Platform Rosa blog

27 maart 2010

Henk Sneevliet herdenking

Filed under: Aankondigingen,Gastposting — platformrosa @ 11:57 57

Spijkenisse, februari 2010

Aan alle belangstellenden,

Ieder jaar organiseert het Sneevliet Herdenkingscomité op of omstreeks 13 april een herdenkings­bijeenkomst op ‘WESTERVELD’, Duin en Kruidbergerweg 2, 1985HG Driehuis nh, tel: 0255514843. Dit jaar vindt de herdenking plaats op zondag 11 april.

Tentoonstelling in Shanghai over Henk Sneevliet en China

Op 27 juni 2009 vlogen Ger Groenenboom, Els de Winter en Dick de Winter naar Shanghai. We waren uitgenodigd om bij de opening aanwezig te zijn, net als de familie Bart Santen, Ellen Santen en Bob de Wilde en een tweehoofdige afvaardiging van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG) uit Amsterdam. Op 29 juni werd de tentoonstelling Sneevliet en China geopend. Ook waren enkele afgevaardigden van de Nederlandse ambassade aanwezig. De directeur van het museum, partijafgevaardigden, Bart Santen en Marien van der Heijden van het IISG hielden een toespraak. De tentoonstelling was fraai vorm gegeven. De vele Chinese bezoekers toonden een grote belangstelling. In aansluiting op de opening werd een seminar gehouden waar o.a. Ellen Santen en Dick de Winter het woord voerden. Een aantal dagen daarna werden we op uitnodiging van het museum op verschillende historische plaatsen waar ook Henk Sneevliet aanwezig is geweest, rondgeleid.

Op de bijeenkomst in IJmuiden in De Dwarsligger zullen foto’s aanwezig zijn. Dan is er ook gelegenheid om verder over de reis te spreken.

Zondag 11 april. Als u met de trein van 10.46 uur uit Haarlem komt, wordt u om 10.58 uur op station Driehuis afgehaald. Bij vertraging: bel s.v.p. 06 15473369. Om half twaalf lopen we naar het monument en leggen daar bloemen neer. Wie moeilijk ter been is, kan daar met een auto worden afgezet. Bij het monument staan, zoals altijd, enkele stoelen klaar.

Na de bloemlegging vertrekken we gezamenlijk per auto naar ‘DE DWARSLIGGER’, Planetenweg 338, 1974BP, IJmuiden, tel: 0255512725. We drinken daar een kopje koffie of thee (met cake en slagroom) en natuurlijk heeft U gelegenheid vrienden en bekenden te ontmoeten.

Wilt u zo vriendelijk zijn om daar niet te roken?

Kunnen we dit jaar weer rekenen op een kleine bijdrage voor de bloemen op gironummer 223776 t.n.v. penningmeester Sneevliet Herdenkingscomité te Spijkenisse met de vermelding “bloemen”.

Van ons laatste gedenkboek uit 2002 ‘Wij moesten door …’ zijn nog ongeveer 350 exemplaren over. Om uit de kosten te komen is het van belang dat er nog flink verkocht wordt. Wilt u ons daarbij helpen? De prijs is € 5. Als ieder van ons een aantal exemplaren koopt dan schieten we aardig op. Cadeautip: geef een exemplaar aan een vriend(in), een familielid, een geïnteresseerde, een bibliotheek. Heus, er zijn meer mogelijkheden dan u denkt!

In de Dwarsligger liggen de boeken voor € 5 klaar. Help ons, u steunt daarmee ons comité. Bestellen kan ook. Stort € 7,50 (dat is inclusief verzenden) op gironummer 223776 t.n.v. penningmeester Sneevliet Herdenkingscomité te Spijkenisse met de vermelding “boek” en wij zenden het u zo snel mogelijk toe.

Op 25 februari 2008 werd de Februaristaking herdacht. Ron Blom heeft namens ons comité bloemen gelegd bij de “Dokwerker”.

De kas moet nog over 2009 gecontroleerd worden. Dat gebeurt zo spoedig mogelijk. Wie meer wil weten, kan op 11 april contact opnemen met Ger Groenenboom-van Tol.

Tot ziens op zondag 11 april

Met vriendelijke groet,

Het Sneevliet Herdenkingscomité,
Ger Groenenboom-van Tol, Ron Blom, Dick de Winter.

8 februari 2010

Petitie Behoud Abortusklinieken Amsterdam

Filed under: Gastposting — platformrosa @ 11:28 28

Een gastposting over de petitie voor behoud abortusklinieken in Amsterdam.

http://behoudabortusklinieken.petities.nl

Op bovenstaande site heeft het abortuscomité Wij Vrouwen Eisen een
petitie gezet. Doel van de petitie is het behoud van de twee
Amsterdamse abortusklinieken die gesloten dreigen te worden. Wij
vinden het van groot belang dat vrouwen kunnen kiezen waar zij hun
abortus willen laten uitvoeren. In de speciale klinieken is hun
privacy gewaarborgd en zijn zij verzekerd van kwalitatief hoogwaardige zorg. Binnenkort wordt er in de Kamercommissie van VWS over gesproken, de datum is nog niet bekend.

Teken snel de petitie en geef het door aan alle vrouwen en mannen in
je omgeving die ook willen ondertekenen!

Alle adresboeken zijn doorgespit. Misschien heb je al getekend, zo ja
excusez. Dit is een eenmalige mail die oproept om bovenstaande
petitie te ondertekenen.

Met vriendelijke groet,

Abortuscomité Wij Vrouwen Eisen.

28 november 2009

Geachte mevrouw Jongerius

Filed under: Gastposting — platformrosa @ 4:30 30

Amsterdam, 27 november 2009.

Geachte mevrouw Jongerius,

Op 2 oktober 2004 was ik op het Museumplein om te demonstreren tegen de bezuinigingsplannen van het kabinet. Daarmee hield ik mij volledig aan de oproep van de organisatoren. De demonstratie was gericht tegen de bezuinigingsplannen van het kabinet. Zo meldden de officiële slogans, de officiële oproepen, de brief die mijn vakbond mij deed toekomen, de interviews die er met kopstukken van Vakbond en andere werden uitgezonden.

Ik sprak heel veel mensen op het Museumplein, omdat ik folders uitdeelde. Ik sprak dus onbekenden en ze hadden één overeenkomst: ze waren woest op de niet aflatende stroom van bezuinigen die er sinds 1981 al over dit land wordt uitgestort. De actiebereidheid was overweldigend in Amsterdam onder de aanwezigen en in de treinen die propvol onderweg waren naar Amsterdam, en voor een deel nooit de plaats van bestemming zouden bereiken.

Ik sprak actieve leden van de FNV, ik sprak met ongeorganiseerde arbeiders die zich, soms met een groep collega’s, naar Amsterdam had begeven; ik sprak met werkende jongeren, scholieren en studenten. En met alle verschillen die er tussen was, sprak 1 allesoverheersende overeenkomst: de maat is vol!

Zij hadden zich waarschijnlijk en masse aangemeld als lid van de FNV als de FNV zich daar, op dat plein, op die dag, had uitgesproken zoals zij hadden verwacht: Wij zijn uitgepolderd. We gaan niet meer onderhandelen met kabinet of werkgevers – we gaan over tot harde actie en de boel gaat plat.

Maar dat gebeurde niet. Vanaf het podium was tot grote irritatie van de aanwezigen “geouwehoer” te horen over onderhandelen en een vuist maken aan de onderhandelingstafel. De Vakbeweging bewees die dag zo ver van haar achterban te zijn afgedreven dat hun achterban ter plaatse hun speeches als “ geouwehoer” diskwalificeerde.

Geschiedvervalsing en het “Museumpleinakkoord”.

U was afgelopen zaterdag verbolgen dat de Museumakkoorden waren geschonden. Ik kan u verzekeren dat zeer veel demonstranten al in 2004 verbolgen waren over dat Museumpleinakkoord omdat ze zich zwaar misbruikt voelden door de vakbonden die dit akkoord als een overwinning door de strot van de leden heeft gedouwd als het best haalbare uit de onderhandelingen.

Veel demonstranten wisten in 2004 al dat de vakbond zich voor de zoveelste keer in het pak had laten naaien door werkgevers en kabinet. Het is verbijsterend dat de vakbond zelf daar 5 jaar later pas achter is gekomen.

En dan het aantal demonstranten in 2004 – volgens de FNV op de dag zelf 200.000. Ik stond naast een politieagent op het Museumplein toen hij berichten over aantallen binnen kreeg via zijn mobilofoon. Ik vroeg hem: “Hoeveel mensen zijn er?” Hij zei: “Er zijn al meer dan een half miljoen mensen in de stad en dat worden er alleen nog maar meer. Ik krijg net door dat er nog duizenden mensen in de treinen zitten op weg naar Amsterdam. Maar ze kunnen er niet in…de stad is vol. Het is een chaos op het station.“

Ik zie geen enkele reden waarom een politieagent ter plaatse verkeerd wordt ingelicht via zijn mobilofoon. Voor de politie is er op het moment van de demonstratie geen ander probleem dan het ordeprobleem. De politieagent ter plaatse moet weten hoeveel mensen er zijn opdat hij een inschatting kan maken wat er zal gebeuren en moet gebeuren, als er een ordeprobleem ontstaat. De beste man vertellen dat Amsterdam bevolkt wordt door meer dan een half miljoen demonstranten en dat er nog duizenden in treinen onderweg zijn terwijl het er maar 200.000 in totaal zijn, heeft politietechnisch geen enkele zin. Deze politieman heeft mij dus de meest adequate schatting doorgegeven van dat moment.

Ter plaatse versprak Angela Groothuizen zich één maal en riep dat er 300.000 mensen op het Museumplein waren (en dat klopte weer met de informatie van de politie ter plaatse) om dat een kwartier later in te trekken en naar beneden bij te stellen (200.000 demonstranten totaal). Maar er waren 300.000 demonstranten op het Museumplein, meer dan 200.000 in de periferie van het Museumplein, die via speciale lichtborden werden gewaarschuwd om niet het Museumplein op te gaan omdat dit vol was. Zij dromden rondom het Museumplein, opgestuwd door nieuwe demonstranten die nog niet wisten dat het Museumplein vol was. Die demonstranten, door de autoriteiten weg geleid van het Museumplein, werden door de organisatoren opeens niet meer meegeteld als demonstrant terwijl ze dat wel waren evenals de treinen vol demonstranten onderweg naar het Museumplein.

De organisatie had meer dan een half miljoen mensen op de been gekregen op 2 oktober 2004. Meer dan een half miljoen mensen die razend waren en bereid om actie te voeren, de straat op te gaan, het werk neer te leggen – door te gaan met de strijd totdat de afbraak van de afgelopen decennia tot staan gebracht was en met een nieuw elan een sociale politiek zou worden gevoerd.

De Vakbond heeft nog tijdens diezelfde demonstratie het aantal demonstranten – dat gehoor had gegeven aan de oproep van de Vakbond en aanwezig was in Amsterdam – meer dan gehalveerd. De enige verklaring die ik hiervoor kan bedenken hangt samen met het “geouwehoer” van het podium. De vakbonden waren helemaal niet van plan om actie te gaan voeren. Het doel van de demonstratie was alleen een poging om werkgevers en regering onder druk te zetten met het oog op verdere onderhandelingen. Maar daarvoor kwamen de demonstranten helemaal niet. Zij kwamen om iedereen te laten zien dat ze actiebereid waren.

Die opkomst, zo overweldigend en zo actiebereid, was blijkbaar te groot voor de organisatoren; een vakbeweging die al lang geen plannen meer heeft liggen voor grote acties en hun leiders kiest op onderhandelingsbekwaamheid en niet op actiebekwaamheid. Daarom wilde de Vakbond al tijdens de demonstratie duidelijk maken aan de eigen achterban dat het eigenlijk niet zo heel veel voorstelde en dat het een leuke versterking was voor de onderhandelingen maar onvoldoende voor verdere acties.

Dat was een onvergeeflijke fout op de dag zelf, omdat het direct de onderhandelingspositie verzwakte; de werkgevers zagen wat ik zag – de vakbond gaat niet oproepen tot echte acties – dus we hoeven ons niet onder druk te laten zetten door een groepje mensen op het Museumplein, Daarnaast was het verraad aan de mensen die op die dag demonstreerden tegen bezuinigingen in het onderwijs, in de zorg, het bevriezen van het minimumjeugdloon, het ontkoppelen van de bijstand enz. enz.

Nederland heeft een strijdbare en sterke Vakbeweging nodig.

De Vakbeweging heeft bestaansrecht en een strijdbare en actiebekwame vakbond is heel hard nodig. Tijdens de demonstratie in Rotterdam afgelopen zaterdag werd opgeroepen om over 65 dagen, op maandag 25 januari, op te trekken naar Den Haag. Deze oproep leek mij meer gericht aan de mensen op het podium dan aan de mensen ervoor, want WIJ willen wel. Nu de vakbeweging nog!

