft. De klassieke politieke economie onderzocht wel de waar en de waarde, maar heeft zich volgens Marx nooit afgevraagd waaróm arbeid in een kapitalistische maatschappij z’n uitdrukking vindt in waarde. En alle economen onderzoeken niet de meerwaarde als zodanig, maar alleen in haar bijzondere vormen van winst en rente. Ricardo’s boek The Principles of Political Economy and Taxation verscheen in 1817. Daarna was het wel ongeveer afgelopen met de burgerlijke economie als echte wetenschap. In 1825 brak de eerste periodieke crisis van het industrieel kapitalisme uit, de bourgeoisie had in Engeland en Frankrijk de politieke macht veroverd en de opkomende klassenstrijd tussen bourgeoisie en proletariaat (bijvoorbeeld de juli-revolutie in Frankrijk en de Chartisten en de kiesrechthervorming in Engeland) luidde “de doodsklok van de wetenschappelijke burgerlijke economie” (Marx).
Marx laat de schijngestalten van de kapitalistische economie en de noodzaak daarvan bijvoorbeeld zien in zijn loontheorie en in een paragraaf van het eerste hoofdstuk van deel I van Das Kapital, met de titel ‘Der Fetischcharakter der Ware und sein Geheimnis’, het fetishkarakter van de waar en zijn geheim. Die eerste paar hoofdstukken van het eerste deel van Het Kapitaal vormen altijd het grootste struikelblok en die hebben ook de meeste discussies losgemaakt. Toch vond Marx het noodzakelijk om met deze abstracte materie te beginnen om de rest van de analyse een fundament te geven en begrijpelijk te maken, of om op te stijgen van het abstracte naar het concrete. Marx noemde zelf dat eerste deel over ‘Waar en geld’ al in 1859 in een brief aan Joseph Weydemeyer “het moeilijkste, want het abstractste deel van de politieke economie”.

De opzet van voornamelijk de eerste hoofdstukken van het eerste deel is nogal gewijzigd tussen de eerste en tweede druk, door Marx zelf. Niet zozeer wat de inhoud betreft – hoewel dat ook – maar vooral wat betreft de structuur en de indeling en de begrijpelijkheid. Marx had dat onder andere gedaan na kritische op- en aanmerkingen van Engels en van Louis Kugelmann en Wilhelm Liebknecht op de eerste druk, maar ook in reactie op burgerlijke commentaren. Engels wilde graag een sterkere onderverdeling van de hoofdstukken en paragrafen en meer tussenkopjes. In december 1871 en januari 1872 schreef Marx het manuscript “Ergänzungen und Veränderungen zum ersten Band des ‘Kapitals’”, als basis voor zijn verbeteringen in de tweede druk. Marx noemde de tweede druk een ‘verbesserte Auflage’. In 1872 verscheen bovendien in Petersburg ook de eerste vertaling van Das Kapital, in het Russisch, in een vertaling van Lopatin, Danielson en Ljubawin en in een oplage van 3.000 stuks. In de Franse vertaling bracht Marx ook nog enkele veranderingen aan, bijvoorbeeld over de organische samenstelling van het kapitaal. In de tweede Duitse druk heeft Marx bovendien nog een heel aantal voetnoten toegevoegd om de begrijpelijkheid te vergroten. Meer begrijpelijkheid was inderdaad nodig. Marx had bijvoorbeeld al in het voorwoord van de eerste druk geschreven “Die Werthform, deren fertige Gestalt die Geldform, ist sehr inhaltlos und einfach. Dennoch hat der Menschengeist sie seit mehr als 2000 Jahren vergeblich zu ergründen gesucht, ..” (de waardevorm, waarvan de ontwikkelde vorm de geldvorm is, is bijzonder inhoudsloos en eenvoudig. Toch heeft de menselijke geest meer dan 2000 jaar tevergeefs geprobeerd die te doorgronden,..)
Marx voerde de veranderingen onder meer in om het objectieve karakter van zijn waardetheorie te versterken en om de tegenstelling tussen concrete en abstracte arbeid sterker te benadrukken. Hij werkte gedetailleerder het historisch maatschappelijk karakter van de waardesubstantie, de waardegrootte en de waardevorm uit en hij werkte duidelijker uit dat: “der Werth der Waaren nichts ist ausser ihrem Verhältnis zur Arbeit als ihrer gemeinschaftlichen Substanz” (de waarde van de waren is niets buiten haar verhouding tot arbeid als haar gemeenschappelijke substantie). In Het Kapital schrijft Marx dat het waarde-zijn van de waren “also rein gesellschaftlich ist” (dus zuiver maatschappelijk is).

Marx maakte ook duidelijker een begripsmatig onderscheid tussen de waarde en de ruilwaarde als de verschijningsvorm daarvan. In het nawoord van de tweede druk stelt Marx dan ook dat het begin van zijn boek “ist die Ableitung des Werths durch Analyse der Gleichungen, worin sich jeder Tauschwerth ausdrückt” (de afleiding van de waarde is door analyse van de vergelijkingen waarin zich iedere ruilwaarde uitdrukt). De waardevorm drukt niet alleen de waarde zelf, maar ook de waardegrootte uit. Dit moet duidelijk worden als je de tekst van Het Kapitaal zelf leest.

Marx veranderde in de tweede druk ook wat filosofische begrippen en redeneringen in economische, omdat hij te sterk met Hegel geïdentificeerd werd in de recensies en commentaren. Dat ging niet ten koste van het toepassen van de dialectische methode in Het Kapitaal, integendeel. In het nawoord van de tweede druk gaat Marx daarop in, evenals op andere veranderingen in de tweede druk. Marx schrijft daar dat de methode die hij in Het Kapitaal gebruikt, niet goed is begrepen. En hij benadrukt nog eens dat “meine dialektische Methode ist der Grundlage nach von der Hegelschen nicht nur verschieden, sondern ihr direktes Gegentheil” (mijn dialectische methode is fundamenteel niet alleen verschillend van die van Hegel, maar haar directe tegendeel). En ter verduidelijking voegt hij er aan toe: ”Bei mir ist umgekehrt das Ideelle nichts andres als das im Menschenkopf umgesetzte und übersetzte Materielle” (bij mij is omgekeerd het ideële niets anders dan het in de hoofden van de mensen omgezette en vertaalde materiële).

Marx wijst ook op een kwestie die steeds weer tot onbegrip leidt bij het lezen van Het Kapitaal, namelijk dat de methode van onderzoek verschilt van de manier van presenteren van de stof, maar dat dit beide aspecten zijn van de dialectische methode. Hij schrijft: “In het onderzoek moet men zich de materie tot in detail toe-eigenen, de verschillende ontwikkelingsvormen ervan analyseren en het onderlinge verband ontdekken. Pas als deze arbeid is volbracht, kan men de werkelijke beweging adequaat weergeven. Lukt dit en weerspiegelt zich nu het stoffelijke leven ideëel, dan lijkt het er op alsof men met een constructie a priori te doen heeft”. Dit onderscheid speelt nog steeds, ook in actuele discussies tussen marxisten. Zo maken bijvoorbeeld Ben Fine en Alfredo Saad-Filho in een discussie met Jim Kincaid in het laatste nummer van Historical Materialism onderscheid tussen vier methodische verschillen: “the order of abstraction (movement from simple and more abstract to complex and more concrete, value to price for example), the order (and nature) of causation (production prior to exchange), the order of presentation, and the order of investigation” (de volgorde van de abstractie (de beweging van het eenvoudige en meer abstracte naar complex en meer concreet, van waarde naar prijs bijvoorbeeld), de volgorde (en de aard van) de causaliteit (productie gaat vooraf aan de ruil), de volgorde van de presentatie en de methode van onderzoek).

