Platform Rosa blog

16 februari 2009

Tomaatnet website gaat naar weblog

Filed under: Welkom en spelregels — platformrosa @ 11:14 14

Aangezien de SP stopt met het aanbieden van homepages via tomaatnet – en omdat het toch prettiger is om alle informatie bij elkaar te hebben – gaat de inhoud van de website langzaam maar zeker over naar pagina’s op het weblog. Graag vestigen we je aandacht op de boekbesprekingen en op de partijdocumenten die je in de rechterkolom (onder “pagina’s”) kunt vinden.

Advertenties

12 februari 2009

Partijbestuur gooit Offensief uit de SP

Filed under: Democratie in de SP,Partijorganisatie,Socialisme — platformrosa @ 12:06 06

Via de website van Offensief vernamen we dat het Partijbestuur van de SP besloten heeft om Offensief-leden expliciet uit te sluiten van het partijlidmaatschap, daarmee de weg vrij makend voor het royement van deze leden, én andere kritische socialisten binnen de partij. Platform Rosa – één van de opbouwend-kritische platforms binnen de SP – staat lijnrecht tegenover deze beslissing. Socialisten horen thuis binnen de SP, net als iedereen die zich hard wil maken voor een maatschappij waar gelijkwaardigheid, menselijke waardigheid en solidariteit voorop staan. De arbeidersbeweging heeft een lange traditie van pluriformiteit, en als de SP claimt dé vertegenwoordiger van de ‘gewone mensen’ te willen zijn, dan zal ze zich ook op moeten stellen als een brede, pluriforme partij waar ruimte is voor verschillende opvattingen. Platform Rosa zal deze ingeslagen weg van de partijleiding met kracht bestrijden. Hieronder plaatsen we de open brief van het secretariaat van Offensief.

Open brief aan de leden en sympathisanten van de Socialistische Partij

Nee tegen royementen – voor een strijdbare, democratische SP! Het partijbestuur van de SP heeft besloten dat SP-leden niet langer eveneens lid mogen zijn van de socialistische groep Offensief. Hiermee wordt de weg vrijgemaakt om alle Offensief-leden uit de SP te royeren. Ons wordt maar zeer beperkte mogelijkheden geboden ons binnen de structuren van de SP te verdedigen, vandaar dat we deze open brief publiceren aan alle SP-leden en –sympathisanten. Juist in een tijd, dat de economie wereldwijd in crisis raakt, het ene na het andere bloedige conflict oplaait, het kapitalistische systeem meer en meer in diskrediet komt, en Marx weer populair wordt, besluit het partijbestuur om diegenen die het hardst stelling nemen voor een socialistische verandering, uit de SP te smijten. Wat is er aan de hand?

Een verklaring van het Nationaal Secretariaat van Offensief

Wat is Offensief?

Offensief is een socialistische groep, onderdeel van een internationale organisatie, het Comité voor een Arbeidersinternationale (CAI/CWI). We zijn georganiseerd rond een aantal specifieke ideeën. Wij vechten voor een fundamentele, socialistische verandering van de maatschappij, inclusief het in gemeenschap brengen van de grote bedrijven en financiële instellingen, en voor een democratisch geplande economie die draait om de behoeften van de bevolking in plaats van om winst. Wij zijn echter altijd tegenstanders geweest van de systemen zoals die bestonden in Rusland na de machtsgreep door Stalin, Oost-Europa en China. Socialisme kan volgens ons niet werken zonder democratie.

Hoewel we georganiseerd zijn rond specifieke ideeën, hebben wij onszelf steeds gezien als deel van de brede arbeidersbeweging, met al haar variëteiten en schakeringen. Sinds het kapitalisme bestaat, hebben de arbeiders (de gewone werkende en werkloze mensen en hun gezinnen) zich georganiseerd om voor hun belangen op te komen. In vakbonden streden zij voor betere lonen en werkomstandigheden; in politieke, socialistische partijen organiseerden zij zich om deze eisen te veralgemenen en te vertalen naar een politiek beleid met als doel een betere maatschappij. De ideeën waar Offensief voor staat, onze interpretatie van het marxisme, hebben altijd deel uitgemaakt van die bredere arbeidersbeweging en van brede arbeiderspartijen.