De FNV heeft nog twee maanden om het land te overtuigen van haar eigen kracht en leiderschap en nu eindelijk op te houden met polderen en onderhandelen. De FNV heeft nog twee maanden om de achterban op te roepen tot grote actie, langdurige actie, compromisloze actie. De achterban van de Vakbeweging bestaat niet alleen uit leden, maar vooral uit heel veel niet-leden die in deze ijskoude, individualistische vervreemdende maatschappij een organisatie als de vakbeweging nodig hebben om voor hen te gaan staan; standvastig, solidair, compromisloos, strijdbaar en sterk.

Een vakbeweging met een visie op de wijze waarop de maatschappij wel georganiseerd moet worden, met een breed plan dat wel sociaal is. Een plan waarover geen compromissen met kabinet of werkgevers kan worden gesloten omdat in de afgelopen 25 jaar ieder compromis met ieder kabinet en iedere werkgeversorganisatie heeft geleid tot een verdere afbraak van onze beschaving.

Nederland verdient beter!

Als de vakbeweging haar bestaansrecht wil hervinden zal de vakbeweging barricadebouwers moeten rekruteren in plaats van onderhandelingstijgers. En met alle respect, mevrouw Jongerius, als u daar niet toe in staat bent omdat u bent aangenomen om te onderhandelen en niet om op de barricade te staan – maak dan plaats voor iemand die wel weet hoe er op de barricade moet worden gestreden.

In naam van de beschaving van ons land, in naam van de vakbeweging en in naam van de arbeiders die u zegt te vertegenwoordigen maar die u (en uw voorgangers) tijdens de zoveelste ronde aan tafel met werkgevers en/of kabinet lang geleden bent kwijt geraakt.

Met vriendelijke groet,

Anita de Waal.

Lid Vrouwenbond en ABVA KABO

11 mei 2009

Socialismedag 2009 SP Breda – inleiding Ron Blom

Filed under: Gastposting,Socialisme — platformrosa @ 1:36 36

Inleiding Ron Blom over coöperaties op de Socialismedag van de SP Breda op 9 mei 2009

De arbeiders doen het zelf. Over gemeenschappelijk grondbezit, coöperaties en productieve associaties

Leerschool voor de arbeiders
Binnen de brede socialistische beweging in het algemeen, en in het radicale vakverbond Nationaal Arbeids-Secretariaat (NAS) in het bijzonder, bestonden meer dan honderd jaar geleden over de rol die de coöperaties oftewel associaties konden spelen in de klassenstrijd, verschillende opvattingen. Het was vooral de Franse anarchistische filosoof en publicist Pierre Proudhon, die geïnspireerd door de opvattingen van de vroege utopisten Charles Fourier en Robert Owen, meende de maatschappij fundamenteel te kunnen hervormen. Dat moest gebeuren door vrije associaties van werklieden en boeren en door het oprichten van kredietinstellingen. Fourier was er daarbij van overtuigd dat na de vreedzame overgang naar het socialisme de zeeën zouden veranderen in limonade! Kort gezegd beschouwden de voorstanders deze associaties als middelen om het kapitalisme uit te hollen en de grondslagen voor een nieuwe maatschappij te leggen. Zij zagen de associaties bovendien als een leerschool voor de arbeiders, zodat zij zich alvast konden voorbereiden op de toekomstige socialistische radenrepubliek, waarin zij immers ook zelf de productie en de distributie moesten regelen.

Nieuwe kapitalistische bazen
De tegenstanders waren van mening dat de associaties geen fundamentele veranderingen in het kapitalisme konden bewerkstelligen en dat de geassocieerden eenvoudigweg nieuwe kapitalistische bazen zouden worden. De strijd moest volgens hen niet naast, maar in de bedrijven gevoerd worden. Zij beschouwden de beweging van de productieve associaties als kleinburgerlijk. Het lukte binnen het NAS dan ook nooit om tot een afgerond standpunt te komen met betrekking tot deze problematiek.

SDAP en verbruikerscoöperaties
De SDAP propageerde de vorming van verbruikscoöperaties, maar moest niets hebben van het stichten van communes of kolonies en productiecoöperaties. Overigens was er wel altijd een stroming die onder invloed van het Britse ‘Chartisme’, open stond voor coöperaties. Het chartisme wilde door hervormingen en klassensamenwerking de maatschappij veranderen. Zo was de latere Amsterdamse SDAP wethouder Floor Wibaut in 1891 als een van de vertalers van de zogeheten ‘Fabian Essays in Socialism’ instrumenteel in het populariseren in Nederland van het idee van de vermaatschappelijking van de productiemiddelen, waarbij de fabians de nadruk legden op de nationalisatie van de grond. Een opvatting die ook onder anarchisten een zekere aanhang genoot. Juist de terreinen waarop de fabians actief waren: de taak en de plaats van de gemeenten, van de coöperaties en van de vakbeweging, zouden later ook de tot de belangrijkste werkgebieden gaan behoren van Wibaut in de hoofdstad.

Landelijke bundeling: Vereniging Gemeenschappelijk Grondbezit
Rond 1920 nam het aantal productieve associaties in Nederland sterk toe en dit leidde ook een opleving van de debatten en polemieken. Harm Kolthek, die actief was geweest als landelijk secretaris van het NAS en vanaf 1918 de oude libertaire Socialistische Partij leidde, was hier ook bij betrokken. In de periode dat hij in Deventer woonde en werkte was hij al in aanraking gekomen met dit soort ideeën, maar hij liep daar toen niet echt warm voor. Hier maakte hij korte tijd deel uit van een drukkerij onder de naam ‘Voorwaarts’. Naast deze drukkerij waren nog meer coöperatieve bedrijven aangesloten bij de Deventer ‘Coöperatieve Verbruiks- en Productievereeniging Ons Belang’. Ons Belang was lid van de landelijke Vereniging Gemeenschappelijk Grondbezit (GGB).

Geen klassenstrijd
GGB was een beweging van landbouwkolonies, verbruikscoöperaties en productieve associaties, die samen de beweging van ‘binnenlandse kolonisatie’ moesten vormen. De arbeiders zouden zelf de productie ter hand moeten nemen om zo het kapitalisme van binnenuit uit te hollen en de nieuwe maatschappij op te bouwen. De kritiek van Kolthek richtte zich vooral op de opvatting zoals door GGB voorman en bekend literator Frederik van Eeden verwoord ‘dat G.G.B. de socialistische klassenbeweging moet vervangen’. Daarmee verwierp grondlegger Van Eeden de klassenstrijd. Kolthek achtte het één van de middelen van de socialistische beweging. Maar ook in het NAS-milieu en vanzelfsprekend in en rond de SP bespraken de activisten soortgelijke opvattingen.

Zelf doen zonder politieke partijen
Het is dan ook niet verwonderlijk dat Kolthek in Recht voor Allen van 11 mei 1918 een bespreking plaatste van de zojuist gepubliceerde brochure Een Economische Bond van Arbeiders. Een woord aan allen, die het wel meenen met hun medemenschen en zich zelven. De auteur van het werkje was Foeke Kamstra, de voorzitter van de Bond van Productieve Associaties GGB. Kamstra stelde dat er niets te verwachten was van politieke partijen, maar dat de arbeiders het zelf moesten doen. Overigens was hij niet geheel consequent want eerder pleitte hij in een hoofdartikel in het GGB-blad nog wel voor een stem op de SP bij de verkiezingen van 1918.
De vakorganisatie en coöperatie, aldus Kamstra, waren ondergeschikt gemaakt aan de belangen van de politiek in plaats van omgekeerd. De invloed van de werknemers in de bedrijven moest vergroot worden. Daartoe moesten de vakbonden een rol spelen bij de productie, de ruil en de distributie van de eerste levensbehoeften. Arbeiders dienden zich niet te laten verdelen naar religie, ‘modern’ of ‘onafhankelijk’ (het met de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij verbonden NVV of het radicalere NAS). Volgens Kamstra moesten de arbeiderscoöperaties een hoofdrol spelen bij de distributie en de samenwerking met de vakorganisaties en de vertegenwoordigers in het parlement. De GGB-voorman sprak zich uit voor een ‘economische bond van arbeiders van alle gezindten tegen staatssocialisme’.

Coöperaties onder kapitalistische verhoudingen
Kolthek voelde zich zeker aangesproken door het appèl aan de arbeiders om het zelf te doen. Ook kon hij zich natuurlijk vinden in de grotere invloed van de werkenden in de bedrijven en dat ze zich niet moesten laten verdelen naar politieke voorkeur of religie. Dat was ook steeds zijn opstelling geweest binnen het NAS. In het algemeen waarschuwde hij wel voor te hoge verwachtingen van de coöperatie onder nog steeds kapitalistische verhoudingen. De voornaamste kritiek op zijn vriend, maar toen nog geen partijgenoot, betrof echter het gebrek aan verbinding met de zaak van het socialisme. In Deventer liet Kolthek al weten dat de coöperatie één van de middelen van de socialistische beweging was maar niet zaligmakend.
Kamstra reageerde met te stellen dat hij bij zijn opvattingen over de coöperatie zou blijven. Hij zei een ‘praktisch socialisme’ na te streven, aan theoretisch socialisme hadden de arbeiders weinig. Kamstra sloot hiermee aan bij de opvattingen zoals verwoord door Felix Ortt in zijn brochure Praktisch socialisme. Hij eindigde met een oproep tot samenwerking. Iets waar de redactie van het SP-orgaan Recht voor Allen wel voor voelde. Dit zou in 1919, aan het einde van de Eerste Wereldoorlog en in een periode van revolutionaire opgang, resulteren in de eerder aangehaalde eenheidsbesprekingen tussen SP, GGB en andere radicaal-linkse organisaties.

Vakbeweging en coöperaties
Binnen de onafhankelijke vakbeweging speelde dit debat eveneens. NAS-voorzitter en SP-lid Bernard Lansink jr. had al eerder onder vuur gelegen binnen het NAS. De anarchistisch propagandist en lid van de Groninger GGB-drukkerij Volharding, Jan Bijlstra, had een sympathiek artikel met betrekking tot de associaties gestuurd naar De Arbeid. Lansink had hier een kritisch commentaar onder laten plaatsen. Bestuurslid Theo Dissel was van mening dat het NAS zich niet zo uitdrukkelijk moest uitspreken. Drie jaar later zou Lansink zich aanmerkelijk positiever uitlaten over de relatie tussen de productieve associaties en de onafhankelijke vakbeweging.

Staking tegen eigen instellingen
In 1922, brak er onder leiding van de Plaatselijke Federatie van Bouwvakarbeiders (PFBA) in Amsterdam een staking uit onder de werknemers werkzaam bij de Federatie van Zelfstandig Werkende Groepen (FvZWG) in het Bouwbedrijf. De staking werd niet veroorzaakt door communistische agitatie, ook niet doordat er onvoldoende overleg was tussen de onafhankelijke vakbeweging en de associaties. De voornaamste reden was dat de vakbeweging niet in staat was geweest een realistische politiek ten aanzien van de associaties te voeren. Vanaf 1920 kreeg de Nederlandse arbeidersklasse al te maken met de gevolgen van de economische crisis: werkloosheid, loonsverlaging en arbeidstijdverlenging. De bouwvakstakers verzetten zich tegen een eenzijdig door de FvZWG doorgevoerde loonsverlaging en de opvoering van de arbeidsproductiviteit. Vooral bestuurder Loek Spanjer van de Landelijke Federatie van Bouwvakarbeiders was tegen de staking. Maar hij stond niet alleen. NAS-veteraan Kolthek en ook de anarchisten van De Vrije Socialist bekritiseerden de staking. De Arbeid viel zowel de FvZWG als de PFBA aan. Deze associatie (de FvZWG) waarvan onder andere de bij de GGB aangesloten Metselaars- en Opperliedenvereniging van Frits Drewes deel uit maakte was dan niet het, maar wel een middel in de strijd voor een socialistisch productie- en distributiestelsel. Eigenlijk staakten de werknemers tegen instellingen die in zekere zin van hen zelf waren en onderdeel vormden van de beweging. Bovendien behoorden de lonen en arbeidsvoorwaarden al tot de betere in de sector. Spanjer besloot zelfs uit het NAS te stappen.
Op de achtergrond van dit conflict speelde de invloed van Moskou en de Nederlandse communisten op het NAS. De communistische krant De Tribune nam een vijandige houding in ten aanzien van de associaties. Meer anarchistisch georiënteerde vakbondsleden als Spanjer legden de nadruk op de leerschool die de arbeiders in de associaties hadden voor het zelf regelen van de productie en distributie, zoals dat later ook in de socialistische maatschappij zou gebeuren. Dit droeg allemaal bij tot een atmosfeer van wantrouwen. Zoals Kolthek stelde:

De drijfkracht in deze staking is de bolsjewistische mik-mak. Door De Tribune worden de arbeiders vergiftigd met opzettelijke leugens en laster. (…) Maar we weten het: het bolsjewisme staat principieel vijandig tegenover de productieve associatie. De verovering van de staatsmacht is het voornaamste en dan zullen dictatuur en terreur wel voor de rest zorgen.