Het stuk over het fetisjkarakter van de waar is ook stevig veranderd in de tweede druk. Marx had aan Kugelmann al eens geschreven over de schijngestalten van het kapitalisme: “De heersende klassen hebben er hier dus een absoluut belang bij om de hersenloze verwarring te vereeuwigen”. Hij schrijft: “Op het eerste gezicht schijnt de waar een alledaags en eenvoudig ding te zijn. Uit haar analyse blijkt dat het een bijzonder lastig ding is, vol metafysische spitsvondigheden en theologische grillen. Voor zover de waar gebruikswaarde is, is er niets geheimzinnigs aan (…). Waaruit vloeit het raadselachtige karakter, dat het arbeidsproduct krijgt zodra het in de warenvorm verschijnt, dan voort? Kennelijk uit deze vorm zelf. (…) Het geheimzinnige van de warenvorm ligt dus eenvoudig in de omstandigheid dat deze vorm voor de mensen het maatschappelijk karakter van hun eigen arbeid weerspiegelt als het concrete karakter van de arbeidsproducten zelf, als de maatschappelijk-natuurlijke eigenschappen van deze dingen. (…) Het is slechts de bepaalde maatschappelijke verhouding van de mensen zelf, die voor hen de fantasmagorische vorm van een verhouding tussen dingen aanneemt.” Ook dit wordt duidelijker als je de gehele tekst zelf leest.

Zoals gezegd bespreekt Marx de schijngestalten van de kapitalistische economie onder andere in zijn analyse van het arbeidsloon. In een brief aan Engels van 8 januari 1868 had Marx de “drei grundneuen Elemente des Buchs” (de drie wezenlijk nieuwe elementen van het boek) aangegeven en dat was naast de analyse van de meerwaarde in zijn zuivere vorm en de behandeling van het dubbelkarakter van de warenproducerende arbeid, in de derde plaats de behandeling van het arbeidsloon “als irrationelle Erscheinungsform eines dahinter versteckten Verhältnisses” (als irrationele verschijningsvorm van een daarachter verscholen verhouding). Op het eerste gezicht lijkt er niets geks aan het arbeidsloon, zelfs al is dat voor veel arbeiders vaak mager of te weinig om van te leven. Pas geleden schreef de hoofdredacteur van het blad van de Abvakabo FNV nog: “ik verzet werk en daar krijg ik loon voor”. Dat lijkt op het eerste gezicht alleszins redelijk en normaal. Marx laat zien wat die daarachter verscholen verhouding dan wel is en hij laat ook zien waarom ook hier weer de schijn de werkelijkheid lijkt. Dit begrip hebben we nodig, want anders begrijpen we bijvoorbeeld niet waarom het loonaandeel in de geproduceerde rijkdom van de belangrijkste kapitalistische landen de afgelopen decennia aanzienlijk is gedaald, terwijl er toch meer mensen zijn gaan werken en er ook harder gewerkt is. Marx laat zien dat de loonvorm zelf ieder spoor uitwist van de verdeling van de arbeidsdag in noodzakelijke arbeid en meerarbeid, in betaalde arbeid en onbetaalde arbeid en dat alle arbeid verschijnt als betaalde arbeid. De loonvorm versluiert dus de uitbuiting.

Ik zou nog iets zeggen over de Marx Engels Gesamtausgabe, de MEGA. Tijdens zijn leven is er maar een heel klein deel van het werk van Marx in druk verschenen. Na zijn dood werden dus het tweede en derde deel van Het Kapitaal door Engels uitgegeven. Daar kwam onder andere later nog bij de publicatie van de Theorien über den Mehrwert, de Parijse Manuscripten en de Grundrisse. Er verschenen ook andere losse uitgaven en we kennen de serie werkuitgaven in de vorm van de MEW, de Marx-Engels Werke. Al snel na de Russische revolutie begon men te denken aan een complete uitgave van het werk van Marx en Engels. Lenin zag dat als “een opdracht van internationaal belang”. Slechts vier van de geplande 28 delen konden toen worden uitgebracht. Een nieuwe impuls kwam er onder leiding van de Russische revolutionair David Rjazanov met de oprichting in 1921 van het Marx-Engels Instituut in Moskou. In 1927 verscheen het eerste van de geplande 42 delen van de MEGA in samenwerking met het Frankfurter Institut für Sozialforschung van Horkheimer. Met deel 12 werd in 1935 de eerste serie van de MEGA stopgezet. Hitler was intussen aan de macht gekomen en Rjazanov werd in 1938 door Stalin vermoord. Een belangrijk deel van de originelen van Marx en Engels, die in bezit waren van de Duitse SPD kwam terecht bij het IISG in Amsterdam. Ongeveer een derde van de originelen bevindt zich in Moskou. Gelukkig had Rjazanov kopieën gemaakt, want sommige originelen zijn intussen onherstelbaar beschadigd.

In de periode na 1956 werden er vanuit het Instituut voor Marxisme-Leninisme initiatieven genomen om de serie MEGA weer nieuw leven in te blazen. Ook door Walter Ulbricht in Oost-Berlijn werd druk uitgeoefend om verder te gaan met de MEGA. Door tegenwerking in Moskou gebeurde er weinig, totdat er in 1968 een plan gereed kwam voor publicatie van de MEGA bij Dietz Verlag. Er kwam een samenwerking met het IISG tot stand, dat niet zelf meedeed. Men plande 120 delen voor de eerstkomende 25 jaar en de opzet van de MEGA werd veranderd. Met de nieuwe wetenschappelijke richtlijnen kwam men zelfs tot een planning van 142 delen. In 1975 werd met de reguliere publicatie begonnen. Nieuwe problemen ontstonden na de val van de muur en het ineenstorten van de Sovjet-Unie. Maar in 1990 kwam een nieuw samenwerkingsverband tot stand in de vorm van de IMES, de Internationale Marx-Engels Stiftung. Feitelijke uitgever werd het IISG. Zo’n twintig procent van de oplage wordt verkocht in Japan. Alle delen bestaan uit twee aparte gebonden boeken, een met tekst en een met apparaat. De hele serie zal niet voor 2025 of 2030 klaar zijn. De boeken zijn erg duur, maar je kunt ze wel inzien, bijvoorbeeld op het IISG.

Als wij de kredietcrisis en de economische recessie of depressie van nu willen begrijpen, dan is het niet voldoende om alleen Das Kapital te lezen. Maar zonder dat is het onmogelijk om de wereld om ons heen werkelijk te begrijpen. En zonder begrip kunnen we de wereld ook niet veranderen. En daarop komt het toch aan, zoals Marx al in de elfde stelling over Feuerbach schreef.

Rob Gerretsen, 25 januari 2009 (inleiding op de winterschool van de IS in Amsterdam)

8 januari 2009

50 jaar geleden: de Cubaanse revolutie

Filed under: Historie,Socialisme — platformrosa @ 9:36 36

50 jaar geleden werd de Cubaanse dictator Batista van de macht verdreven na een algemene beweging van de arbeidersklasse in de steden en een guerrilabeweging onder leiding van figuren als Fidel Castro en Che Guevara. 50 jaar later blijft het nieuwe regime nog steeds standhouden, ondanks tegenwerking van het VS-imperialisme. Offensief plaatste een uittreksel van de brochure van Tony Saunois over Che Guevarra, dat met name betrekking heeft op de guerilla-oorlog die voorlopig eindigde met de vlucht van Batista op oudjaarsavond.

31 december 2008

Henk Sneevliet en Betsy Brouwer

Filed under: Historie,Socialisme — platformrosa @ 8:42 42

Op de website http://www.onvoltooidverleden.nl staat een interessant artikel van Dick de Winter en Jan Hekkenberg over Henk Sneevliet en Betsy Brouwer. Hieronder vind je de eerste alinea van het artikel wat je hier in zijn geheel kunt lezen.

Toen ook de tweede zoon van haar tweeling zelfmoord had gepleegd, zag Betsy Brouwer het leven niet meer zitten. Ze wilde met niemand van de beweging nog contact hebben. Ze verlangde maar naar één ding: de dood, ook al kwam haar ex-echtgenoot en vader van de tweeling, Henk Sneevliet, dagelijks langs om haar te troosten. Ook Sneevliet leek het leven even niet meer aan te kunnen. Hij liep, zo schreef zijn vrouw Mien aan George Vereeken, een Belgische politieke vriend,‘met vreemde plannen rond’. Met veel moeite kreeg ze hem over zijn depressie heen. Sneevliet ging weer naar de Tweede Kamer waar hij vanaf 1933 voor de Revolutionair Socialistische Partij (RSP) en later in 1935 na de fusie met de Onafhankelijke Socialistische Partij (OSP) voor de Revolutionair Socialistische Arbeiders Partij (RSAP) zijn zetel innam. Maar hij had nog steeds moeite zijn gedachten erbij te houden.