Waarom is Offensief in de SP gegaan?

Tientallen jaren zagen arbeiders de PvdA als hun partij, de partij die voor de arbeiders opkwam. Offensief maakte om die reden in het verleden deel uit van de PvdA. Maar eind 80er, begin 90er jaren van de vorige eeuw verrechtste de PvdA in snel tempo. Voor veel arbeiders werd een breekpunt bereikt toen de PvdA in 1991 verantwoordelijk was voor de afbraak van de WAO. Tienduizenden kwamen in protest de straat op, en nog veel meer mensen keerden de PvdA de rug toe. Zij concludeerden terecht dat de PvdA hun partij niet meer was. Daarmee waren de arbeiders in Nederland in feite politiek dakloos geworden.

Sindsdien is de PvdA verder gegaan op dezelfde rechtse koers. Het is een neo-liberale partij geworden, die hooguit nog de schijn ophoudt sociaal te zijn. De PvdA was medeverantwoordelijk voor de afbraak van het zorgstelsel, en heeft bloed aan haar handen door de oorlog in Afghanistan. Nu met de kredietcrisis kan “bankier Bos” tientallen miljarden vinden om de banken te redden, maar voor sociale voorzieningen is er géén geld.

De SP is in de afgelopen periode voor steeds meer mensen een alternatief geworden. Wij van Offensief zagen dat ook. We zagen dat de SP duidelijk stelling nam tegen het neoliberalisme; dat de SP actie op straat als een belangrijk middel voor verandering zag; dat SP-ers in gemeenteraden en Tweede Kamer alleen een modaal salaris ontvingen, en dus niet meededen met de zakkenvullerij van andere partijen; dat de SP niet langer probeerde eigen vakbonden op te zetten maar zich terecht begon te richten op de massa-vakbond FNV; en dat de SP een socialistische maatschappij als einddoel had. Wij concludeerden dat de SP het potentieel had om uit te groeien tot een nieuwe, brede arbeiderspartij, een instrument dat arbeiders zo nodig hebben. Wij wilden hieraan graag ons steentje bijdragen, en besloten in 1998 om lid te worden van de SP, en te helpen de SP op te bouwen. We gingen er van uit dat de SP een open, democratische partij was geworden, waar ruimte was voor verschillende stromingen, zo ook de onze. We hebben nooit verborgen dat we georganiseerd zijn, dat we onze eigen leden, bijeenkomsten en publicaties hebben. We gingen er van uit dat de SP open stond voor kritiek, en hebben de kritiek die we wel degelijk hadden ook niet verzwegen.

Ontwikkelingen binnen de SP en de kritiek van Offensief

Ons is verweten dat we te kritisch zijn tegenover de SP. We zagen enorme kansen voor de SP, maar ook gevaren. Al snel nadat we lid waren geworden van de SP, werd het nieuwe beginselprogramma “Heel de Mens” aangenomen. Wij waarschuwden toen dat dit programma in feite een afzwakking ten opzichte van het oude programma betekende, het “Handvest 2000”. In dat “Handvest 2000”stond het streven naar een fundamenteel andere, socialistische maatschappij waarin de chaos van de markt vervangen zou worden door gemeenschapsbezit van banken en bedrijven, en door democratische planning, expliciet benoemd; in het daaropvolgende beginselprogramma “Heel de mens”is dat niet langer het geval. “Heel de Mens” kan misschien met een grote dosis creativiteit nog steeds uitgelegd worden als een socialistisch programma, maar het maakt ook de weg vrij om afstand te nemen van de oude socialistische idealen, en de weg op te gaan van een sociaal-democratisch programma – slechts de scherpe kantjes van het kapitalisme afhalen, zonder de maatschappij fundamenteel te veranderen. Offensief heeft uiteraard de waarheid niet in pacht, ook wij hebben ons in het verleden meermaals vergist. We willen de discussie daarover niet uit de weg gaan. Uit ons verleden in de PvdA hebben we echter een belangrijke les getrokken. De ontwikkeling van de PvdA naar een neoliberale partij was geen toeval, maar het logisch gevolg van het verlaten van de socialistische idealen. Wat begint als een pragmatischer sociaal democratische koers eindigt onvermijdelijk daar waar de PvdA is beland.