Karl Marx en de Eerste Internationale
Onbekend is of de communisten precies op de hoogte waren van het standpunt van Karl Marx. In de schriftelijke instructies die hij meegaf aan de gedelegeerden van het eerste congres dat de Internationale Arbeiders Associatie (Eerste Internationale) in 1866 te Genève belegde, kwamen de productiecoöperaties al ter sprake. Marx zei nadrukkelijk:

Wij beschouwen de coöperatiebeweging als een van de stuwende krachten bij de omvorming van de huidige op klassentegenstellingen berustende maatschappij. Haar grote verdienste bestaat daarin praktisch te bewijzen, dat het bestaande despotieke en armoede voortbrengende systeem, gebaseerd op de onderwerping van de arbeid aan het kapitaal, vervangen kan worden door het republikeinse en zegenrijke systeem van samenwerkende vrije en gelijke producenten.

Daarbij zag hij meer in productie- dan in consumptiecoöperaties want de laatste ‘beroeren slechts de oppervlakte van het huidige economische systeem, terwijl de eerste het in zijn grondvesten aantasten’. Tegelijkertijd gaf Marx de beperkingen van de productieve associaties aan en zei dat het bleef bij ‘dwergachtige vormen, die enkele loonslaven door hun persoonlijke inspanningen tot ontwikkeling kunnen brengen’. Hiermee zette hij zich af tegen de aanhangers van Proudhon. De coöperaties zullen ‘nooit in staat zijn de kapitalistische maatschappij om te vormen’. Daarvoor zijn algemene maatschappelijke veranderingen nodig en de politieke voorwaarde daarvoor is dat de staatsmacht zich in de handen van de producenten zelf bevindt. Vooral op dit laatste legden de communisten van de CPN/CPH de nadruk. De Comintern nam in 1921 op haar derde congres zelfs een speciale resolutie aan.
Het NAS-bestuur zat met de bouwstaking in de maag. Voor het openlijk uitbreken van het conflict deed zij nog een tevergeefse poging een bemiddelingscommissie in te stellen. De plaatselijke federatie (PFBA) wilde niet ingaan op het voorstel van de Landelijke Federatie van Bouwvakarbeiders (LFBA) de staking te verschuiven en dwong het landelijk tot steun. De NAS-leiding wees de beschuldiging van ‘bolsjewistische terreur’ resoluut van de hand.
Achteraf kwam er een commissie tot stand met vertegenwoordigers van de Federatie van Zelfstandig Werkende Groepen en de bouwvakorganisaties in het NAS/PAS. Doel van de commissie was om tot een betere samenwerking te komen tussen de vakbeweging en de GGB. De bemiddelingscommissie concludeerde dat de voorgestelde loonsverlaging noodzakelijk was. Bovendien was ze van mening dat er eigenlijk wel wat harder gewerkt kon worden, want dan zouden de financiële problemen ook niet ontstaan zijn. Beide partijen aanvaardden het commissierapport, maar van samenwerking tussen de onafhankelijke vakbeweging en associaties kwam het niet meer.

Broederstrijd vakbeweging – arbeidersassociaties
Spanjer schreef naar aanleiding van de hele affaire de brochure De broederstrijd in het bouwbedrijf te Amsterdam. Tragedie der wankelmoedigen. Hij verweet de bouwbondbestuurders nooit een duidelijk standpunt te hebben ingenomen tegenover de associaties. Ook verweet hij ze geen paal en perk te hebben kunnen stellen aan het zijns inziens asociale lijntrekken door metselaars en opperlieden. Ten slotte noemde hij ook de volgens hem destructieve invloed van de communisten. Kolthek kon zich vinden in de brochure van Spanjer, hoewel de toon wel ‘erg bitter’ was.
Van diverse toenmalige SP-leden is bekend dat ze de coöperatiegedachte een warm hart toedroegen. Zo bezochten enkelen van hen de landbouwkolonie De Ploeg in Best. In de kolommen van het partijblad Recht voor Allen kwam de kwestie van de coöperaties meerdere malen terug. Chris Kamper, medestrijder uit de in 1904 opgerichte tuinbouwgroep uit de landbouwkolonie te Nieuwe Niedorp, deed in het partijorgaan een oproep om als producenten direct aan de consumenten te leveren zonder tussenkomst van grossiers. Kamper was dienstweigeraar en organiseerde Esperantocursussen. In Nieuwe Niedorp predikte de christen-socialistische dominee Nico Schermerhorn. Hoewel hij niet direct betrokken was bij de kolonie, had hij wel grote invloed op het denken en doen van veel van zijn volgelingen. Volgens Kamper was zijn voorstel een middel om de duurte te bestrijden. De redactie kon hiermee instemmen ‘mits krachtig en zakelijk aangepakt door ernstige menschen’.
Binnen partijverband bleef de associatiegedachte de gemoederen bezig houden. Zo schreef ‘T. v. de Horst’ over coöperatie, associatie en bedrijfsorganisatie. In Amsterdam vonden in 1923 en 1924 enkele goedbezochte gezamenlijke vergaderingen plaats van SP en GGB over de productieve associatie en de vakbeweging. Discussie was er vooral over welk van de twee belangrijker was. Lansink jr. stond op het standpunt dat de vakbeweging belangrijker was dan de productieve associatie. Kamstra had de tegenovergestelde mening. Volgens Kolthek ‘ontbrak het beide sociale organisaties aan goede leiding en een socialistisch bewustzijn’.

Socialisatie van bovenaf
Ook de sociaal-democratie stond nu meer open voor de coöperatiegedachte. Al in de woelige rode novemberdagen van 1918 kwamen SDAP en NVV op voor de ‘socialisatie van alle bedrijven die daarvoor in aanmerking komen’. Het NVV belegde in 1920 zelfs een congres over deze problematiek. De vanuit deze hoek komende gedachten over medezeggenschap en socialisatie stonden ver af van de praktijk van GGB, dat juist het initiatief van onderop en de zelfwerkzaamheid van de arbeiders bepleitte. SP-lid Willem Sligting was in het GGB-orgaan Vrije Arbeid zeer kritisch over het uit NVV kring afkomstige Rapport Bedrijfsorganisatie en Medezeggenschap. De fabrieken kwamen niet toe aan de arbeiders, maar aan ‘de gemeenschap’, dat wil zeggen een minister zou de raad van toezicht voorzitten. Daarnaast zou het personeel vertegenwoordigd worden door een personeelsraad. De voormalige eigenaars konden bovendien rekenen op een redelijke schadevergoeding. GGB en NVV stonden zeer ver van elkaar.

Verdeeldheid
De linkse beweging was sterk verdeeld over het nut van de coöperaties onder het kapitalisme. GGB onder leiding van Kamstra was het meest positief. Het NAS was het intern niet eens en kon eigenlijk niet tot een afgerond standpunt komen. Dit leidde tot confrontaties op het sociale vlak in de Amsterdamse bouwvakwereld. De CP had weinig sympathie voor de associatiegedachte en oriënteerde zich vooral op de verovering van de staatsmacht, als voorwaarde voor een succesvolle toepassing ervan. De SP onder leiding van Kolthek nam vooralsnog een middenpositie in. De associatie, mits socialistisch georiënteerd, kon een rol spelen in de voorbereiding op vormen van productie in een niet meer kapitalistische maatschappij. Dat lag vooral op het vlak van de verhoging van het bewustzijn. Illusies moesten daarbij vermeden worden, het was een van de middelen van de socialistische beweging en zeker niet belangrijker dan de onafhankelijke vakbeweging. De SDAP was vooral enthousiast over verbruikerscoöperaties.

De Woelrat
Wat kunnen wij hier in het jaar 2009 met dit soort discussies en experimenten? Begin jaren tachtig liep ik in het kader van mijn opleiding aan de Haagse Sociale Academie een zogeheten snuffelstage bij de linkse drukkerij ‘De Woelrat’ die was gevestigd in mijn toenmalige woonplaats Boskoop. Het sierheestercentrum Boskoop was een kleine agrarische gemeenschap waarbinnen de christelijke politiek dominant was. In deze collectieve drukkerij De Woelrat trachtten een handjevol compagnons om op basis van arbeiderszelfbestuur gezamenlijk een bedrijf te runnen. De drukkerij fungeerde tevens als vergadercentrum van de plaatselijke Pacifistisch Socialistische Partij (PSP) afdeling en nadat de restanten van de drukkerij verhuisd waren naar Den Haag en een ander adres in Boskoop, startten we hier een collectieve boekhandel onder de provocerende naam ‘De Vijfde Colonne’ en uitgeverij ‘Kronstadt Kollektief’. Ik heb hier veel van opgestoken, meer dan ik me aanvankelijk realiseerde.

Zonder illusies en zonder ridiculisering
Binnen de plaatselijke afdeling van de Socialistische Partij, of dat nu in hier in Breda is of in Amsterdam, proberen we ook een sfeer en situatie te creëren waarbinnen de leden zich naar vermogen en behoefte kunnen ontwikkelen en ontplooien. We zijn ons er van bewust dat dit alles nog steeds plaatsvindt onder de wetten van de kapitalistische wareneconomie. Maar juist omdat we niet kunnen afwachten tot de laatste definitieve en triomferende stormloop op de commandocentra van het kapitalisme heeft plaatsgevonden, proberen we hier en nu al iets van die toekomstige maatschappij te realiseren. Niet om ons daarmee in slaap te laten sussen en tevreden te zijn met een lege dop. Het biedt ons de gelegenheid het genoegen te proeven van een maatschappij zonder bazen en uitbuiters. Om onze spieren te oefenen en onze gedachten te focussen op een tijd waarin voor het kapitalisme geen plaats meer zal zijn. Zonder illusies en zonder ridiculisering.

Socialismedag 2009 SP Breda – inleiding Patrick Zoomermeijer

Filed under: Gastposting,Socialisme — platformrosa @ 1:25 25

Voor de Socialismedag van de SP-afdeling Breda op 9 mei 2009 was ik gevraagd een inleiding te even over het boekje “Loon, Prijs en Winst” van Karl Marx.

Loon, Prijs en Winst is gedrukte versie van de inleiding die Marx gaf op een bijeenkomst van de eerste socialistische internationale (waar toen ook nog anarchisten bij waren aangesloten) in 1865. In Loon,
Prijs en Winst beschreef Marx in betrekkelijk simpele bewoordingen zijn zogenaamde “arbeidswaardetheorie”, die hij later, vanaf 1867, in de diverse delen van Das Kapital (Het Kapitaal) verder uit zou werken.
Daarmee vormt het boekje Loon, Prijs en Winst (in Nederlandse vertaling) een prima inleiding van Marx zelf op de marxistische economie. Een aanrader!

In de inleiding die ik op de Socialismedag gaf heb ik geprobeerd de basis van de marxistische economie en haar kritiek op de kapitalistische economie te schetsen. Op veel onderwerpen heb ik door tijdsgebrek niet diep in kunnen gaan, hoezeer ze die aandacht ook verdienen. Maar ik hoop dat na mijn inleiding duidelijk is geworden wat de marxistische visie is op lonen, prijzen en winst, en hoe ze tot stand komen. Ik hoop ook dat dat een bijdrage levert aan het begrip van de dagelijkse uitbuiting onder het kapitalisme, en een aanzet geeft tot verzet tegen deze uitbuiting.

Met socialistische groet,

Patrick Zoomermeijer
rodezaanstreek@gmail.com

Hoe werkt het kapitalistisch systeem?
Inleiding tot de politieke economie

Overal waar je kijkt, zie je hetzelfde. Topdrukte bij het UWV, uitzendkrachten die als eerste hun baan verliezen maar ook weer alleen via uitzendbureaus weer aan werk kunnen, winkelcentra en yuppenwoningen waar ooit fabrieken stonden. Mensen moeten alle zeilen bijzetten om het hoofd boven water te houden. Dit is Europa in de 21ste eeuw.
Hoewel de heersende klasse beweert dat economie te ingewikkeld is voor gewone mensen en dat ze het toch niet begrijpen, vinden socialisten economie heel belangrijk. Economie legt uit hoe de rijkdom van onze maatschappij geproduceerd en verdeeld wordt. Vandaag de dag worden zaken die mensen nodig hebben niet gemaakt, zoals betaalbare medicijnen voor armen, en als ze wel gemaakt worden, kunnen we ze in veel gevallen niet betalen.
Wanneer we meer loon vragen, wordt ons verteld dat het onbetaalbaar is, dat we moeten wachten tot de economie er weer bovenop is en dat de stijgende loonkosten een rem zijn op de economische groei. De regeringspolitiek kan de economie beïnvloeden, maar de kapitalistische regeringen kunnen de fundamentele problemen uiteindelijk niet oplossen: uitbuiting, werkloosheid, massale armoede en regelmatig terugkerende economische crisissen. Daarom vechten socialisten niet alleen voor de beste levensomstandigheden die er mogelijk onder het kapitalisme, maar vechten socialisten ook voor de omverwerping van dit systeem en de vervanging ervan door het socialisme.
Een begrip van hoe het kapitalisme werkt is belangrijk als we die strijd willen voeren.

