Platform Rosa blog

Boekbespreking: Een leger van priesters voor een heilige zaak

De sociaal-democratie in het interbellum: van klasse naar natie en een nieuw beginselprogramma

Na de mislukking van Troelstra’s revolutiepoging in november 1918 raakte de leiding van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) in een isolement. Hoe moest deze arbeiderspartij die al langer haar zinnen had gezet op een langzame uitbouw van haar invloed in het verzuilde Nederland hier mee om gaan. Langs welke weg moest het einddoel van de socialistische maatschappij verwezenlijkt worden? Het onlangs verschenen boek Een leger van priesters voor een heilige zaak. SDAP, politieke manifestaties en massapolitiek 1918-1940 van de auteur Bernard Rulof gaat in op de heroriëntering in het tijdvak dat loopt van het einde van de Eerste Wereldoorlog via de Grote Depressie tot aan de Tweede Wereldoorlog.
Het verder aanpassen van de sociaal-democratie kreeg een extra impuls als gevolg van de mislukking van ‘november 1918’. Rulof beschrijft hoe het plansocialisme van Hendrik de Man, de religieus-socialisten rond Willem Banning en Koos Vorrinks Arbeiders Jeugd Centrale (AJC) probeerden het op de klassenstrijd gebaseerde socialisme van die dagen een minder exclusief op de arbeidersklasse gerichte grondslag te geven. De tijdens de Eerste Wereldoorlog ingezette politiek van de godsvrede werd, hoewel kort onderbroken door Troelstra in november van het laatste oorlogsjaar, in een iets andere vorm voortgezet. De sociaal-democratie was begonnen met het omarmen van de natie en streefde naar de totstandkoming van een ‘rood vaderland’.

‘Het rode vaderland’
De SDAP appelleerde aan de lotsverbondenheid of het gemeenschappelijke dat allen deelden: het lidmaatschap van de natie (waarvan zij deel uitmaakten, in tegenstelling tot de communisten en de nazi’s die respectievelijk ‘Moskou’ en ‘Berlijn’ zouden vertegenwoordigden). Koos Vorrink en Meyer Sluyser, de leider van het Bureau van Actie en Propaganda en uitgever van het colportageblad Vrijheid, Arbeid, Brood, streefden naar de vorming van een gemeenschap solidaire democraten die het geloof in de democratie met elkaar deelden en benadrukten daarom het belang van het gemeenschappelijke, van beleving, gevoel en lotsverbondenheid. De Planactie, die als doel had het bestrijden van de economische crisis, wilde vooral bijdragen tot een ‘levend en scheppend volksbesef’. De betrokkenheid van het individu met en zijn participatie in de (nationale) gemeenschap was cruciaal. Net als tijdens de heroïsche beginfase van de sociaal-democratie moest de eenheid tussen massa en partij gevormd worden. Het verschil echter was dat de SDAP nu de gehele natie wilde leiden in de strijd tegen de krachten die haar bedreigden.
Om een acceptabel alternatief te zijn voor de burgers van verschillende achtergrond, moest de partij achterban en buitenstaanders mobiliseren zich gezamenlijk in te zetten voor het belang van de natie. Terwijl Sluyser de van elkaar vervreemde burgers door hun gezamenlijke deelname tot één krachtige beweging wilde doen samensmelten, probeerde Vorrink hetzelfde doel te bereiken met zijn massamanifestaties. Een rijke ‘feestcultuur’ moest de ‘levensvreugde’ en gemeenschapszin der feestgenoten’ helpen vormen en in stand te houden. De deelname aan het ‘feestelijke samenzijn versterkt de moed en het blijmoedig vertrouwen van de enkele mens, die er als een organisch deel ener gemeenschap aan deelneemt’.
Acties en massabijeenkomsten zoals op 1 mei moesten ertoe bijdragen de spagaat tussen het belang van het geheel (de sociaal-democratie die zich voor het belang van de natie inzette) en het deelbelang (van afzonderlijke maatschappelijke groepen) mogelijk te maken. Eind negentiende en begin twintigste eeuw kreeg de sociaal-democratie nog veelvuldig te maken met tegenwerking door de plaatselijke autoriteiten die bevreesd waren voor ordeverstoringen. Dit verandert en in een plaats als Amsterdam staat zelfs de politieleiding positief ten opzichte van de demonstratievrijheid van de SDAP en NVV. De grootschalige bijeenkomsten verlopen ordelijk en laten tegelijk zien hoe verantwoordelijk de sociaal-democratie geworden is. De acties en massabijeenkomsten moesten de politieke strijd bovendien boeiender en dramatischer maken. In deze zin was de politieke stijl van de veelvuldige massabijeenkomsten met hun optochten en redevoeringen vooral een middel om een eenheid te smeden. Hierbij was een belangrijke rol weggelegd voor de jongeren (AJC)en de vrouwen van de Bond van Sociaal-Democratische Vrouwenclubs.
Uitgebreid zet Rulof uiteen hoe de sociaal-democratie gebruik probeert te maken van de nieuwste inzichten van het reclamewezen. Gezien de benodigde bedragen voor het diverse campagnes en vlugschriften als Vrijheid, Arbeid, Brood groeide de aandacht voor de financiering hiervan.