2 september 2008

Albert Einstein, socialist

Filed under: Historie,Socialisme — platformrosa @ 12:40 40

Albert Einstein was een van ’s werelds vermaardste wetenschappers. Zijn werk aan de relativiteitstheorie was net zo baanbrekend als Newton’s werk aan de mechanica. Einstein schreef echter niet alleen over E=mc2, maar – heel wat minder bekend – ook over socialisme. We plaatsen hieronder een tekst van Einstein, waarom socialisme, voor het eerst verschenen in Monthly Review, mei 1949 (naar aanleiding van het eerste nummer van dit magazine). Deze vertaling en de publicatie online is van marxisme.net, mei 2004 (zie origineel hier).

Waarom socialisme?
Albert Einstein, 1949

Is het aan te raden dat iemand die geen expert is van economische en sociale thema’s standpunten inneemt over socialisme? Ik denk het wel.

Laat ons de vraag eerst bekijken vanuit het standpunt van wetenschappelijke kennis. Het kan lijken alsof er geen essentiële methodologische verschillen zijn tussen astronomie en economie: wetenschappers op beide terreinen proberen algemeen aanvaarde wetten te ontdekken voor een gegeven groep van fenomenen om het onderling verband tussen deze fenomenen zo verstaanbaar mogelijk te maken. Maar in de realiteit bestaan er wel methodologische verschillen. Het ontdekken van algemene wetten in de economie wordt bemoeilijkt door veel factoren die moeilijk afzonderlijk kunnen geëvalueerd worden. Daarenboven is de ervaring die opgedaan werd sinds het begin van de zogenaamde beschaafde periode van de menselijke geschiedenis, sterk beïnvloed en beperkt door redenen die niet louter economisch zijn. Zo hebben de belangrijkste landen in de geschiedenis hun rol kunnen spelen op basis van veroveringen. De veroveraars vestigden zichzelf, legaal en economisch, als een geprivilegeerde klasse in het veroverde land. Ze veroverden voor zichzelf een monopolie op het grondbezit en stelden priesters uit de eigen rangen aan. De priesters, die het onderwijs controleerden, zorgden ervoor dat het klassenonderscheid in de samenleving een permanent instituut werd en creëerden een systeem van waarden waardoor de bevolking in grote mate onbewust werd gehouden en waarmee ze begeleid werden in hun sociaal gedrag.

Maar de historische traditie is bij wijze van spreken iets van gisteren. We hebben nergens echt wat Thorstein Veblen “de roofzuchtige fase” van de menselijke ontwikkeling noemt, overstegen. De waarneembare economische feiten behoren tot die fase en zelfs de wetten die we eruit kunnen afleiden zijn niet van toepassing in andere fasen. Aangezien de echte doelstelling van het socialisme er net uit bestaat om de roofzuchtige fase van de menselijke ontwikkeling te overstijgen, kan de huidige economische wetenschap weinig duidelijkheid brengen over de socialistische samenleving van de toekomst.

Ten tweede heeft het socialisme sociaal-ethische doelstellingen. De wetenschap daarentegen kan geen doelstellingen naar voor brengen en kan deze nog minder indragen bij mensen. Ten hoogste kan de wetenschap de middelen voorzien om bepaalde doeleinden te bereiken. Maar die doeleinden op zich worden opgemaakt door personen met bepaalde ethische idealen en – als de doeleinden niet doodgeboren maar vitaal en krachtig zijn – worden deze doelstellingen aangenomen en naar voor gestuwd door die vele menselijke wezens die, deels onbewust, de trage evolutie van de samenleving bepalen.

Om deze redenen moeten we op onze hoede zijn om de wetenschap en wetenschappelijke methodes niet te overschatten als het gaat over kwesties van menselijke problemen; en we mogen niet veronderstellen dat de deskundigen de enigen zijn die hun standpunt mogen uiten over de organisatie van de samenleving.

Velen beweren al enige tijd dat de menselijke samenleving zich in een crisis bevindt, met name dat de stabiliteit ernstig verstoord is. Het is kenmerkend voor een dergelijke situatie dat de individuen zich onverschillig of zelfs vijandig opstellen tegenover de groep, kleine of grote groepen, waartoe ze behoren. Om mijn mening te illustreren wil ik een persoonlijke ervaring naar voor brengen. Ik sprak recent met een intelligente en capabele man over de dreiging van een nieuwe oorlog, die volgens mij het bestaan van de mensheid serieus zou bedreigen, en ik merkte op dat enkel een supra-nationale organisatie bescherming zou bieden tegenover dat gevaar. Hierop vroeg mijn bezoeker kalm en koel: “Waarom ben je zo sterk tegen het verdwijnen van de mensheid?”

Ik ben er zeker van dat een eeuw geleden niemand zo’n lichtzinnige opmerking zou gemaakt hebben. Het is een opmerking van een man die tevergeefs heeft geprobeerd om met zichzelf in evenwicht te komen en die min of meer de hoop op succes daarbij heeft opgegeven. Het is een uitdrukking van een pijnlijke eenzaamheid en isolement waaronder zoveel mensen vandaag lijden. Wat is de oorzaak? Is er een uitweg?

Het is gemakkelijk om dit soort vragen naar voor te brengen, maar het is moeilijk om er met enige graad van zekerheid op te antwoorden. Ik moet echter proberen om zo goed mogelijk te antwoorden ook al ben ik er erg bewust van dat onze gevoelens en doelstellingen vaak tegenstrijdig en onduidelijk zijn en dat ze niet kunnen uitgedrukt worden in gemakkelijke en simpele formules.

De mens is tegelijk een solitair wezen en een sociaal wezen. Als solitair wezen probeert hij zijn eigen bestaan en dat van diegenen die hem het meest nabij staan te beschermen, zijn persoonlijke behoeftes in te vullen en om zijn interne mogelijkheden te ontwikkelen. Als sociaal wezen zoekt de mens erkenning en affectie van zijn medemensen, om plezier uit te wisselen, om hen te troosten bij hun verdriet en om hun levensomstandigheden te verbeteren. Enkel het bestaan van deze gevarieerde en vaak tegenstrijdige elementen zorgt voor het speciale karakter van de mens en deze specifieke combinatie bepaalt de graad waarin een individu een intern evenwicht kan vinden en kan bijdragen aan de samenleving. Het is mogelijk dat de relatieve sterkte van deze twee elementen voornamelijk bepaald wordt op basis van afstamming. Maar de persoonlijkheid die uiteindelijk gevormd wordt, is in grote mate bepaald door de omgeving waarin een mens terechtkomt tijdens zijn ontwikkeling, door de structuur van de samenleving waarin hij opgroeit, door de tradities van die samenleving, door de waardering van bepaalde vormen van gedrag. Het abstracte concept “samenleving” betekent voor het individu de totale som van zijn directe en indirecte relaties met zijn medemensen en met de mensen van vorige generaties. Het individu kan op zichzelf denken, voelen, zaken nastreven en werken, maar hij is zodanig afhankelijk van de samenleving – in zijn fysieke, intellectuele en emotionele bestaan – dat het onmogelijk wordt om een beeld te vormen van de mens buiten het kader van de samenleving. Het is de ‘samenleving’ die de mens voorziet in voedsel, kleding, een huis, arbeidsgereedschap, taal, denkwijzen en de meeste inhoud van het denken; het leven van de mens wordt mogelijk door de arbeid en door de verwezenlijkingen van de vele miljoenen mensen in het verleden en het heden die allemaal verstopt zitten achter het kleine woordje “samenleving”.

Het is dan ook evident dat de afhankelijkheid van een individu tegenover de samenleving een feit is dat niet kan afgeschaft worden – net zoals bij de mieren en de bijen. Maar daar waar het volledige levensproces van mieren en bijen tot in de kleinste details geregeld wordt strikte erfelijke instincten, is het sociaal patroon van intermenselijke relaties erg veranderlijk en vatbaar voor wijzigingen. Het geheugen, de capaciteit om nieuwe combinaties te maken, de gave van gesproken communicatie maken ontwikkelingen van de mens mogelijk die niet bepaald worden door biologische noden. Dergelijke ontwikkelingen komen tot uiting in tradities, instellingen en organisaties, in de literatuur, in wetenschappelijke en technische verwezenlijkingen, in kunst. Dit verklaart waarom in zekere zin de mens zijn leven kan beïnvloeden door zijn eigen gedrag en dat in dit proces bewust denken een rol kan spelen.