Wat is kapitalisme?

Kapitalisme is gebaseerd op het privé-eigendom van de productiemiddelen: de bedrijven, de machines, de winkels en het financiële systeem.
Kapitalisten verkrijgen hun inkomen uit dit eigendom, door winst uit hun investeringen te halen, en niet door zelf productieve arbeid te verrichten, zoals arbeiders. Een arbeider aan de andere kant, nu ook vaak apolitiek ‘werknemer’ genoemd, moet zijn arbeidskracht verkopen. Een arbeider verkoopt zijn vermogen om te werken, om te produceren, en krijgt daar een loon voor terug.
Overigens, sommige delen van de economie kunnen publiek eigendom zijn, maar de grote privé-bedrijven vormen het belangrijkste deel van de economie.

Het privé-eigendom begon niet pas met het kapitalisme, dat slechts 250 jaar bstaat, heel erg kort dus.
Ook eerdere maatschappijen, zoals de slavenmaatschappij en het feodalisme waren op het privé-eigendom gebaseerd. Ook toen werden gewone mensen uitgebuit. Slaven werkten en kregen alleen voedsel en onderdak; lijfeigenen werkten een deel van de week op de landgoederen van de landheer of gaven een deel van hun oogst aan hem, of allebei.
De manier waarop arbeiders onder het kapitalisme uitgebuit worden, is anders. De lijfeigene had meestal een stukje land in bezit of had er rechten op. Voedsel en andere levensnoodzakelijkheden werden meestal door henzelf gemaakt. De arbeiders van vandaag kunnen hun eigen voedsel niet meer kweken of hun eigen kleren maken. Ze worden gedwongen voor een baas te werken om de eindjes aan elkaar te knopen.
Daarom noemde Karl Marx, de Duitse radicaal-socialist, het kapitalisme de “veralgemeende warenproductie”. Dat is het idee van het marktsysteem: alles is te koop, alles is een waar. Men noemt het de ‘vrije markt’. Er is echter niets vrij aan de markt als je een laag-betaalde baan hebt. En kan er vrijheid zijn in een wereld waar alles verdeeld wordt door een klein aantal grote bedrijven, en die de wereldeconomie domineren?

Arbeiders creëren de rijkdom

Een blik op het inkomen en de levensstijl van de grote bazen en de rijken, één blik op de grote en vaak zeer mooie gebouwen in onze steden, de rijken die booschappen doen in de PC Hooftstraat, kan slechts tot één conclusie leiden: Nederland is geen arm land.
Wie heeft echter die rijkdom gecreëerd? Wie heeft de flats en de paleizen, de auto- en spoorwegen gebouwd? De bron van alle rijkdom in de kapitalistische maatschappij is de arbeid van de arbeidersklasse. De arbeidersklasse bestaat niet alleen uit fabrieksarbeiders die werken met hun handen; het is de grote meerderheid van de bevolking die leeft door hun arbeidskracht – hun vermogen om te werken – te verkopen. Als we spreken over de arbeidersklasse bedoelen we dan ook zowel de bouwvakkers als kantoorpersoneel, chauffeurs en winkelbedienden, horecapersoneel en mensen die werken in de zorg.
Sommige arbeiders kunnen misschien een aantal aandelen bezitten, maar ze zullen nog steeds moeten werken om voldoende inkomen te verkrijgen. Werklozen en arbeiders in deeltijd behoren nog steeds tot de arbeidersklasse – het is de fout van het systeem dat ze geen recht op werk hebben.
Het is de arbeid die zaken hun waarde geeft in de marxistische zin van het woord. De natuur levert de grondstoffen, de lucht, het water, de mineralen en het voedsel dat we nodig hebben om te leven. We kunnen echter de meerderheid van de natuurlijke bronnen niet rechtstreeks gebruiken – ze moeten bewerkt worden om ze voor ons nuttig te maken. Regen bijvoorbeeld kan alleen waarde krijgen wanneer het bewerkt wordt tot drinkwater. Dus het moet worden opgepompt, gefilterd, verplaatst naar de plaats van consumptie via flessen of leidingen.

Wij maken het geld

Rondlopen in een supermarkt kan zeer frustrerend zijn, vooral als je niet vindt wat je zoekt. Wat opvalt in een supermarkt is de enorme variatie in de prijzen voor de goederen. Waarom zijn alle prijzen anders?
Kapitalistische economen beweren dat het allemaal afhangt van ‘vraag en aanbod’. Als ik 1.000 ijsjes heb en slechts 1 persoon wil er één kopen, dan zullen ze heel erg goedkoop zijn. Als ik slechts 1 ijsje heb en 1.000 mensen willen het kopen, zal dat ijsje voor een klein fortuin verkocht worden. Dit begrijpt iedereen. Maar dit verklaart nog niet de prijzen, want uiteindelijk zullen alle prijzen zich gelijkschakelen, worden uitgesmeerd. Als 1.000 mensen ijsjes willen, zal dat meer verkopers ter ore komen, en wordt de schaarste opgelost.
Nee, wat een waar duurder maakt dan het andere, hangt in laatste instantie niet af van vraag en aanbod, maar van de arbeidstijd die nodig is om het die waar te produceren.
Dit is de kern van de “arbeidswaardetheorie” die Marx meehielp te ontwikkelen. De wet van vraag en aanbod kan misschien uitleggen waarom een Rolls Royce op het ene moment voor 200.000 euro verkocht wordt en op het andere moment voor 175.000 euro. Maar ze kan echter niet verklaren waarom een handgemaakte en bestelling geleverde Rolls Royce altijd duurder zal zijn dan een op een lopende band in massa geproduceerde Hyundai. Dit komt doordat er veel meer arbeidstijd in de productie van een Roll Royce kruipt dan in het maken van de Hyundai.

Wat heeft dit met de prijzen van goederen te maken?
Geld lijkt ons leven te beheersen. Er is er nooit genoeg. De kern is echter dat het de arbeidersklasse is die het geld maakt. Geld is de maat van de waarde. In plaats van “het aantal minuten of uren arbeidstijd” dat het duurt om bijvoorbeeld een blik bonen te maken, hangt er een prijskaartje aan: geld is de uitdrukking van de waarde in de echte wereld. Het is uiteraard zeer onpraktisch als iedereen met elkaar goederen zou ruilen: de kapitalistische maatschappij heeft een uitdrukking nodig voor de waarde van een goed. Er is een uitdrukking nodig die door iedereen gebruikt wordt en dus een uniform systeem vormt. Geld is een dergelijke uitdrukking van de ruilwaarde. Marx noemde het de “universele ruilwaarde”.

Wij produceren de winsten

We hebben het al over kapitalisme gehad, maar wat is “kapitaal”? Een koffer vol briefjes van 50 euro onder je bed is leuk om hebben, maar het is geen kapitaal. Kapitaal is geld, machines en materialen die samengebracht worden om arbeiders aan het werk te zetten.
Arbeiders zijn de bron van de rijkdom. Maar bovenal zijn arbeiders de bron van de nieuwe weelde die de levensstijl en de investeringsplannen van de bazen mogelijk maakt. Hoe is dit mogelijk?
Deze grote zwendel, deze oplichting gebeurt niet openlijk. Als iemand 38 uur werkt, krijgt hij/zij het ‘gebruikelijke loon’ en komt hij/zij thuis met geld goed voor 38 uur werk. Het is een van de grote mythes van het kapitalisme, dat werk gebaseerd is op een ‘goed dagloon voor een goede dag werk’. Als we een blik werpen op de werkdag, kunnen we die mist doen opklaren.

De werkdag
Stel, een persoon werkt 8 uur per dag. In die periode wordt 8 uur arbeidstijd gespendeerd in de productie van goederen of diensten. Maar de werknemer zal nooit die 8 uur uitbetaald krijgen in de vorm van loon! Als de arbeider de volledige opbrengst zou krijgen van hetgeen hij/zij gemaakt heeft, zou er geen winst zijn en zou het bedrijf failliet gaan.
De eerste uren van de werkdag produceert de arbeider genoeg goederen of diensten, om zijn loon te betalen. Met dat loon kan de arbeider zijn huur of hypotheek, zijn energierekening, zijn eten, zijn lidmaatschap van de voetbalclub etcetera betalen. Kortom: hij werkt dan genoeg om in zijn onderhoud te voorzien, zodat hij elke dag weer fris op zijn werk verschijnt.
Het zou zo maar kunnen dat de arbeider al in 4 uur werk per dag in zijn onderhoud kan voorzien. Maar hij kan echter niet na 4 uur naar huis gaan: de arbeider moet nog verder werken voor de baas, onbetaald, en dus gratis. Iedere dag, maken arbeiders hun bazen rijker.
Deze extra arbeid noemde Marx de” meerwaarde”. Deze meerwaarde kan worden opgedeeld in bijvoorbeeld de huur van de werkplaats of het kantoor aan de verhuurder, rente aan de bank voor bedrijfsleningen en natuurlijk winsten voor de baas.
Alles dat in de winkels verkocht wordt, heeft een beetje meerwaarde in zich, en wanneer de waren worden verkocht realiseert de kapitalist die meerwaarde in de vorm van “winst”. Een daar doet de kapitalist het voor! Alle winst is uiteindelijk dus voortgekomen uit de onbetaalde arbeid van de arbeidersklasse.

Sommigen zeggen dat het de consumenten zijn en niet de arbeiders die uitgebuit worden.
Dit argument zou betekenen dat bazen meer geld vragen dat het eigenlijk kost – ze beroven de consument. Het is zeker waar dat winkels ons steeds zullen proberen te bestelen als ze dat kunnen. Maar nieuwe rijkdom komt niet hoofdzakelijk uit dat soort praktijken.

Voorbeeld:
Als ik een auto heb die 1.000 euro waard is en ik verkoop die voor 1.500 euro, dan heb ik 500 euro gewonnen en de koper heeft 500 euro verloren. Er is een overdracht van geld van de koper naar mij. Er is echter geen nieuwe rijkdom gecreëerd, er is niets geproduceerd, de auto was er al. Dit is dus geen productie, dus wordt er geen waarde gecreeerd.

Wat bepaalt welk deel van de arbeidsdag er naar de arbeider gaat in de vorm van loon, en hoeveel er naar de kapitalist gaat in de vorm van meerwaarde of winst?
De baas zal proberen de lonen en de “noodzakelijke arbeidstijd” (de tijd waarin de arbeider goederen of diensten produceert die een waarde hebben gelijk aan het loon dat uitbetaald wordt) zo laag mogelijk te houden om de winsten op te drijven. Uiteindelijk wil hij net genoeg loon geven om de arbeider als het ware ‘in leven’ te houden om terug te laten komen om te werken en om een nieuwe generatie arbeiders te laten opgroeien. Maar zelfs dat is geen vaststaand gegeven. In periodes van hoge werkloosheid zal het de baas niet kunnen schelen als de arbeider ongezond wordt door de lage lonen – zolang er anderen zijn om zijn/haar plaats in te nemen. Vandaag hebben veel gezinnen twee inkomens nodig om genoeg geld te hebben om een gezin te onderhouden en dus een nieuwe generatie arbeiders op de wereld te zetten. De werkende klasse moet de balans in de andere richting duwen. Door zich te organiseren in een vakbond en te strijden voor hoger loon en betere arbeidsomstandigheden kunnen de arbeiders de bazen dwingen een deel van hun meerwaarde of winst op te geven.

De kapitalist kan van zijn kant proberen de meerwaarde te vergroten door de arbeiders harder te laten werken, en zo de productie te verhogen.
Hij kan de arbeiders dwingen harder te werken. Hij kan daar ofwel brute uitbuitingstactieken voor gebruiken, ofwel met bonussystemen werken om de arbeiders te verleiden. Bonussystemen zullen zelden de arbeiders compenseren voor de extra meerwaarde die geproduceerd wordt, anders zou de baas ze niet introduceren. De meeste systemen met bonussen werken ook nog eens verdelend – ze zetten de ene arbeider op tegen de andere. De baas zal arbeiders tot op het merg willen uitzuigen. Maar het menselijk lichaam heeft zijn grenzen. Op een bepaald moment zullen we kwaad worden. En bazen hebben honger voor meer winst dan ons zweet kan leveren.