Opkomst fascisme en ‘warme politiek’
De Europese sociaal-democratie onderging in de jaren dertig van de vorige eeuw een ingrijpende verandering. Reagerend op de opkomst van het fascisme in vooral Duitsland herzagen de partijen hun programma, strategie en tactiek. Oude standpunten en mislukte pogingen om de politieke macht te veroveren door te appelleren aan ‘de arbeidersklasse’ alleen maakten plaats voor wat men aanvankelijk nog aanzag voor tactische flexibiliteit en de oproep aan bredere maatschappelijke groeperingen om gezamenlijk het hoofd te bieden aan stijgende werkloosheid, fascisme en nationaal-socialisme. Het Plan van de Arbeid in België en Nederland én de campagnes die hiervoor in beide landen werden gevoerd, laten zien dat de partij en vakbeweging een grote bereidheid tot het voeren van acties verbonden aan een nog steeds diepgaand voorstel tot maatschappelijke verandering. Overigens zou het Plan in Nederland geen concrete toepassing vinden.
Naast de propaganda voor het Plan van de Arbeid pleitte de partij voor een meer humanistische, ethische vorm van socialisme dat zich bovendien niet meer exclusief op de arbeidersklasse moest richten. Het in 1915 opgerichte Religieus Socialistisch Verbond (RSV) wees de materialistische en deterministische aspecten van het klassieke marxistische socialisme af en maakte zich onder leiding van dominee Willem Banning sterk voor een vorm van gevoelssocialisme. De partijleiding zag in de religieus-socialisten van RSV en Arbeiders Gemeenschap der Woodbrookers (AG) een middel om vat te krijgen op de confessionele arbeiders (protestant en katholiek) en trad de groep welwillend tegemoet. Bovendien zag Banning hierin een middel om de groeiende populariteit van het fascisme te bestrijden.
Niet iedereen in de SDAP was daar even blij mee, zoals blijkt uit de polemiek die partijcoryfee Frank van der Goes voerde in het partijblad Het Volk.

Een nieuw beginselprogramma
Willem Banning, Koos Vorrink en Meyer Sluyser zetten zich al geruime tijd in voor de herziening van de partijbeginselen van 1912. Het Plan van de Arbeid was natuurlijk een duidelijke afzwakking van de oude eis van socialisering van de productiemiddelen. Het historisch materialisme was ondertussen vervangen door een appèl aan emotie en gemeenschapsgevoel. De verdediging van de parlementaire democratie was nu een van de hoofddoelstellingen van de sociaal-democratie. De oriëntatie op de arbeidersklasse was ingeruild voor die op de natie. Die natie moest ook de beschikking hebben op een militair apparaat. Het gevolg was dat de partij de nationale ontwapening op gaf. Dit kon overigens weer niet op de instemming rekenen van Banning, een van de architecten van de koerswijziging die zou leiden tot het nieuwe gematigde beginselprogramma van 1937. Hiermee legde deze nieuwe generatie van partijleiders de basis voor het doorbraaksocialisme van de Tweede Wereldoorlog.
Een deel van de leden, zoals Jacques de Kadt en Frank van der Goes, kon zich niet vinden in een verder opschuiven naar het midden en koos voor de oppositie. Aanvankelijk nog binnen de partij, maar toen dat niet meer kon richtten zij in 1932 een nieuwe organisatie op: de Onafhankelijke Socialistische Partij (OSP). Aan die OSP met sterke wortels in de AJC, besteedt Rulof opmerkelijk weinig aandacht. Hij voert De Kadt op als partijdissident, terwijl hij de SDAP op dat moment al verlaten heeft. De OSP heeft hij dan ondertussen ook al de rug toegekeerd.

Ten slotte
Een leger van priesters voor een heilige zaak laat zien hoe de SDAP probeerde met moderne vormen van communicatie en strak geregisseerde politieke massabijeenkomsten uit haar isolement te komen. De nieuwe middelen en het opkomende tij van massawerkloosheid, fascisme en communisme resulteerden in het bijstellen van de doelen van de SDAP. Het socialisme werd meer en meer alleen voor zon- en feestdagen, zoals de eerste mei. De ‘heilige zaak’ had steeds minder met het einddoel van een socialistische maatschappij te maken. Een aanpassing van het beginselprogramma was dan ook onvermijdelijk.

Ron Blom

B. Rulof, Een leger van priesters voor een heilige zaak. SDAP, politieke manifestaties en massapolitiek 1918-1940, 400 p., 34,90 euro

Geef een reactie »

Nog geen reacties

RSS feed for comments on this post. TrackBack URI

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Maak een gratis website of blog op WordPress.com.