De mens verwerft bij zijn geboorte, door de erfelijkheid, een biologische basis die we moeten beschouwen als iets vaststaand en onveranderbaar. Daarin bevindt zich de natuurlijke drang die de menselijke soort karakteriseert. Daarbovenop verwerft de mens tijdens zijn leven een culturele basis die hij overneemt van de samenleving door communicatie en vele andere vormen van invloeden. Het is die culturele basis die met het verloop van de tijd aan verandering onderhevig is en in belangrijke mate de verhouding tussen een individu en de samenleving bepaalt. De moderne antropologie heeft ons door vergelijkend onderzoek van zogenaamd primitieve culturen, geleerd dat het sociaal gedrag van mensen enorm kan verschillen afhankelijk van de heersende culturele patronen en organisatievormen die de samenleving domineren. Het is hierop dat diegenen die het lot van de mens willen verbeteren, zich baseren: mensen zijn niet veroordeeld omwille van hun biologische afstamming tot het uitroeien van elkaar of om een wreed lot te ondergaan.

Als we ons de vraag stellen hoe de structuur van de samenleving en de culturele instelling van de mens kan veranderd worden om een beter leven te bekomen, moeten we ons steeds bewust zijn van het feit dat er bepaalde elementen zijn die we niet kunnen veranderen. Zoals eerder vermeld is de biologische natuur van de mens niet onderhevig aan veranderingen. Bovendien hebben de technologische en demografische ontwikkelingen van de voorbije eeuwen voorwaarden gecreëerd die blijvend zijn. In vrij dicht bevolkte gebieden zal er voor de productie van goederen die nodig zijn voor het voortbestaan, een extreme arbeidsdeling en sterk gecentraliseerd productie-apparaat noodzakelijk zijn. De tijd – die als we terugkijken zo idyllisch leek – dat individuen of kleine groepen volledig op zichzelf konden georganiseerd zijn, is definitief voorbij. Het is slechts een kleine overdrijving als we stellen dat de mensheid een wereldwijde gemeenschap van productie en consumptie vormt.

Ik kom nu op het punt waarin ik kort wil ingaan op wat volgens mij de essentie is van de huidige crisis. Het betreft de verhouding van het individu tot de samenleving. Het individu is zich meer dan ooit bewust van zijn afhankelijkheid tegenover de samenleving. Maar hij ziet deze ervaring niet als iets positief, als een organische band, als een beschermende kracht, maar eerder als een bedreiging voor zijn natuurlijke rechten en zelfs voor zijn economisch bestaan. Bovendien is zijn positie in de samenleving erop gericht om de egoïstische doelstellingen constant te benadrukken, terwijl de sociale doelstellingen, die zwakker staan, geleidelijk aan naar de achtergrond verdwijnen. Alle menselijke wezen, wat ook hun positie in de samenleving is, lijden onder dit proces. Als onwetende gevangenen van hun eigen egoïsme, voelen ze zich onveilig, eenzaam en ontdaan van ieder eenvoudig en onbedorven plezier van het leven. De mens kan betekenis in het leven vinden, ook al is het leven kort en gevaarlijk, door zijn leven te wijden aan de samenleving.

De economische anarchie van de kapitalistische samenleving zoals deze vandaag bestaat, is volgens mij de echte oorzaak van het kwaad. We zien een enorme gemeenschap van producenten, waarbij deze aanhoudend ernaar streven om elkaar de vruchten van hun collectieve arbeid te ontnemen – niet door geweld, maar in het algemeen door een goedgelovig naleven van de legaal gevestigde juridische regels. In die zin is het belangrijk dat we ons realiseren dat de productiemiddelen, het is te zeggen de volledige productiecapaciteit die noodzakelijk is voor het produceren van consumptiegoederen en bijkomend kapitaal, op legale wijze en voornamelijk het privaat bezit vormen van individuen.

Omwille van de eenvoud zal ik hierna iedereen “arbeider” noemen wie geen eigendom van de productiemiddelen bezit – ook al beantwoordt dit niet volledig aan de gebruikelijke definitie van deze term. De eigenaar van de productiemiddelen kan de arbeidskracht van de arbeider kopen. Door de productiemiddelen te gebruiken produceert de arbeider nieuwe goederen die de eigendom zijn van de kapitalist. Het essentiële element in dit proces is de verhouding tussen wat de arbeider produceert en wat hij verdient, waarbij deze beiden uitgedrukt worden in reële waarde. Voor zover de arbeidsovereenkomst “vrij” is, zal hetgeen de arbeider betaald wordt niet bepaald worden door de reële waarde van de goederen die hij produceert, maar door zijn minimale behoeftes en de noden van de kapitalist voor arbeidskracht tegenover het aantal arbeiders dat beschikbaar is voor het werk. Het is belangrijk om te begrijpen dat zelfs in theorie het loon van de arbeider niet bepaald wordt door de waarde van hetgeen hij produceert.

Het privé-kapitaal heeft de tendens om geconcentreerd te worden bij een kleine groep mensen, deels omwille van concurrentie onder de kapitalisten en deels omwille van technologische ontwikkelingen en de stijgende arbeidsdeling die de vorming van grotere productie-eenheden ten koste van kleinere eenheden bevordert. Het resultaat van deze ontwikkelingen is een oligarchie van privaat kapitaal waarvan de enorme macht niet kan gecontroleerd worden door een democratisch georganiseerde politieke samenleving. Dit blijkt ook uit het feit dat de verkozenen van wetgevende organen aangeduid worden door politieke partijen die grotendeels gefinancierd, of toch beïnvloed, worden door kapitalisten die omwille van praktische redenen een onderscheid maken tussen de kiezers en de wetgevers. Het gevolg is dat de volksvertegenwoordigers in de praktijk niet de belangen verdedigen van de ongeprivilegeerde delen van de bevolking. Bovendien is het onder de huidige omstandigheden onvermijdelijk dat private kapitalisten de directe of indirecte controle uitoefenen op de belangrijkste informatiebronnen (kranten, radio, onderwijs). Het wordt hierdoor erg moeilijk, en in veel gevallen zelfs onmogelijk, voor de individuele burger om tot objectieve conclusies te komen en op die basis gebruik te maken van zijn politieke rechten.

De situatie in een economie gebaseerd op het privaat bezit van kapitaal wordt bijgevolg gekenmerkt door twee belangrijke principes: ten eerste is er privaat bezit van de productiemiddelen (kapitaal) en kunnen de eigenaars hierover beschikken naargelang het hen uitkomt; en ten tweede is de arbeidsovereenkomst vrij. Natuurlijk bestaat er niet zoiets als een pure kapitalistische maatschappij in deze zin. In het bijzonder moet opgemerkt worden dat de arbeiders doorheen lange en bittere politieke strijd erin geslaagd zijn om een enigszins betere vorm van de “vrije arbeidsovereenkomst” af te dwingen voor bepaalde categorieën van arbeiders. Maar algemeen beschouwd, verschilt de huidige economie niet sterk van het “pure” kapitalisme.

De productie is gericht op de winst, niet op het gebruik ervan. Er is geen bepaling voorzien dat al diegenen die in staat zijn om te werken en daartoe bereid zijn, steeds bij machte zullen zijn om werk te vinden; een “leger van werklozen” zal steeds bestaan. De arbeider vreest steeds dat hij zijn job zal verliezen. Aangezien werklozen en slecht betaalde arbeiders niet voor een winstgevende markt zorgen, wordt de productie van consumptiegoederen beperkt en is miserie het gevolg. Technologische vooruitgang leidt er vaak toe dat de werkloosheid toeneemt, in plaats dat de arbeid van allen verlicht wordt. Het winstmotief, samen met de concurrentie tussen de kapitalisten, leidt tot onstabiliteit in de accumulatie en het gebruik van kapitaal wat leidt tot enorme depressies. De onbeperkte concurrentie leidt tot een enorm verlies van arbeidskracht en tot het verlagen van het sociaal bewustzijn van individuen waar ik eerder op wees.

Dit beperken van de mogelijkheden voor individuen beschouw ik als het ergste kwaad van het kapitalisme. Ons volledige onderwijssysteem lijdt hieronder. Een overdreven competitiedrang wordt de studenten opgedrongen om deze op te leiden in het koesteren van hebzuchtig succes als voorbereiding op een latere carrière.