De machine beheerst ons leven

Het geheim van de ontwikkeling van het kapitalisme ligt in het gebruik van machines. Iemand die moderne machines gebruikt zal in het algemeen altijd productiever en dus winstgevender zijn dan een arbeider met oude (of zonder) machines. Zo is de industrie in Nederland over het algemeen inderdaad moderner dan de traditionele industrie in bijvoorbeeld Belgisch Wallonië. Van stoomkracht tot de meest moderne computergestuurde productiesystemen, het is altijd het zelfde liedje geweest. Het versnellen van de productie om zo snel mogelijk de loonkosten te produceren en dus de meerwaarde per arbeider massaal te verhogen. In moderne auto-fabrieken worden de lonen zo snel geproduceerd dat de arbeiders voor feitelijk een groot deel van het jaar gratis werken voor de baas.

Nieuwe technologie biedt het potentieel om de werkweek te verkorten tot een paar uur. Onder kapitalisme betekent die ‘arbeidsbesparende techniek’ echter een mes in onze rug.
De kosten van de machines zijn zo hoog dat de baas de productie opdrijft om schulden af te betalen. En de machines vervangen arbeid. Dit feit bleef verborgen gedurende de grote economische groei van 1950-1973. Terwijl grote investeringen plaatsvonden in lopende band-systemen (bijvoorbeeld in autofabrieken), waren nog steeds grote aantallen arbeiders nodig om de machines te bemannen. De hedendaagse technologie heeft echter steeds minder arbeiders nodig.

Ze gokken met ons geld

In de beginperiode van het kapitalisme was het familiebedrijf een normale zaak. Toen ‘efficiëntere’ bedrijven andere opslokten, begonnen de grote bedrijven de wereld te beheren. Denk aan hoe Albert Heijn begon als kruidenier in de Zaanstreek, maar nu een gigantische multinational is die andere bedrijven opslokt en kleine kruideniers kapot concurreert.

Terwijl de meerwaarde steeds groter werd, konden financiële instellingen het geld dat door arbeid werd gecreëerd, gaan verhandelen. Grote banken werden giganten. Bouw- en verzekeringsmaatschappijen en pensioenfondsen zijn ontwikkeld om het geld te verhandelen en er winst op te maken. De moderne kapitalist heeft het bedrijf waarin hij investeert misschien nooit van binnen gezien! Het tijdverdrijf van de kapitalisten bestaat erin met ons geld te gokken door die aandelen uit te kiezen waarmee ze denken het meeste geld te kunnen verdienen. De grootste casino’s bevinden zich op de ‘financiële markten’. Door het kopen en verkopen van munten wordt dagelijks honderden miljarden euro over de hele wereld verhandeld. En dan vertellen ze ons dat er geen geld is voor sociale zekerheid!

De markt werkt niet

Als het kapitalisme winst blijft maken, waarom stort de economie dan ineen? Waarom is er massale werkloosheid? Wat is er mis met de markteconomie?

Daar zijn twee hoofdredenen voor:
1) De tendens van de dalende winstvoet
Kapitalisten investeren hoge sommen in machines om de meerwaarde die iedere arbeider produceert te vergroten. Terwijl de arbeiders enorme winsten produceren, kan er een trend zijn waarbij de kosten van de machines de winst voor de bazen doet dalen.
2) Problemen in de markt
Arbeiders worden niet voor een volledige werkdag betaald. Ze kunnen dan als arbeidersklasse, die immers ook de consumenten zijn, ook niet alle goederen en diensten die ze produceren terugkopen. Uiteindelijk zorgt het kapitalisme voor “overproductie”: er wordt meer geproduceerd dan de maatschappij kan kopen. In de kapitalistische markteconomie is er geen rationele, democratische controle op de productie.

Verklarende woordenlijst:

Absolute meerwaarde: de meerwaarde die geproduceerd wordt door de werkdag langer te maken.
Kapitaal: geaccumuleerde rijkdom die gebruikt wordt om arbeidskracht uit te buiten en meerwaarde te creëeren. Waarde die waarde voortbrengt: het groeit (“accumuleert”) door uitbuiting.
Kapitalisme: de productiewijze die gebaseerd is op de productie van waren, met een klassensysteem van loonarbeid en privé-eigendom van de productiemiddelen.
Waar: een product of dienst die geproduceerd wordt voor verkoop op de markt. De waarde ervan wordt gemeten aan de hand van de “gemiddelde maatschappelijk noodzakelijke arbeidstijd” die nodig is om het te produceren – de gemiddelde productietijd onder de gegeven sociale omstandigheden.
Constant kapitaal: kapitaal dat in machines en grondstoffen zit, ook wel “dode arbeid” genoemd.
Krediet: het algemeen systeem van lenen voor winst.
Ruilwaarde: de waarde van een waar vergeleken met andere waren. Bijvoorbeeld: 1 jas = 2 paar broeken = 50 EURO. Ze wordt gemeten door de maatschappelijk noodzakelijke arbeidstijd van de te ruilen goederen.
Arbeidskracht: het vermogen om te produceren. Voor de prijs ervan (lonen) zie: noodzakelijke arbeidstijd.
Noodzakelijke arbeidstijd: het deel van de werkdag waarin de goederen geproduceerd worden die nodig zijn om de loonkosten te betalen.
Organische samenstelling van het kapitaal: de verhouding tussen de waarde van dode arbeid (machines en grondstoffen) en arbeidskracht in een kapitalistische industrie of economie.
Uitbuitingsgraad (of meerwaarde): de hoeveelheid onbetaalde arbeid (meerwaarde) tegenover de hoeveelheid betaalde arbeid.
Relatieve meerwaarde: meerwaarde gecreëerd door de arbeidstijd te verminderen om iets te produceren (in kortere tijd wordt evenveel geproduceerd).
Meerwaarde: rente en winst, de onbetaalde arbeid van de arbeidersklasse.
Gebruikswaarde: het nut van een bepaald object.
Waarde (of ruilwaarde): de ‘lijm’ die de kapitalistische economie samenbindt. De waarde van een waar is gemeten door de arbeidstijd die in de productie ervan vervat zit. Het toont zich in vergelijking met andere producten, als ruilwaarde. Drie vormen: goederen, geld en kapitaal.
Variabel kapitaal: lonen. Het deel van het totaal kapitaal dat gebruikt wordt om arbeidskracht te kopen.

Literatuurlijst:

Een aantal brochures en boeken die dieper ingaan op de materie van de marxistische economie zijn:

26 april 2009

Valt er wat te vieren op de dag van de arbeid?

Filed under: Aankondigingen,Gastposting — platformrosa @ 10:59 59

A) Nee, rechts wint aan kracht en dat is slecht voor de mensen met lage inkomens.
B) Ja, de eerste Doorbraak-krant is uit!

1 Mei 2009. Bijeenkomst van Doorbraak, open voor iedereen.
Lezing, debat, krantpresentatie, poëzie, muziek en feest.

Rechten voor arbeiders zijn in een lange strijd verworven, maar staan onder druk. 1 Mei is al sinds 1890 in vele landen de dag om bij deze strijd stil te staan en om het bestaan van een arbeidersbeweging te vieren. Ook in Nijmegen wil de linkse basisorganisatie Doorbraak aandacht geven aan deze dag en de vraag stellen: Valt er eigenlijk nog wel wat te vieren? Rechts(-populisme) wint immers aan kracht, onder meer door het aanwakkeren van angst voor migranten, en lijkt zelfs populair te zijn onder een flink deel van de arbeiders in Nederland.

Bob Wester van Doorbraak gaat niet alleen in op de vraag wat de sociaal-economische plannen van Geert Wilders zouden kunnen gaan betekenen voor werkenden en mensen met een uitkering in Nederland. Wester zal vooral aangeven welke dilemma`s dit voor links oplevert en aanzetten geven voor een tegenstrategie vanuit de basis. Vooraf zal historicus Ron Blom, met voorbeelden uit de geschiedenis, aantonen waarom een strijdbare en democratische arbeidersbeweging het beste middel tot ‘inburgering’ is. Zo kunnen we de actualiteit, in het licht van de geschiedenis, beter lezen.

Ook zal er feest met muziek en gedichten zijn. Het eerste nummer van de Doorbraak-krant wordt gepresenteerd door redactiemedewerker Sandor Schmits. De muziek wordt verzorgd door de ‘gitaristen uit Deventer’ en er worden gedichten vanuit de onderkant van de samenleving voorgedragen door ‘Dwarsligger’.

Wij nodigen iedereen van harte uit om deze avond langs te komen, met ons mee te luisteren, te praten en de komst van onze nieuwe krant te vieren!

1 Mei
Grote Broek (de Klinker)
Van Broeckhuysenstraat 46, Nijmegen
Deur open 19:30 uur, aanvang 20:00 uur.

28 maart 2009

Kredietcrisis en recessie

Filed under: Gastposting — platformrosa @ 3:01 01

De AOW-leeftijd kan en moet omlaag en niet omhoog
Onze pensioenen moeten geïndexeerd blijven


Kredietcrisis en recessie

Het is crisis. De Amerikaanse vice-president Biden zei onlangs: “De problemen zijn groter dan we dachten en het wordt nog erger.” Alom worden vergelijkingen gemaakt met de Grote Depressie van de jaren dertig van de vorige eeuw. Dat was een tijd van grote en lange crisis, met verschrikkelijke werkloosheid en grote armoede. Een tijd van onzekerheid en uitzichtloosheid voor velen. Een tijd van steun en van betuttelend stempelen. Een tijd waarin kostbaar voedsel op grote schaal werd vernietigd vanwege de ‘overproductie’. Een tijd van arbeidersstrijd, maar ook van opkomend fascisme. De tijd van het Jordaan-oproer en de opkomst van de NSB.

Het is nog lang niet zeker of de huidige recessie of depressie even erg zal worden als die van de jaren dertig en even lang zal gaan duren. In de jaren dertig daalde de industriële productie met de helft in de grootste twee industriestaten van dat moment, de Verenigde Staten en Duitsland. Bijna een derde van de arbeiders in die landen werd werkloos. Overigens was de recessie in de VS en in Duitsland al voor de beurskrach van oktober 1929 ingezet. Dat was ernstig, want de VS waren in die tijd goed voor de helft van de industriële wereldproductie. Ondanks de New Deal van de jaren dertig was de Amerikaanse regering niet in staat een einde aan de crisis te maken. Volgens de econoom J.K.Galbraith kwam er pas een eind aan de Grote Depressie met de mobilisaties van de jaren veertig.

Nu is het weer crisis. De kredietcrisis heeft snel de ‘reële’ economie geraakt en de echte en voorspelde werkloosheidscijfers voor dit jaar en volgende jaren vliegen je om de oren. Door de recessie worden ook de overheidsfinanciën geraakt, want het begrotingstekort en de staatsschuld dreigen snel op te lopen.

Overal worden discussies gevoerd over hoe de crisis het best en snelst bestreden kan worden en welke maatregelen er moeten worden genomen. Zoals altijd proberen de werkgevers en de regering de kosten van de crisis af te wentelen op de ‘gewone man’, dat wil zeggen op de mensen die juist niet de crisis veroorzaakt hebben. Tegelijkertijd worden er honderden miljarden belastinggeld gegeven aan banken en bedrijven die de crisis hebben veroorzaakt en dat dan zonder deze instellingen daadwerkelijk te nationaliseren en onder democratische controle te brengen. Dat is een recept voor nieuwe drama’s in de nabije toekomst. Intussen gaat het uitdelen van bonussen schaamteloos door.

Pensioenen en AOW

Een van de kwesties die al langere tijd in discussie was – in verband met de ‘dreigende vergrijzing’ – is de verhoging van de AOW-leeftijd. Nu de pensioenfondsen (die zo’n €600 miljard beheren) vele miljarden van onze premies hebben verkwanseld in louche financiële constructies, samen met criminele speculanten en incompetente bankdirecties, wordt de discussie over de AOW-leeftijd en de economische draagkracht van de AOW weer nieuw leven in geblazen. Moeten we straks doorwerken tot 67 jaar, omdat het anders allemaal ‘onbetaalbaar’ wordt? Moet de AOW leeftijd langzaam omhoog? Hoe waardevast blijft de AOW als de pensioenen niet meer geïndexeerd worden? Hoeveel zijn de pensioenen al gedaald door de omschakeling van eindloon naar middelloon? En moeten de lonen lange jaren op de nullijn? De AOW-uitkering is al zo laag, moet die nog verder dalen? Moeten we onze collega’s van TNT achterna?

Helaas wordt er binnen de vakbeweging veel te weinig met de leden gediscussieerd over deze zaken, maar er zijn redenen genoeg om niet met deze chantage en paniekverhalen mee te gaan. Er zijn juist redenen genoeg om de AOW-leeftijd te verlagen in plaats van te verhogen. Helaas zijn de bestuurders van CNV en MHP al door de bocht gegaan. Zij vinden dat een verhoging van de AOW-leeftijd ‘bespreekbaar’ is. Daarmee doorbreken zij op schandelijke manier het vakbondsfront in de verdediging van onze verworven rechten. Het is ook hypocriet, want ouderen worden nog steeds vaak als eersten ontslagen en komen het moeilijkst weer aan het werk. Twee op de drie mannen tussen 60 en 65 jaar werken al niet meer. Tegenover CNV en MHP pleit Harrie Verbon, hoogleraar openbare financiën aan de Universiteit van Tilburg juist voor het verlagen van de AOW-leeftijd. En het Centraal Planbureau (CPB) waarschuwt tegen een daling van de lonen. Directeur Teulings van het CPB zegt: “De lonen zijn al fors gematigd, te veel druk op extra loonmatiging is onverstandig.”

Laat de rijken de crisis betalen.

Uitgangspunt voor alle voorstellen voor de bestrijding van de (gevolgen van de) crisis moet zijn: ‘Laat de rijken de crisis betalen’. De crisis is immers veroorzaakt door het kapitalisme en niet door de werknemers. Een van de belangrijke achtergronden van de huidige kredietcrisis en de recessie is juist dat in de afgelopen decennia het loonaandeel van de werknemers (lonen en uitkeringen) in het bruto nationaal product aanzienlijk is gedaald. Hun koopkracht werd aangevuld met leningen en schulden, maar die zeepbel is dus nu doorgeprikt.
Een van de argumenten om de AOW-leeftijd te verlagen, is de strijd tegen de werkloosheid. Als meer mensen eindelijk eerder van hun welverdiende pensioen kunnen gaan verdienen, dan komt er meer ruimte op de arbeidsmarkt om de oplopende werkloosheid aan te pakken.
De belangrijkste reden om de AOW-leeftijd te verlagen is dat de meeste mensen de afgelopen decennia steeds harder moesten gaan werken en dat er nog steeds veel zwaar werk bestaat. Er bestaan genoeg studies naar de toegenomen werkdruk, de gevolgen van onregelmatige diensten en nachtwerk. Er is nog steeds veel zwaar fysiek werk en ook de psychische belasting van het werk is toegenomen. Daarom zou de AOW-leeftijd met enkele jaren omlaag moeten, natuurlijk met behoud van rechten van AOW en pensioen.
Als de AOW-leeftijd wordt verhoogd naar 67, zoals de regering wil, dan bestaat er een grote kans dat meer oudere mensen ziek zullen worden. Dan gaan de kosten van de gezondheidszorg omhoog en waarschijnlijk kost dat meer dan de besparing op de AOW.

Is dat wel betaalbaar?

Bij de discussie over de AOW (en bij veel andere discussies) wordt altijd gezegd dat zoiets ‘onbetaalbaar’ is. Het is maar net hoe je het bekijkt. Als je de enorme verspilling van dit systeem in stand wilt houden, als je de enorme bedrijfswinsten en de superbonussen van de bankiers en managers in stand wilt houden, als je door wilt gaan met oorlogen voeren in verre landen en als je voor vele miljarden nieuwe bommenwerpers (de JSF) wilt kopen, als je idiote metrolijnen wilt aanleggen, dan is er inderdaad geen geld. Als je het er mee eens bent dat er steeds meer miljonairs en miljardairs rond lopen, dan is er inderdaad geen geld.
Maar de arbeidsproductiviteit is de afgelopen decennia gestegen en als we de economie rationeel zouden inrichten en democratisch zouden controleren, dan zal blijken dat er geld genoeg is voor sociale maatregelen, zoals het verlagen van de AOW-leeftijd en een fatsoenlijke indexering van de pensioenen. Dan zal ook blijken dat we de ene generatie niet tegen de andere hoeven op te zetten.

Keuzes maken en actie voeren

Het is altijd een kwestie van keuzes maken, ook over de vele honderden miljarden die wij ieder jaar produceren.
Laten we eens beginnen hierover de discussie te voeren binnen onze bond. Maar eerst moeten we actie voeren om de bezuinigingsplannen van de regering en de werkgevers tegen te houden. Terecht waarschuwt de FNV voor “grote sociale onrust”. Terecht ook stelt Agnes Jongerius over het verhogen van de AOW-leeftijd: “De FNV is en blijft mordicus tegen. Belangrijkste redenen: het helpt niet, het is oneerlijk en het is onwerkbaar.”
Op de barricaden dus!

Rob Gerretsen (23 maart 2009)

18 maart 2009

Henk Sneevliet herdenking

Filed under: Aankondigingen,Gastposting — platformrosa @ 4:15 15

Ieder jaar organiseert het Sneevliet Herdenkingscomité op of omstreeks 13 april een herdenkings-bijeenkomst op ‘WESTERVELD’, Duin en Kruidbergerweg 2, 1985HG Driehuis nh, tel: 0255514843.
Dit jaar zal de herdenking plaatsvinden op zondag 5 april.

Bij de vorige herdenking waren heel wat belangstellenden aanwezig. Daar zijn we blij om. Het was ook een bijzondere herdenking. Dat kwam door de aanwezigheid van de Chinese delegatie van het museum uit Shanghai waar een tentoonstelling over Henk Sneevliet wordt voorbereid. Door Li Yuzhen werd bij het monument in het Engels een rede uitgesproken. De directeur van het museum sprak ons toe in het Chinees waarbij een tolk vertaalde. Ellen Santen, Bob de Wilde, Henk Smeets en ons Sneevliet Herdenkingscomité waren de delegatie in Nederland zo veel mogelijk behulpzaam bij de uitvoering van hun plan bezoeken af te leggen en informatie over Sneevliet in te winnen.

Zondag 5 april. Als u met de trein van 10.46 uur uit Haarlem komt, wordt u om10.58 uur op station Driehuis afgehaald. Bij vertraging: bel s.v.p. 06 15473369. Om half twaalf lopen we naar het monument en leggen daar bloemen neer. Wie moeilijk ter been is, kan daar met een auto worden afgezet. Bij het monument staan, zoals altijd, enkele stoelen klaar. Na de bloemlegging vertrekken we per auto naar ‘DE DWARSLIGGER’, Planetenweg 338, 1974BP, IJmuiden, tel: 0255512725. We drinken daar een kopje koffie of thee (met cake en slagroom) en natuurlijk heeft U gelegenheid vrienden en bekenden te ontmoeten. Foto’s van het bezoek van de delegatie uit Shanghai worden daar tentoongesteld. Wilt u zo vriendelijk zijn om daar niet te roken?

Kunnen we dit jaar weer rekenen op een kleine bijdrage voor de bloemen op gironummer 223776 t.n.v. penningmeester Sneevliet Herdenkingscomité te Spijkenisse met de vermelding “bloemen”?

Van ons laatste gedenkboek ‘Wij moesten door …’ zijn nog 500 exemplaren over. Om uit de kosten te komen is het van belang dat er nog flink verkocht wordt. Wilt u ons daarbij helpen? Na zeven jaar verlagen we de prijs tot € 5. Als ieder van ons een aantal exemplaren koopt dan schieten we aardig op. Cadeautip: geef een exemplaar aan een vriend(in), een familielid, een geïnteresseerde, een bibliotheek. Heus, er zijn meer mogelijkheden dan u denkt! In de Dwarsligger liggen de boeken voor € 5 klaar. Help ons, u steunt daarmee ons comité. Bestellen kan ook. Stort € 7,50 (dat is inclusief verzenden) op gironummer 223776 t.n.v. penningmeester Sneevliet Herdenkingscomité te Spijkenisse met de vermelding “boek” en wij zenden het u zo snel mogelijk toe.

Tot ziens op zondag 5 april
Met vriendelijke groet,
Het Sneevliet Herdenkingscomité,
Ger Groenenboom-van Tol, Ron Blom, Dick de Winter

2 februari 2009

Korte geschiedenis van het Sneevliet hedenkingscomité

Filed under: Gastposting,Historie — platformrosa @ 3:23 23

Door Dick de Winter, voorzitter van het comité.

Na de dood van Henk Sneevliet en zijn medestrijders viel het Marx-Lenin-Luxemburg-Front (MLL-Front), de illegale organisatie van de Revolutionair Socialistische Arbeiders Partij (RSAP) tijdens de Tweede Wereldoorlog, uiteen in twee groeperingen. Splijtzwam was de verdediging van de Sovjet-Unie. Het trotskistisch Comité van Revolutionaire Marxisten (CRM) pleitte vóór verdediging, terwijl Spartacus dat politiek in radencommunistische richting evolueerde, tegen die verdediging was. Politieke divergentie heeft in het latere Sneevliet Herdenkingscomité ook nog wel eens tot politieke en soms ook persoonlijke wrijving aanleiding gegeven. Maar het Comité is geen vereniging of partij en functioneert naar tevredenheid als een bloemencomité.

Hoe het begon …
In 1945 werd een Comité opgericht om de crematie van de gevallenen te regelen. Er waren ook plannen voor een monument op Westerveld, een in de Noord-Hollandse duinen gelegen crematorium/begraafplaats in de plaats Velsen. Op zaterdag 10 november 1945 trok een lange stoet mensen door Amsterdam achter auto’s en volgkoetsen naar het standbeeld van Domela Nieuwenhuis, de grote wekker van de Nederlandse arbeidersklasse in de 19e – en begin 20ste eeuw. Vandaar reisde men naar Westerveld waar de crematie plaatsvond. Het was een indrukwekkende stoet.
Een jaar later werden de urnen, alleen door de vrouwen en familileden, in het monument dat gebouwd was bijgezet.
De jaren daarna tot 1952 werd er praktisch niet naar het monument omgekeken.

In 1951 stelden vakbondsleider Toon van den Berg en de latere biograaf van Henk Sneevliet Piet van ’t Hart (pseud. Max Perthus) voor om in 1952, tien jaar na de executie, een brochure ter herinnering aan de gevallenen uit te geven. Er moest zoveel in! Het werd uiteindelijk een eerste gedenkboek: Voor Vrijheid en Socialisme, geschreven door Max Perthus. Het kwam anderhalf jaar later, in 1953, uit. De drukker was Eddy van Lambaart die in de illegaliteit een tijdlang de krant Spartacus voor het MLL-Front had vervaardigd. Hij was bereid het boek te drukken en voor een deel ook financieel risico te lopen. Gelukkig verkocht het boek goed. Na een paar jaar was het uitverkocht. Het is nu een zeldzaam antiquarisch boek.

In het jaar 1951 werd het Sneevliet Herdenkingscomité opgericht. Zonder de andere revolutionairsocialisten te kort te willen doen: de naam Sneevliet is nu eenmaal een bekende naam voor de buitenwereld. Een oproep van het Sneevliet Herdenkingscomité aan politieke vrienden en geestverwanten, met instemming van de families, vond in het land grote weerklank. Dat resulteerde in een eerste herdenking. Die vond plaats op 13 april 1952 in het gebouw Bellevue, zeer bekend in Amsterdam, en aansluitend op Westerveld bij het monument.

… en hoe het verder ging
Er waren daarna stemmen die het Comité wilden opheffen vanuit de gedachte niet aan persoonsverheerlijking te willen doen. Het was Marie de Jong-Lagerwaard die het Sneevliet Herdenkingscomité niet wilde loslaten. Ze had zich toen voorgenomen, vertelde ze me jaren later, elk jaar zolang de vrouwen van de omgekomen mannen leefden de gevallenen op Westerveld te zullen herdenken. Vanaf 1953, meer dan veertig jaar – Marie overleed in 1997- , heeft ze dat in goede samenwerking met mijn moeder Hennie de Winter- van Tilborg volgehouden. Uiteraard werden zij ondersteund door de andere leden van het Comité. Daar behoorden familieleden van de gevallenen toe als Ellen Santen, Pien Visser-Menist en Frans Dolleman. Maar ook politieke geestverwanten als Theo van Veen die in 1988 met Sneevliets dochter Sima Sneevliet zou trouwen. Het was haar gelukt om vanuit de Sovjet-Unie definitief naar Nederland te komen.
Het staat buiten kijf dat de wilskracht en doorzettingsvermogen van Marie de Jong-Lagerwaard van beslissende betekenis zijn geweest voor het voortbestaan van het Comité. Ook na haar dood kwamen er weer stemmen op die het wilden opheffen. Maar het tegenwoordige driekoppige bestuur wilde daar niets van weten. De opkomst blijft zeer bevredigend. Er is nog steeds aanwas van nieuwe belangstellenden waaronder jongeren. Daar zijn we blij mee.

Sinds 1953 verzorgt het Sneevliet Herdenkingscomité dat ook enige tijd onder de weinig aansprekende naam voor de buitenwereld als Herdenkingscomité Gefusilleerden 13 april-1942-16 oktober bekend stond, een jaarlijkse circulaire. Op 13 april en op 16 oktober werden altijd bloemen bij het monument gelegd. Ook op 16 oktober, want op die datum in 1942 werden de strijders van het MLL-Front Aaldert IJmkers en Johan Roebers die als gijzelaars gevangen genomen waren, als represaille in de bossen bij Austerlitz door de Duitsers vermoord. Ook werd 1 mei, de Dag van de Arbeid, niet overgeslagen. Ook dan werden er bloemen bij het monument gelegd.
Bij het monument op Westerveld wordt totnutoe altijd een rede uitgesproken en worden gedichten gezegd. In de omgeving is een zaal gehuurd zodat men daar rustig kan bijpraten. De gezellige reünie-achtige sfeer die ontstaat, wordt nogsteeds gewaardeerd. In de loop der jaren zijn veel belangstellenden overleden of waren niet meer goed in staat op doordeweekse dagen de in totaal drie herdenkingen per jaar bij te wonen. Een aantal jaren geleden werd daarom besloten de herdenking een keer per jaar op een zondag, op of omstreeks 13 april, te houden. Men was dan ook beter in staat vervoer per auto te regelen.