Ik ben ervan overtuigd dat er slechts één manier is om een einde te maken aan dit kwaad, namelijk door het vestigen van een socialistische economie, wat gepaard gaat met een onderwijssysteem dat gericht is op sociale doelstellingen. In zo’n economie zijn de productiemiddelen het bezit van de samenleving zelf en kunnen deze op een geplande wijze gebruikt worden. Een planeconomie die de productie aanpast aan de behoeften van de samenleving, zou het werk verdelen onder al diegenen die in staat zijn om te werken en zou een menswaardig bestaan garanderen voor iedere man, vrouw en kind. Het onderwijs van het individu zou naast het bevorderen van de aangeboren capaciteiten gericht zijn op het ontwikkelen van een verantwoordelijkheidsgevoel voor de medemens in plaats van de verheerlijking van macht en succes in de huidige samenleving.

Het is evenwel noodzakelijk om te herinneren dat een geplande economie nog geen socialisme is. Een geplande economie kan gepaard gaan met het volledig onderdrukken van het individu. Het bereiken van socialisme vereist oplossingen voor extreem moeilijke socio-politieke problemen: hoe is het mogelijk om in een sterk doorgedreven centralisatie van politieke en economische macht te vermijden dat een bureaucratie oppermachtig wordt? Hoe kunnen de rechten van het individu beschermd worden en een democratische tegenmacht garanderen tegenover de macht van een bureaucratie?

Duidelijkheid over de doelstellingen en de problemen van het socialisme is van enorm belang in deze overgangsperiode. Aangezien in de huidige omstandigheden een vrije en open discussie over deze problemen een taboe geworden is, beschouw ik het oprichten van dit magazine als een belangrijke stap vooruit.

3 augustus 2008

70 jaar Vierde Internationale

Filed under: Historie — platformrosa @ 2:53 53

Op 3 september 1938 vond, in de buurt van Parijs, de oprichtingsconferentie van de Vierde Internationale plaats. Zo’n dertig afgevaardigden uit verschillende landen – waaronder Nederland – waren aanwezig. 1938 was een jaar waarin het socialisme mijlenver weg leek. In Moskou vonden de schijnprocessen tegen vele ‘oude bolsjewieken’ plaats tijdens de Grote Zuivering, waarbij alle kritische marxisten, kunstenaars, intellectuelen, maar ook willekeurige burgers naar de Goelag-archipel werden verbannen of geëxecuteerd. In Spanje waren de fascisten van Franco aan de winnende hand in de Spaanse Burgeroorlog. Oostenrijk was geannexeerd door Hitler-Duitsland en hetzelfde lot dreigde voor Tsjecho-Slowakije. In de Sovjet-Unie was de aanhagers van Trotski en de Linkse Oppositie het werken (zo niet het leven) al lang onmogelijk gemaakt, maar ook in Duitsland zaten vele Trotskisten in de concentratiekampen.

Onder deze uiterst moeilijke omstandigheden werd dus de Vierde Internationale opgericht. Trotski en zijn aanhangers probeerden sinds 1923 een oppositie binnen de Comintern op te bouwen, als (Internationale) Linkse Oppositie, maar halverwege de jaren ’30 moest geconstateerd worden dat het terug veroveren van de Derde Internationale op de Stalinisten onmogelijk was geworden. De Vierde Internationale werd in moeilijke omstandigheden opgericht, moest meestal ondergronds werken tijdens de Tweede Wereldoorlog en moest na 1945 (met een gedecimeerd ledental en zonder de in 1940 vermoorde Trotski) het moeilijke ideologische gevecht met het ‘reëel bestande socialisme’ in het Oostblok aan. Onder andere door die moeilijke omstandigheden en door het gebrek aan leiderschap werd ‘De Vierde’ geplaagd door afsplitsingen. Thans zijn er tientallen Internationales die teruggrijpen op de Vierde Internationale van Trotski.

Leestips:
Peter Taaffe, History of the CWI
Pierre Frank, The Fourth International:The Long March of the Trotskyists

Bezoektip:

Donderdag 7 augustus: openbare meeting van de LSP in Gent over de 70e verjaardag van de Vierde Internationale.
Openbare meeting in Gent

5 mei 2008

Wethouderssocialisme in Amsterdam

Filed under: Historie — platformrosa @ 11:38 38

Ron Blom schreef onderstaande inleiding voor de Bredase Socialismedag op 3 mei:

Voor lange tijd konden socialisten volgens niet-socialistische partijen geen regeringsverantwoordelijkheid dragen. Zo weigerden christelijke en liberale partijen tot vlak voor de Tweede Wereldoorlog te regeren met de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP), de voorloper van de PvdA. Vooral door de revolutiepoging van toenmalig SDAP-leider Pieter Jelles Troelstra in november 1918 achtten zij de socialisten volstrekt onbetrouwbaar. De prijs die de sociaal-democratie moest betalen was het decennialang verstoken blijven van deelname aan de regeringsmacht. Pas in 1939 zou de SDAP voor het eerst deel uitmaken van de Nederlandse regering onder leiding van minister-president D.J. de Geer van de Christelijk-Historische Unie (CHU). In de ogen van niet-socialistisch Nederland had de partij nu voldoende afstand genomen van haar revolutionaire erfenis. Twintig jaar later woog de herinnering aan Troelstra’s revolutiepoging niet meer op tegen de aanpassingen van de sociaal-democratie aan de bestaande kapitalistische maatschappij. De partij stond inmiddels niet meer voor ontwapening en voor de afschaffing van de monarchie. Bovendien omarmde ze nu volmondig de parlementaire democratie. Op plaatselijk niveau lag dit heel anders, daar zou de SDAP ruimschoots ervaring opdoen met het zogeheten ‘wethouderssocialisme’.

Lokaal bestonden er al voor en tijdens de Eerste Wereldoorlog wél mogelijkheden om colleges met de SDAP te vormen. Door de snelle stijging van het aantal raadszetels was het leveren van wethouders een reële mogelijkheid geworden. Wethouderszetels zouden pas ingenomen worden in geval van een raadsmeerderheid die de mogelijkheid zou bieden aan daadwerkelijke uitvoering van het eigen programma te werken.
De eerste wethouders werden in 1907 gekozen in de plaatsen Goor en Leeuwarderadeel en in 1911 in Ambt-Almelo. In de loop van de tijd schoof de partij echter op. In 1913 sprak de Amsterdamse federatie-ledenvergadering uit dat bestuursdeelname zonder raadsmeerderheid aanvaard kon worden, mits de partij de portefeuille volkshuisvesting toe zou vallen. [1] In 1916 telde de SDAP dertien wethouders. We kunnen hierbij denken aan Zaandam (met SDAP-burgemeester Klaas ter Laan), Amsterdam, Schiedam en ook Den Haag.
Afhankelijk van de plaatselijke politieke mogelijkheden en potentiële Collegepartners grepen SDAP-wethouders deze mogelijkheden aan om te laten zien dat socialisten bij uitstek goede bestuurders kunnen zijn. Zo was de latere minister-president Willem Drees tussen 1919 en 1933 wethouder in Den Haag. Hij was een pleitbezorger van het ‘wethouderssocialisme’: het ‘opbouwende werk in de gemeentebesturen’ was volgens Drees een betere propaganda voor het socialisme dan ‘de hardnekkige, maar vergeefse oppositie’ in de Tweede Kamer.