Er is al die jaren veel door het Sneevliet Herdenkingscomité tot stand gebracht. Te veel om op te noemen. Een aantal activiteiten moeten worden gememoreerd:

*Hoogtepunten waren de grote herdenkingen in Marcanti in Amsterdam in 1972 en in Hotel Lion d’Or in Haarlem in 1992. Er waren sprekers, er was een (kleine) tentoonstelling en er werd muziek ten gehore gebracht. De belangstelling was groot.

*In 1976 werd aan acht universiteiten een serie lezingen gorganiseerd over ‘Sneevliet en de Chinese revolutie’ met als spreker Bov Bing.

*Onvermoeid ijveren heeft er ook toe geleid dat in de deelgemeente Hoogvliet in Rotterdam straten naar Henk Sneevliet en Ab Menist (in 1974) werden vernoemd. In 1994 kwam daar nog de Mien Sneevliet-Draaijerstraat bij. In andere plaatsen, zoals bijvoorbeeld in Amsterdam, kreeg een belangrijke weg en een Metrostation de naam van Henk Sneevliet. Ook in Zwolle, waar Henk Sneevliet heeft gewoond, werd een staat naar hem vernoemd.

*In 1973 werd met grote en kleine bijdragen geld bijelkaar gebracht zodat het monument op Westerveld dat tekenen van verval begon te vertonen, kon worden gerestaureerd. Bovendien werd vijf jaar later een apart fonds gevormd dat ook als alle comitéleden zouden wegvallen voldoende zou zijn de bloemlegging voor een aantal jaren zeker te stellen.

*In 1984 verscheen het tweede gedenkboek: Internationaal Socialisme.

*In 2002 kwam een meer uitgebreid derde gedenkboek uit: Wij moesten door … .

*Natuurlijk ligt de ontmoeting met de Chinese delegatie van het museum in Shanghai in april van 2008 nog vers in ons geheugen. Het Sneevliet Herdenkingscomité heeft toen een bijdrage kunnen leveren aan het onderzoek van de delegatie in Nederland en aan de voorbereidingen voor de tentoonstelling over Henk Sneevliet die in 2009 zal worden geopend.

We hopen dat de herinnering aan de politieke overtuiging van Henk Sneevliet en zijn medestanders niet verloren gaat en in de toekomst een blijvende inspiratie zal blijven.

Dick de Winter (voorzitter)

1 februari 2009

Een paar inleidende opmerkingen over Het Kapitaal

Filed under: Gastposting,Historie,Socialisme — platformrosa @ 2:32 32

Bijgaand een bijdrage naar aanleiding van een inleiding over Het Kapitaal van Karl Marx gegeven op de afgelopen winterschool van de International Socialisten door Rob Gerretsen.

Een paar inleidende opmerkingen over Het Kapitaal
Begin januari 2009 schreef Raymond van den Boogaard in het Cultureel Supplement van NRC Handelsblad een stukje over Das Kapital van Marx, onder de titel ‘Marx verfilmd voor luie lezers’. Hij vertelt dat in Japan Het Kapitaal wordt uitgebracht als strip op klein formaat. En er is een tien uur durende video van Alexander Kluge over Marx en Das Kapital. Kluge noemt Marx “de dichter van onze crisis”. De huidige kredietcrisis en de zware economische recessie die net begonnen is en die steeds zwaardere gevolgen lijkt te krijgen, zullen zeker een van de redenen zijn dat de verkoop van Das Kapital bij de oude Dietz Verlag in Berlijn vorig jaar verdrievoudigd is.

Van den Boogaard betwijfelt in de NRC of alle kopers van Das Kapital ook lezers zullen zijn. Hij is zelf een luie lezer en hij is niet de enige die er mee pronkt dat het hoofdwerk van Marx er zo dik en moeilijk uit ziet, dat hij er maar nooit aan is begonnen. Die luie mensen worden overigens daardoor vaak niet gehinderd om wel van alles over Marx te beweren.

Het Kapitaal is inderdaad een dik en moeilijk werk, maar als we Marx willen begrijpen – en dat kan ik socialisten van harte aanbevelen – dan zullen we hem toch moeten lezen en vooral ook herlezen. Veel mensen doen dat in een groepje en onder begeleiding van iemand die er iets of liefst veel meer van weet. Ook dat is aan te bevelen. Er bestaan ook goede inleidingen over Het Kapitaal; bijvoorbeeld van Ben Fine en Alfredo Saad-Filho, van Ernest Mandel of van Michael Heinrich. Het kan zeker geen kwaad die ook te lezen, want het kost nu eenmaal veel tijd en herhaling om je de marxistische economie eigen te maken. En er zijn veel discussies over Marx tussen marxisten. Die zijn niet altijd meteen begrijpelijk, maar op den duur krijg je wel een basis van inzicht, als je die leest.

Het werk van Marx is een logisch samenhangend geheel en dat geldt zeker voor de drie delen van Het Kapitaal. Zoals bekend heeft Marx alleen van deel I zelf de eindredactie gevoerd, ook van de Franse vertaling daarvan en van een tweede Duitse druk van deel I, die in 1872/73 in Hamburg verscheen. De delen II en III van Das Kapital zijn later – na de dood van Marx- in 1885 en 1894 verschenen, in een redactie van Friedrich Engels. Die heeft daarmee zeer belangrijk werk verricht, door het vrijwel onleesbare handschrift van Marx te ontcijferen, verschillende versies en aanvullende manuscripten van Marx van de delen II en III te redigeren en te publiceren. Maar omdat Marx deze delen zelf niet drukklaar heeft gemaakt, heeft Engels moeten sleutelen aan de stapels oorspronkelijke aantekeningen van Marx. Hij heeft dat gewetensvol gedaan, maar toch is het van wetenschappelijk belang om heel precies te weten wat de tekst van Marx was en wat de redactie en toevoegingen van Engels. De redacteuren van de Marx/Engels Gesamtausgabe (MEGA), waar ik straks nog iets over zal zeggen, hebben daar een reconstructie van weten te maken. Dat betekent overigens niet dat hierover nu geen discussie meer bestaat. Waarover ook discussie wordt gevoerd, is waarom Marx niet meer zelf de delen II en III, waarvan hijzelf natuurlijk meer dan wie ook het belang zag, heeft gepubliceerd. Als redenen worden genoemd de slechte gezondheid en de overwerktheid van Marx en zijn afnemende krachten aan het eind van zijn leven. Die factoren zullen zeker een rol hebben gespeeld. Maar in de discussies wordt ook genoemd dat Marx deze delen wilde publiceren op basis van een grondige analyse van een ‘gemiddeld kapitalisme’, dat wil zeggen op meer dan alleen een analyse van Engeland of West-Europa van dat moment. In de laatste decennia van zijn leven bestudeerde Marx uitgebreid de kapitalistische ontwikkelingen in de Verenigde Staten en in Rusland. Dat laatste hielp hem onder meer om zijn theorie over de grondrente verder te ontwikkelen. Maar Marx wilde ook nog de nieuwste ontwikkelingen van het internationaal kapitalisme in die delen van Het Kapitaal meenemen. Dat schreef hij bijvoorbeeld in een brief van 27 juni 1880 aan Ferdinand Domela Nieuwenhuis in Den Haag. Marx schreef daarin dat zijn arts hem verboden had om te werken en hij schreef over de zeer ernstige ziekte van zijn vrouw. Hij dacht ook wel dat Domela in staat zou zijn voor de Hollanders een samenvatting van Het Kapitaal te maken. Over het tweede deel van Das Kapital schreef Marx aan Domela dat dit onder de huidige omstandigheden niet in Duitsland zou kunnen verschijnen, “was mir sofern ganz willkommen ist, als grade in diesem Augenblick gewisse ökonomische Phänomene in ein neues Stadium der Entwicklung getreten sind, also neue Bearbeitung erheischen.” (wat mij in zoverre helemaal niet betreurt, omdat juist op dit ogenblik bepaalde economische verschijnselen in een nieuw ontwikkelingsstadium zijn gekomen en dus opnieuw bewerkt moeten worden.)

Talloze mensen hebben in de loop der tijd belangrijke ‘fouten’ en ‘inconsistenties’ in de drie delen of tussen de drie delen van Het Kapitaal ontdekt. Teveel om hier te bespreken. Ik denk dat die mensen allemaal ongelijk hebben. Daarbij is het goed om te weten dat Marx de grote bulk van de delen II en III van Das Kapital al geschreven heeft in 1864 en 1865, dat wil zeggen voordat hij op 1 januari 1866 begon aan zijn eindredactie van het eerste deel van Das Kapital, waarvan de eerste druk in 1867 zou verschijnen. Die eerste manuscripten van deel II en deel III zijn al in de MEGA uitgegeven. Marx wist dus bij het schrijven van het eerste deel in grote lijnen goed wat er in de delen II en III zou moeten komen. Marx kondigt in het voorwoord van de eerste druk van deel I andere delen van Het Kapitaal al aan. Overigens heeft Marx ook na het verschijnen van deel I nog veel aan de delen II en III gewerkt. In de jaren 1868 tot 1870 schreef hij een tweede manuscript voor deel II. En in 1875 scheef hij nog een manuscript van 130 pagina’s voor deel III, waaraan hij veel wilde wijzigen. De misverstanden over de zogenaamde inconsistenties bij Marx hebben vooral te maken met onbegrip van waarover deel II en deel III precies gaan en over de verschillende abstractieniveaus die Marx in zijn werk hanteert. Maar ook met een meer algemeen onbegrip van de marxistische methode.

Een belangrijke reden waarom het lezen en begrijpen van Das Kapital zo moeilijk is, ligt niet in de schrijfstijl van Marx, maar in de kapitalistische economie zelf. Daarin lijken de zaken voortdurend anders dan ze zijn. Zoals bekend is de ondertitel van Das Kapital ‘Kritik der politischen Ökonomie’. Het is een kritische analyse van de kapitalistische economie. Het is ook een kritiek op veel andere economen. En het is een kritiek op en een verklaring van de schijngestalten van de kapitalistische economie, waarin niets is wat het lijkt te zijn. Marx is steeds op zoek naar de specifieke historische sociale vorm die alle elementen van de maatschappelijke rijkdom, de productie, de distributie, de consumptie, de arbeid, etc. onder kapitalistische verhoudingen aannemen. Hij laat zien dat hieraan niets natuurlijks is, maar dat die sociale vormen historisch bepaald worden door de kapitalistische klassenverhoudingen. Ze zijn niet natuurlijk en niet eeuwig en dus veranderbaar door de strijd van de arbeidersklasse. Zelfs de laatste grote vertegenwoordiger van de klassieke politieke economie, David Ricardo (wiens vader een Portugese jood uit Amsterdam was), had weliswaar de klassentegenstellingen als uitgangspunt van zijn onderzoek gemaakt, maar die “naïef als maatschappelijke natuurwet opgevat”, zoals Marx schrijft. De klassieke politieke economie onderzocht wel de waar en de waarde, maar heeft zich volgens Marx nooit afgevraagd waaróm arbeid in een kapitalistische maatschappij z’n uitdrukking vindt in waarde. En alle economen onderzoeken niet de meerwaarde als zodanig, maar alleen in haar bijzondere vormen van winst en rente. Ricardo’s boek The Principles of Political Economy and Taxation verscheen in 1817. Daarna was het wel ongeveer afgelopen met de burgerlijke economie als echte wetenschap. In 1825 brak de eerste periodieke crisis van het industrieel kapitalisme uit, de bourgeoisie had in Engeland en Frankrijk de politieke macht veroverd en de opkomende klassenstrijd tussen bourgeoisie en proletariaat (bijvoorbeeld de juli-revolutie in Frankrijk en de Chartisten en de kiesrechthervorming in Engeland) luidde “de doodsklok van de wetenschappelijke burgerlijke economie” (Marx).
Marx laat de schijngestalten van de kapitalistische economie en de noodzaak daarvan bijvoorbeeld zien in zijn loontheorie en in een paragraaf van het eerste hoofdstuk van deel I van Das Kapital, met de titel ‘Der Fetischcharakter der Ware und sein Geheimnis’, het fetishkarakter van de waar en zijn geheim. Die eerste paar hoofdstukken van het eerste deel van Het Kapitaal vormen altijd het grootste struikelblok en die hebben ook de meeste discussies losgemaakt. Toch vond Marx het noodzakelijk om met deze abstracte materie te beginnen om de rest van de analyse een fundament te geven en begrijpelijk te maken, of om op te stijgen van het abstracte naar het concrete. Marx noemde zelf dat eerste deel over ‘Waar en geld’ al in 1859 in een brief aan Joseph Weydemeyer “het moeilijkste, want het abstractste deel van de politieke economie”.