Eerste Wereldoorlog

Vooral Amsterdam heeft voor de Tweede Wereldoorlog beroemde SDAP-wethouders voortgebracht, zoals Floor (Florentinus) Wibaut (1859-1936), die met enkele korte onderbrekingen wethouder was van 1914 tot 1931. Een minder bekende wethouder is Monne (Salomon Rodrigues) de Miranda (1875-1942), die tussen 1919 en 1939 vier keer wethouder was [2]. In weerwil van de bezuinigingspolitiek van regeringen van christelijke en liberale kleur slaagde hij er lokaal in om sociale woonwijken te bouwen, in de stijl van de Amsterdamse School.
Uitgerekend de marxist F.M. Wibaut verzette zich in de begintijd tegen de gedachte dat het socialisme in de gemeente viel te vestigen. Hij baseerde zich daarbij op een aangenomen resolutie over ‘socialistische gemeentepolitiek’ op het Internationale Socialistische Congres van 1900 in Parijs. Gemeentepolitiek van sociaal-democraten was volgens hem “democratisch gemeentebeheer” [2]: een bestuur dat rekening diende te houden met de belangen van alle bevolkingsgroepen in de stad en niet slechts met die van de eigen natuurlijke aanhang, de arbeidersklasse. De stad moest bewoonbaar blijven voor iedereen en moest zijn pluriforme en veelkleurige karakter behouden en ontwikkelen. Het socialisme was voor grotere en hogere eenheden bedoeld. Ongetwijfeld dacht hij hierbij aan het nationale niveau. In 1913 sprak hij zich net als de Amsterdamse federatieledenvergadering uit voor deelname aan het College van Burgemeester en Wethouders zonder dat de raadsmeerderheid gerealiseerd was. Hierbij gaf hij een belangrijk beginsel op. [3] De kracht van dit democratisch gemeentebeheer was dat er voor noodzakelijke interventies – waaronder oprichting van gemeentebedrijven te algemene nutte – dikwijls ruime steun in de gemeenteraad kon worden verkregen. Zo waren er ook vrijzinnig liberalen die hier soms voor waren. Er zat wel een probleem aan vast: Wibaut zelf maar ook collega’s in Amsterdam en andere steden motiveerden hun voorstellen vaak met argumenten ontleend aan ‘doelmatigheid’. Dat gebeurde niet ten onrechte, maar zulk een wijze van motiveren bezorgde de gemeentelijke sociaal-democratie op den duur een nogal technocratisch karakter, ‘depolitiseerde’ haar tot op zekere hoogte. Vervolgens werd die technocratie voor latere generaties wethouders tot een zelfstandige verleiding, met alle gevaren van dien.
Een aardig voorbeeld van die ‘depolitisering’ was de positie van het Amsterdamse gemeentebestuur gedurende de Eerste Wereldoorlog en dan in het bijzonder ten aanzien van de voedseldistributie. Door de export van aardappels in een situatie waarin de bevolking honger leed, ontstond in juli 1917 het zogeheten aardappeloproer. Het optreden van leger en politie in een stad waar twee sociaal-democraten (Floor Wibaut en Willem Vliegen, 1862-1947, wethouder Publieke Werken, later Financiën en Gemeentebedrijven 1914-1919 en daarna van 1921-1923 van Onderwijs, Burgerlijke Stand, Bevolkingsregister en Kunstzaken [4]) wethoudersposten innamen, zorgde voor groeiende tegenstellingen tussen radicaal-links en een deel van de (arme en hongerige) bevolking èn de SDAP. Op de achtergrond speelde de ondersteuning van de mobilisatie door de sociaal-democraten van de godsvredepolitiek: voor de duur van de oorlog werd de klassenstrijd opgeschort. [5] Ook na de demobilisatie eind 1918/begin 1919 bleef radicaal-links zich verzetten tegen de voorzichtige politiek van de SDAP. In Amsterdam moesten de sociaal-democraten daar een zware politiek prijs voor betalen. Het aantal SDAP-zetels daalde bij de raadsverkiezingen van 1919 van 15 naar 13, terwijl de partij overal elders zetels won. De communisten kwamen voor het eerst en wel meteen met zes zetels in de Amsterdamse raad. In 73 gemeenten aanvaardde de SDAP in totaal 89 wethouderszetels: een aantal dat ruim viermaal zo groot was als vóór de verkiezingen, maar niet zo indrukwekkend als men de totale sterkte van de SDAP in de gemeenteraden in aanmerking neemt. Dat neemt niet weg dat menigeen in de partij zich bezorgd toonde over de gevolgen. De merites van het ‘wethouderen’ zouden tot in de jaren dertig toe omstreden blijven, maar tot een massaal ‘nee’ is het nooit gekomen.

Verdere aanpassing

Op het Eenheidscongres van 1919 was behalve een nieuw gemeenteprogram ook een motie aangenomen met richtlijnen in deze voor de fracties respectievelijk de afdelingen. Uitgangspunt bleef het perspectief van een meerderheid. Wanneer die (nog) ontbrak, mocht ‘alleen dan’ een wethouderspost worden aanvaard indien 1) voldoende vaststond, dat mede daardoor de verwezenlijking van belangrijke punten van het sociaal-democratische gemeenteprogram werd verzekerd, 2) vooraf door de afdeling of federatie de wenselijkheid der aanvaarding was uitgesproken, en 3) vóór het nemen van het besluit in de afdeling of federatie, het advies van het partijbestuur was ingewonnen. [6] Weliswaar werd dit derde punt geformuleerd als een wenselijkheid, maar de partijleiding interpreteerde het in de praktijk als een eis. Bovendien zou het uit te brengen advies niet vrijblijvend zijn: ‘geen bindend advies natuurlijk, maar wij verwachten dat het steeds gevolgd zal worden’, zoals Wibaut tijdens het congres onder hilariteit verklaarde. [7]
Hetzelfde congres verwierp de anti-kapitalistische stellingname, neergelegd in een motie van de afdeling-Leiden, dat gemeentepolitiek behalve hervormend ook revolutionair diende te zijn, dat wil zeggen dat machtsposities in het gemeentebestuur gebruikt dienden te worden om de arbeidersstrijd tegen het kapitalisme te steunen en dat niet samenwerking mèt, maar bestrijding van de burgerlijke partijen vereist was.
Dit alles klonk nog steeds sterk naar ‘nee, tenzij’. De weerstanden in de partij tegen socialistische wethouders waren dan ook nog altijd aanzienlijk. Door ervaringen als die tijdens het aardappeloproer, en de revolutiepoging van Troelstra, waren ze nog toegenomen. Slechts indien de raadsfractie én haar plaatselijke achterban (de afdeling) én de partijleiding ‘ja’ zeiden en zij dus allen voldoende garanties zagen voor het realiseren van eigen programpunten, was deelname aan het dagelijks bestuur van een gemeente toegestaan.

Interbellum

Onder radicaal-links was er veel kritiek op de plaatselijke rode vertegenwoordigers van het establishment. Zo bracht de Amsterdamse afdeling van de oude Socialistische Partij van Harm Kolthek [8] bij de raadsverkiezingen van 1923 een twee cent pamflet uit met de titel Wie zal op ons stemmen?. De folder bestond vooral uit een aanval op de SDAP en haar wethouders, zoals Floor Wibaut en Monne de Miranda. Zo was de arbeidstijd van het gemeentepersoneel per week verlengd. De schoolklassen waren sterk vergroot, maar tegelijkertijd had het gemeentebestuur wel 70.000 gulden uitgetrokken voor het 25-jarige jubileum van koningin Wilhelmina. Verder maakte de partij bezwaar tegen het ‘knoeien met de bouwverordeningen’ bij de volkshuisvesting, zoals bij het project van ‘afschuwelijke huurkazernes in Plan-West’ (Admiralen- en Mercatorbuurt). Een regelrechte aanval op het prestige van ‘Wie bouwt?, Wibaut!’. [9]
De SP sprak zich uit tegen samenwerking met de bourgeoisie en stond voor het ‘praktisch doorvoeren van het socialisme’:

Zoolang de socialisatie zich niet anders uit dan in de armzalige prutserij van de Miranda’s baaltjes meel en een gemeentewinkeltje, heeft de bourgeoisie daar in haar hart niets op tegen. En doordat de SDAP haar kracht besteedt aan die prutserij en zoo goed als niets doet om de zelfkracht der arbeiders te ontwikkelen, den socialistischen wil en het zelfstandig socialistisch kunnen bij de arbeiders te versterken en te vergrooten – daardoor wordt dat gepruts van de Miranda nog bovendien een versterking van de bureaucratie, van de parasitaire ambtenarij. [10]

Toch bleek De Miranda populair onder grote delen van de arbeiders en kleine zelfstandigen. In de jaren twintig werd onder De Miranda een begin gemaakt met de bouw van de zogenaamde ‘tuindorpen’ in Watergraafsmeer (‘Betondorp’), Nieuwendam en Buiksloterham. Hier probeerden bouwers in ruim opgezette woonwijken met laagbouw en veel groen de nieuwe arbeidsmigranten een meer ‘dorps’ alternatief te bieden.
Behalve met woningbouw hield De Miranda zich ook bezig met de bouw van gemeentelijke was- en badhuizen, als bijdrage aan de hygiëne. En met de bouw van zwembaden, zoals in 1932 het Amstelparkbad, nu het De Mirandabad genoemd (aan de De Mirandalaan). ‘Wil je baaje, wil je sjwemme, dan moet je De Miranda sjtemme!’, luidde in 1931 een verkiezingsleus van de SDAP. Veel aandacht besteedde De Miranda bovendien aan de levensmiddelenvoorziening, om de armen te kunnen voorzien van bijvoorbeeld melk en vis.