De opzet van voornamelijk de eerste hoofdstukken van het eerste deel is nogal gewijzigd tussen de eerste en tweede druk, door Marx zelf. Niet zozeer wat de inhoud betreft – hoewel dat ook – maar vooral wat betreft de structuur en de indeling en de begrijpelijkheid. Marx had dat onder andere gedaan na kritische op- en aanmerkingen van Engels en van Louis Kugelmann en Wilhelm Liebknecht op de eerste druk, maar ook in reactie op burgerlijke commentaren. Engels wilde graag een sterkere onderverdeling van de hoofdstukken en paragrafen en meer tussenkopjes. In december 1871 en januari 1872 schreef Marx het manuscript “Ergänzungen und Veränderungen zum ersten Band des ‘Kapitals’”, als basis voor zijn verbeteringen in de tweede druk. Marx noemde de tweede druk een ‘verbesserte Auflage’. In 1872 verscheen bovendien in Petersburg ook de eerste vertaling van Das Kapital, in het Russisch, in een vertaling van Lopatin, Danielson en Ljubawin en in een oplage van 3.000 stuks. In de Franse vertaling bracht Marx ook nog enkele veranderingen aan, bijvoorbeeld over de organische samenstelling van het kapitaal. In de tweede Duitse druk heeft Marx bovendien nog een heel aantal voetnoten toegevoegd om de begrijpelijkheid te vergroten. Meer begrijpelijkheid was inderdaad nodig. Marx had bijvoorbeeld al in het voorwoord van de eerste druk geschreven “Die Werthform, deren fertige Gestalt die Geldform, ist sehr inhaltlos und einfach. Dennoch hat der Menschengeist sie seit mehr als 2000 Jahren vergeblich zu ergründen gesucht, ..” (de waardevorm, waarvan de ontwikkelde vorm de geldvorm is, is bijzonder inhoudsloos en eenvoudig. Toch heeft de menselijke geest meer dan 2000 jaar tevergeefs geprobeerd die te doorgronden,..)
Marx voerde de veranderingen onder meer in om het objectieve karakter van zijn waardetheorie te versterken en om de tegenstelling tussen concrete en abstracte arbeid sterker te benadrukken. Hij werkte gedetailleerder het historisch maatschappelijk karakter van de waardesubstantie, de waardegrootte en de waardevorm uit en hij werkte duidelijker uit dat: “der Werth der Waaren nichts ist ausser ihrem Verhältnis zur Arbeit als ihrer gemeinschaftlichen Substanz” (de waarde van de waren is niets buiten haar verhouding tot arbeid als haar gemeenschappelijke substantie). In Het Kapital schrijft Marx dat het waarde-zijn van de waren “also rein gesellschaftlich ist” (dus zuiver maatschappelijk is).

Marx maakte ook duidelijker een begripsmatig onderscheid tussen de waarde en de ruilwaarde als de verschijningsvorm daarvan. In het nawoord van de tweede druk stelt Marx dan ook dat het begin van zijn boek “ist die Ableitung des Werths durch Analyse der Gleichungen, worin sich jeder Tauschwerth ausdrückt” (de afleiding van de waarde is door analyse van de vergelijkingen waarin zich iedere ruilwaarde uitdrukt). De waardevorm drukt niet alleen de waarde zelf, maar ook de waardegrootte uit. Dit moet duidelijk worden als je de tekst van Het Kapitaal zelf leest.

Marx veranderde in de tweede druk ook wat filosofische begrippen en redeneringen in economische, omdat hij te sterk met Hegel geïdentificeerd werd in de recensies en commentaren. Dat ging niet ten koste van het toepassen van de dialectische methode in Het Kapitaal, integendeel. In het nawoord van de tweede druk gaat Marx daarop in, evenals op andere veranderingen in de tweede druk. Marx schrijft daar dat de methode die hij in Het Kapitaal gebruikt, niet goed is begrepen. En hij benadrukt nog eens dat “meine dialektische Methode ist der Grundlage nach von der Hegelschen nicht nur verschieden, sondern ihr direktes Gegentheil” (mijn dialectische methode is fundamenteel niet alleen verschillend van die van Hegel, maar haar directe tegendeel). En ter verduidelijking voegt hij er aan toe: ”Bei mir ist umgekehrt das Ideelle nichts andres als das im Menschenkopf umgesetzte und übersetzte Materielle” (bij mij is omgekeerd het ideële niets anders dan het in de hoofden van de mensen omgezette en vertaalde materiële).

Marx wijst ook op een kwestie die steeds weer tot onbegrip leidt bij het lezen van Het Kapitaal, namelijk dat de methode van onderzoek verschilt van de manier van presenteren van de stof, maar dat dit beide aspecten zijn van de dialectische methode. Hij schrijft: “In het onderzoek moet men zich de materie tot in detail toe-eigenen, de verschillende ontwikkelingsvormen ervan analyseren en het onderlinge verband ontdekken. Pas als deze arbeid is volbracht, kan men de werkelijke beweging adequaat weergeven. Lukt dit en weerspiegelt zich nu het stoffelijke leven ideëel, dan lijkt het er op alsof men met een constructie a priori te doen heeft”. Dit onderscheid speelt nog steeds, ook in actuele discussies tussen marxisten. Zo maken bijvoorbeeld Ben Fine en Alfredo Saad-Filho in een discussie met Jim Kincaid in het laatste nummer van Historical Materialism onderscheid tussen vier methodische verschillen: “the order of abstraction (movement from simple and more abstract to complex and more concrete, value to price for example), the order (and nature) of causation (production prior to exchange), the order of presentation, and the order of investigation” (de volgorde van de abstractie (de beweging van het eenvoudige en meer abstracte naar complex en meer concreet, van waarde naar prijs bijvoorbeeld), de volgorde (en de aard van) de causaliteit (productie gaat vooraf aan de ruil), de volgorde van de presentatie en de methode van onderzoek).

Het stuk over het fetisjkarakter van de waar is ook stevig veranderd in de tweede druk. Marx had aan Kugelmann al eens geschreven over de schijngestalten van het kapitalisme: “De heersende klassen hebben er hier dus een absoluut belang bij om de hersenloze verwarring te vereeuwigen”. Hij schrijft: “Op het eerste gezicht schijnt de waar een alledaags en eenvoudig ding te zijn. Uit haar analyse blijkt dat het een bijzonder lastig ding is, vol metafysische spitsvondigheden en theologische grillen. Voor zover de waar gebruikswaarde is, is er niets geheimzinnigs aan (…). Waaruit vloeit het raadselachtige karakter, dat het arbeidsproduct krijgt zodra het in de warenvorm verschijnt, dan voort? Kennelijk uit deze vorm zelf. (…) Het geheimzinnige van de warenvorm ligt dus eenvoudig in de omstandigheid dat deze vorm voor de mensen het maatschappelijk karakter van hun eigen arbeid weerspiegelt als het concrete karakter van de arbeidsproducten zelf, als de maatschappelijk-natuurlijke eigenschappen van deze dingen. (…) Het is slechts de bepaalde maatschappelijke verhouding van de mensen zelf, die voor hen de fantasmagorische vorm van een verhouding tussen dingen aanneemt.” Ook dit wordt duidelijker als je de gehele tekst zelf leest.

Zoals gezegd bespreekt Marx de schijngestalten van de kapitalistische economie onder andere in zijn analyse van het arbeidsloon. In een brief aan Engels van 8 januari 1868 had Marx de “drei grundneuen Elemente des Buchs” (de drie wezenlijk nieuwe elementen van het boek) aangegeven en dat was naast de analyse van de meerwaarde in zijn zuivere vorm en de behandeling van het dubbelkarakter van de warenproducerende arbeid, in de derde plaats de behandeling van het arbeidsloon “als irrationelle Erscheinungsform eines dahinter versteckten Verhältnisses” (als irrationele verschijningsvorm van een daarachter verscholen verhouding). Op het eerste gezicht lijkt er niets geks aan het arbeidsloon, zelfs al is dat voor veel arbeiders vaak mager of te weinig om van te leven. Pas geleden schreef de hoofdredacteur van het blad van de Abvakabo FNV nog: “ik verzet werk en daar krijg ik loon voor”. Dat lijkt op het eerste gezicht alleszins redelijk en normaal. Marx laat zien wat die daarachter verscholen verhouding dan wel is en hij laat ook zien waarom ook hier weer de schijn de werkelijkheid lijkt. Dit begrip hebben we nodig, want anders begrijpen we bijvoorbeeld niet waarom het loonaandeel in de geproduceerde rijkdom van de belangrijkste kapitalistische landen de afgelopen decennia aanzienlijk is gedaald, terwijl er toch meer mensen zijn gaan werken en er ook harder gewerkt is. Marx laat zien dat de loonvorm zelf ieder spoor uitwist van de verdeling van de arbeidsdag in noodzakelijke arbeid en meerarbeid, in betaalde arbeid en onbetaalde arbeid en dat alle arbeid verschijnt als betaalde arbeid. De loonvorm versluiert dus de uitbuiting.

Ik zou nog iets zeggen over de Marx Engels Gesamtausgabe, de MEGA. Tijdens zijn leven is er maar een heel klein deel van het werk van Marx in druk verschenen. Na zijn dood werden dus het tweede en derde deel van Het Kapitaal door Engels uitgegeven. Daar kwam onder andere later nog bij de publicatie van de Theorien über den Mehrwert, de Parijse Manuscripten en de Grundrisse. Er verschenen ook andere losse uitgaven en we kennen de serie werkuitgaven in de vorm van de MEW, de Marx-Engels Werke. Al snel na de Russische revolutie begon men te denken aan een complete uitgave van het werk van Marx en Engels. Lenin zag dat als “een opdracht van internationaal belang”. Slechts vier van de geplande 28 delen konden toen worden uitgebracht. Een nieuwe impuls kwam er onder leiding van de Russische revolutionair David Rjazanov met de oprichting in 1921 van het Marx-Engels Instituut in Moskou. In 1927 verscheen het eerste van de geplande 42 delen van de MEGA in samenwerking met het Frankfurter Institut für Sozialforschung van Horkheimer. Met deel 12 werd in 1935 de eerste serie van de MEGA stopgezet. Hitler was intussen aan de macht gekomen en Rjazanov werd in 1938 door Stalin vermoord. Een belangrijk deel van de originelen van Marx en Engels, die in bezit waren van de Duitse SPD kwam terecht bij het IISG in Amsterdam. Ongeveer een derde van de originelen bevindt zich in Moskou. Gelukkig had Rjazanov kopieën gemaakt, want sommige originelen zijn intussen onherstelbaar beschadigd.

In de periode na 1956 werden er vanuit het Instituut voor Marxisme-Leninisme initiatieven genomen om de serie MEGA weer nieuw leven in te blazen. Ook door Walter Ulbricht in Oost-Berlijn werd druk uitgeoefend om verder te gaan met de MEGA. Door tegenwerking in Moskou gebeurde er weinig, totdat er in 1968 een plan gereed kwam voor publicatie van de MEGA bij Dietz Verlag. Er kwam een samenwerking met het IISG tot stand, dat niet zelf meedeed. Men plande 120 delen voor de eerstkomende 25 jaar en de opzet van de MEGA werd veranderd. Met de nieuwe wetenschappelijke richtlijnen kwam men zelfs tot een planning van 142 delen. In 1975 werd met de reguliere publicatie begonnen. Nieuwe problemen ontstonden na de val van de muur en het ineenstorten van de Sovjet-Unie. Maar in 1990 kwam een nieuw samenwerkingsverband tot stand in de vorm van de IMES, de Internationale Marx-Engels Stiftung. Feitelijke uitgever werd het IISG. Zo’n twintig procent van de oplage wordt verkocht in Japan. Alle delen bestaan uit twee aparte gebonden boeken, een met tekst en een met apparaat. De hele serie zal niet voor 2025 of 2030 klaar zijn. De boeken zijn erg duur, maar je kunt ze wel inzien, bijvoorbeeld op het IISG.

Als wij de kredietcrisis en de economische recessie of depressie van nu willen begrijpen, dan is het niet voldoende om alleen Das Kapital te lezen. Maar zonder dat is het onmogelijk om de wereld om ons heen werkelijk te begrijpen. En zonder begrip kunnen we de wereld ook niet veranderen. En daarop komt het toch aan, zoals Marx al in de elfde stelling over Feuerbach schreef.

Rob Gerretsen, 25 januari 2009 (inleiding op de winterschool van de IS in Amsterdam)

Volgende pagina »

Maak een gratis website of blog op WordPress.com.