Medebeheer van het kapitalistische crisisbeleid

In de jaren dertig werd het gebrek aan woningen overschaduwd door het gebrek aan werk. In 1929 was wereldwijd een economische crisis uitgebroken, die duizenden arbeiders werkloos had gemaakt. Amsterdamse ‘Werkloozen Strijd Comités’ werden opgericht, waarin communisten een grote rol speelden. Zij organiseerden protestbijeenkomsten. De strijd tegen de werkloosheid was in juli 1934 ook een aanleiding voor de Jordaanoproer, toen het leger met pantserwagens de volkswijk binnentrok om de protesten neer te slaan. Mede in reactie op de onlusten kwam De Miranda met een lokaal werkgelegenheidsplan, door de uitvoering van grote openbare werken, die aan duizenden werklozen werk moesten verschaffen. Door dit plan werden rioleringen aangelegd, bruggen en wegen gebouwd en huizen opgeknapt. Het meest bekende onderdeel is de aanleg van het Amsterdamse Bos.
In de partij bestond zeker wel oppositie tegen het loslaten van het socialistische perspectief en het vervallen tot de rol van hulptroepen van het kapitalistische establishment. Zo waren er in 1927 in de partij nog weerstanden tegen het ‘gemeentelijk ministerialisme’, verwoord door onder anderen een van de oprichters van de SDAP Frank van der Goes [11], maar de praktijk van de sociaal-democratische gemeentepolitiek werd toen al in geruime mate aanvaard. In de dertiger jaren werd deze verder aan de bestaande verhoudingen aangepast. Er werd niet meer vastgehouden aan het maken van programmatische afspraken met progressief genoeg geachte partijen, maar de partijleiding stuurde aan op de vorming van afspiegelingscolleges, waarin naar evenredigheid meerdere, ook onwelgevallige, partijen vertegenwoordigd zouden zijn. Bovendien vond men het stellen van eisen ten aanzien van het aantal SDAP-wethouders niet meer verstandig.
Een deel van de oppositie, waaronder Van der Goes zou in 1932 de partij verlaten en de Onafhankelijke Socialistische Partij (OSP) oprichten.

Concluderend

Wat laat bijna een eeuw wethouderssocialisme in de hoofdstad nu zien? Ten eerste het belang om vast te blijven houden aan het verband tussen de korte en langetermijnpolitiek. Zoals Frank van der Goes het in 1919 stelde: ‘Er hoeft niet gekozen te worden tusschen het kleine en het groote werk. Zij hooren onverbrekelijk samen’. [12] Wie zich alleen maar met hervormingen bezig houdt eindigt zoals de huidige Partij van de Arbeid (PvdA). Aan de andere kant zal abstracte propaganda voor het socialisme niet het noodzakelijke vertrouwen inboezemen bij de arbeidersklasse in de meest brede zin. Veel gewone mensen kijken toch naar nieuwe ideeën met in hun achterhoofd wat deze concreet voor ze kunnen betekenen.
Verder is het uitermate belangijk om elke tendens in de socialistische arbeiderspartij die het pluche van de zetels in het bestuur van de stad belangrijker vindt dan de strijd van onderaf te bestrijden. Zo liet Pieter Jelles Troelstra zich in 1920 op een Amsterdamse partijbijeenkomst in een openhartige bui ontvallen: ‘Ik zou sommige deze propagandisten wel van hun wethouderszetels willen trappen’. Hij vond het niet overbodig te waarschuwen ‘tegen het te gemakkelijk aanvaarden van regentenposten door partijgenooten, die te goede en bekwame sociaal-democraten zijn, om hun licht aldus te zetten onder de korenmaat van burgerlijke bureaukratie en alledagspolitiek.’ [13]
Het gaat niet op het mede beheren van het kapitalisme, maar om de opbouw van een sterke strijdbare socialistische arbeiderspartij. Daarvoor is het nodig om zoveel mogelijk leden te betrekken bij het vaststellen van de marsroute en is het leggen van een marxistisch theoretisch fundament essentieel. Het in het oog houden van het perspectief van het socialisme is daarbij een hoofdvoorwaarde.

Ron Blom


1 G.W.B. Borrie, F.M. Wibaut. Mens en magistraat. Onstaan en ontwikkeling der socialistische gemeeentepolitiek, Den Haag 1987, p. 98-101.
2 G. Borrie, Monne de Miranda. Een biografie, Den Haag 1993.
2 F.M. Wibaut, Levensbouw, mémoires, Amsterdam 1936, 247-266.
3 Idem, p. 149-150.
4 J. Perry, De voorman. Een biografie van Willem Hubertus Vliegen. Amsterdam 1994.
5 Zie hiervoor bijvoorbeeld mijn boek Niet voor God en niet voor het Vaderland. Linkse soldaten, matrozen en hun organisaties tijdens de mobilisatie van ’14-‘18’, Soesterberg 2004.
6 J. Perry, ‘Aanpakken wat mogelijk is. De SDAP en haar gemeentepolitiek’ in: Marnix Krop, Martin Ros, Saskia Suiveling en Bart Tromp, ed., Het negende jaarboek van het democratisch socialisme, Amsterdam 1988, p. 16-58.
7 Verslag van het 23ste congres der SDAP, gehouden op 20, 21 en 22 april 1919 te Arnhem, p. 27-28.
8 R. Blom, De oude Socialistische Partij van Harm Kolthek. Ontstaan, opkomst en ondergang van een ‘libertair-socialistische’ partij (1918-1928), Delft 2007.
9 G.W.B. Borrie, F.M. Wibaut. Mens en magistraat, p. 121-129. Overigens waren ook sommige sociaal-democraten van mening dat dit soort bebouwing nogal eentonig was. E. Kalk, De rode geranium. Leven en werk van Eiske ten Bos-Harkema (1885-1962), p. 49 en J. de Roos, Besturen als kunst. Lokale sociaal-democraten 100 jaar verenigd, p. 118.
10 IISG, SDAP-archief, inv.nr. 2286C.
11 De auteur bereidt een biografie voor over de voortrekker van de literaire beweging van de Tachtigers en oprichter van de SDAP Frank van der Goes.
12 Verslag van het 23ste congres der SDAP, 1919, p. 17.
13 P.J. Troelstra, Gedenkschriften, Vierde deel, Storm, Amsterdam 1931, p. 300-301.

15 april 2008

Verslag Henk Sneevliet herdenking

Filed under: Historie,Socialisme — platformrosa @ 11:03 03

Dit jaar vond op 13 april weer de herdenkingsbijeenkomst plaats van het Sneevliet Herdenkingscomité. De bijeenkomst werd bijgewoond door een delegatie uit China van het Historisch Museum uit Shanghai, die een overzichtstentoonstelling over Henk Sneevliet voorbereidt.
Van het herdenkingscomité ontvingen wij de toespraken en een foto van de herdenkingsbijeenkomst. Voor degenen die wat meer informatie wil over Henk Sneevliet plaatsen we hier deze toespraken.

Henk Sneevliet herdenking 2008/a>

Toespraak Dick de Winter van het Sneevliet Herdenkingscomité, gehouden tijdens de herdenking op begraafplaats Westerveld op 13 april 2008, bijgewoond door ca. 50 aanwezigen

Ik wil nu iets zeggen over Henk Sneevliet in China. Dat is een tamelijk gecompliceerd verhaal. Ik kan dan ook maar enkele hoofdlijnen aangeven. Velen van ons hebben de mooie VPRO documentaire van René Seegers ‘In de voetsporen van Malin’, over Sneevliet in China, vast al wel gezien.
De betekenis van Sneevliet is allereerst gelegen in het belang dat hij toen al hechtte aan de nationale bevrijdingsstrijd in de derde Wereld als vehicle voor de wereldrevolutie. Henk Sneevliet was ook niet de eerste de beste, hij had daar ervaring mee. Hij was in Nederlands-Indië geweest, had daar een belangrijke rol gespeeld in partij en vakbeweging, en was in 1918 door de Nederlandse machthebbers geëxterneerd. In 1920 is Henk Sneevliet aanwezig op het tweede congres van de Communistische Internationale (Komintern). Lenin pikt hem eruit. Op grond van zijn ervaringen met de nationalistische beweging, de Sarekat Islam en dan in het bijzonder de linker vleugel, waarover hij uitgebreid vertelt, en op advies van Lenin komt hij in de Aziatische commissie. Van de Speciale Commissie voor Nationale en Koloniale vraagstukken is Lenin voorzitter en Sneevliet secretaris. Als afgevaardigde van de Komintern onder de naam Maring/Malin – hij had wel andere schuilnamen, dit zijn de bekendste – vertrekt hij in 1921 naar China. Hij handelt volgens de aangenomen resoluties. Nationaal-revolutionaire bewegingen moesten ondersteund worden. Dit vanuit het besef dat ze uiteindelijke bestreden moesten worden. Daarom was ook de nadruk gelegd op een tijdelijk bondgenootschap met dergelijke burgerlijk-democratische bewegingen. De handhaving van de zelfstandigheid van de proletarische beweging, belichaamd in de Communistische beweging, stond voorop. Sneevliet zoekt verbinding met de nationalistische beweging in China, de Kuo Min Tang. Hij gaat strategisch en pragmatisch te werk.

Op 1 juli 1921 woont Henk Sneevliet in Sjanghai het eerste congres van de Communistische Partij van China bij. Hij heeft het zwaar, mede door de klimatologische omstandigheden, de taal – er was altijd een vertaler, Chang Tai-lai, mee-, lange reizen door een moeilijk begaanbaar land, maar weet een belangrijke impuls aan verdere ontwikkelingen te geven. Bekend zijn zijn ontmoeting met Mao Tse Toeng en zijn besprekingen met Soen Jat-sen.

Uiteindelijk zullen de politieke ontwikkelingen in de Sovjet Unie, de opkomst van Stalin, van beslissende betekenis blijken te zijn. Internationalisme verbleekt. Ervoor in de plaats: eng- nationalistische, imperialistische belangen van de Sovjet-Unie, bureaucratisering en disciplinering, zowel inwendig als naar buiten toe. Dit alles in flagrante tegenspraak dus met de internationalistische en revolutionaire aanpak van Lenin en Sneevliet bij de aanvang. In de buitenlandse politiek ten aanzien van China heeft dat zijn fatale uitwerking. Sneevliets rol is uitgespeeld. Hij wordt vervangen door Borodin, politiek adviseur, die op de dan ‘juiste’ (tussen aanhalingstekens) politieke lijn zit. Hij gaat uiteindelijk terug naar Nederland.
In deze jarenlange Chinese periode vervreemdt Henk Sneevliet van zijn vrouw Betsy Brouwer die met zijn zoons Pim en Pam nog in Nederlands-Indië is –ze zullen later ook naar Nederland terugkeren. Briefcontact b.v. wordt door de autoriteiten gefrustreerd. Brieven worden achtergehouden. Betsy wordt gehinderd door de politie en geheime diensten zitten achter Sneevliet aan.
Sneevliet ontmoet Sima Zholkowskaja, een Russische, en is met haar ook in China. ‘Kleine’ Sima Sneevliet, hier bij ons aanwezig, zal uit die relatie geboren worden en woont alweer, zoals jullie weten, jaren in Nederland.

Over de verdere ontwikkelingen kort: Terug in Nederland wordt Sneevliet voorzitter van het Nationaal Arbeids-Secretariaat (NAS), de eerste en tegelijk ook revolutionaire vakcentrale in Nederland. Hoewel hij het met Trotsky niet op alle punten eens is, kiest hij in het conflict Stalin-Trotsky voor de internationalist Trotsky. Samen met andere oppositionele anti-stalinistische communisten in de Communistische Partij in Nederland richt hij in 1929 de Revolutionair Socialistische Partij op waarvoor hij in 1933 in de Tweede Kamer komt. In 1935 fuseert de RSP met de Onafhankelijke Socialistische Partij (de OSP), een radicale afsplitsing van de Sociaaldemocratische SDAP, tot RSAP, de Revolutionair Socialistische Arbeiders Partij. In 1940 na de inval van de nazi’s gaat de partij ondergronds, als Marx-Lenin-Luxemburg-Front, ook wel Derde Front geheten. Op 13 april 1942, deze dag precies 66 jaar geleden, wordt Henk Sneevliet samen met zes partijgenoten die hier achter ons liggen, na een proces, even buiten kamp Amersfoort, gefusilleerd. Aan een leven voor Vrijheid en Socialisme, waarvoor hij ook in China zijn uiterste best had gedaan, was een einde gekomen.

Hierna sprak de directeur van het historisch museum uit Shanghai, de heer Ni Xingxiang, zijn rede uit bij het monument van de gevallenen van het Marx-Lenin-Luxemburg-Front op begraafplaats Westerveld in Driehuis. Het MLL-Front was de ondergrondse illegale voortzetting van de revolutionair Socialistische Arbeiders Partij (RSAP) die door de bezetter verboden was. Een van de door de nazi’s vermoorde kameraden was Henk Sneevliet, een internationaal vermaarde socialist.
De heer Ni Xingxiang sprak zijn rede uit in het Chinees. Een tolk las op bepaalde momenten deze Nederlandse tekst op. De tolk had de vertaling van zijn speech op papier gezet.

Eerbiedige deskundigen, eerbare familie van Maring, dames en heren,

Goede morgen. In deze dagen herdenken wij het 115de geboortejaar en zijn 66ste
jaar martelaarschap van Maring (Henk Sneevliet). Vier van ons van het “Memorial House of the 1ste Congress of the Chinese Communist Party” werden uitgenodigd door de directeur van het “Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis” van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen. We zijn gevuld met blijdschap om van Sjanghai naar het moederland van Maring te komen om deel te nemen aan dit herdenkingssymposium voor Maring. Wij zijn dankbaar en blij om hier te zijn.

Maring is een bekende socialistische activist, een held voor internationaal antifascisme en ook een van de meest invloedrijke buitenlanders in de moderne geschiedenis van China. In Juli 1921 werd hij naar China gestuurd door Lenin als afgevaardigde van Communist International. Hij bereide voor en nam deel aan het eerste congres van the Chinese communistische partij. Tijdens dit congres werd de oprichting van de Chinese communistische partij gevormd.

Van 1921 tot 1923 door het uitvoeren van instructies van de Communistische Internationale, heeft Maring geholpen vorm te geven aan de eerste samenwerking tussen de Chinese communistische partij en de Kuomintang. Dit duwde de Chinese revolutie tot een hoogte punt. Door Maring’s bijdragen in de moderne geschiedenis van China is hij een buitenlandse vriend geworden die het Chinese volk kent en respecteert.

Dames, heren en elke geleerde, de eerste reden van deze reis naar Holland is het achterhalen van de geschiedenis van Maring. Wij tonen onze bedroefdheid en herinneringen door hem te respecteren bij het monument en plekken te bezoeken waar hij woonde en vocht. We bestuderen historische documenten over Maring in het IISG, interviewen historische specialisten, wetenschappers, zijn familieleden en het Sneevliet comité om een grondig inzicht te krijgen in zijn leven en revolutionaire daden. Deze studie en interviews zullen ons onderzoek naar de relatie tussen Maring en de Chinese revolutie verbeteren. Het tweede doel is dat door communicatie en samenwerking met het IISG, Sneevliet comité en zijn familieleden, wij een expositie in Sjanghai genaamd ” Maring en China” kunnen houden. Zo kunnen wij een levendig en directer beeld over Maring aan de Chinezen introduceren; wij bouwen een communicatie brug tussen China en Nederland door deze expositie. Dit zal de vriendschap tussen onze twee volken versterken.

Als slot, wil ik iedereen in mijn delegatie vertegenwoordigen om onze grote hartelijke dankbaarheid te tonen voor de uitnodiging van iisg, voor de gastvrijheid van het Sneevliet comité en de familie van Maring. Wij waarderen de ondersteuning en bezorgdheid van elke geleerde. Wij nodigen iedereen hartelijk uit om de kans te nemen om China, Sjanghai te bezoeken en op onze expositie rond te kijken.

Volgende pagina »

Maak een gratis website of blog op WordPress.com.