De gevolgen van die koerswijziging laat zich op allerlei vlakken voelen. De standpunten van de SP over de NAVO en het koningshuis zijn de afgelopen jaren afgezwakt. Ook in de praktijk is er een verschuiving opgetreden. De actie werd minder belangrijk, en de parlementaire weg steeds belangrijker. De SP heeft enorme mogelijkheden laten liggen om het voortouw te nemen in het organiseren van een strijdbare oppositie binnen de vakbeweging en in het organiseren van massale actie. In plaats daarvan worden alle kaarten gezet op het winnen van stemmen, zetels, en steeds meer ook op regeringsdeelname. Wij denken dat het meedoen aan verkiezingen, het plaatsnemen in gemeenteraden en Tweede Kamer zeer nuttig kan zijn, maar dat werkelijke veranderingen niet kunnen worden afgedwongen zonder massale actie.

Lokaal is de SP al in coalities gestapt met neo-liberale partijen. Dit heeft tot gevolg gehad dat de SP lokaal heeft meegewerkt aan verslechteringen, zoals bijvoorbeeld de privatisering van een busbedrijf in Nijmegen. Nu richten alle pijlen zich op regeringsdeelname, in coalitie met de PvdA of zelfs het CDA, zoals Marijnissen in de Volkskrant betoogde. Wij hebben hier steeds tegen gewaarschuwd; niet dat we in principe tegen regeringsdeelname of coalities zijn, maar een coalitie waaraan de SP deelneemt zou een duidelijke breuk moeten maken met het neo-liberale beleid. Zo’n coalitie zou een socialistisch programma moeten doorvoeren, met speerpunten als arbeidstijdverkorting met behoud van loon, grote investeringen in zorg, onderwijs en openbaar vervoer, terugdraaien van privatiseringen en verhoging van de uitkeringen en het minimumloon. Wij betwijfelen of een dergelijk programma kan worden uitgevoerd in een coalitie met neo-liberale partijen als de PvdA en zeker het CDA. Eerder nog zou de SP in zo’n coalitie door de andere partijen gebruikt worden om het vuile werk op te knappen en bezuinigingen door te voeren, zeker in een situatie van economische crisis. Daarmee zou de SP haar eigen graf delven.

Waarom royementen?

Wij denken dat het juist vanwege onze kritiek op regeringsdeelname met neo-liberale partijen is, dat het partijbestuur ertoe over is gegaan om Offensief-leden te royeren. Het lijkt wel alsof het deze kritiek de mond wil snoeren, en hoopt zo te voorkomen dat een meer wijdverspreide oppositie tegen regeringsdeelname ontstaat als de SP in de toekomst in een coalitie zou stappen. Zou het kunnen dat Offensief slechts het eerste slachtoffer is? Is het doordat we consequent zijn in onze ideeën en georganiseerd dat we ondanks onze geringe grootte een bedreiging vormen voor diegenen die koste wat kost in de regering willen komen?

Als het zo is en er komt geen protest tegen dit soort methoden, dan zal de leiding van de SP er niet voor terugdeinzen om in de toekomst ook vele andere leden, die in haar ogen te links of te kritisch zijn, de partij uit te smijten. Het besluit dat wij niet langer welkom zijn in de SP is genomen zonder ons ook maar één gelegenheid te geven onszelf te verdedigen. De speciale onderzoekscommissie die werd ingesteld naar Offensief heeft geen van onze leden gehoord, wij zijn niet eens op de hoogte gesteld van haar bestaan.

Met dergelijke methoden speelt de partijleiding de tegenstanders van de SP in de kaart, die maar al te graag de SP afschilderen als een dictatoriale, stalinistische partij. In het post-stalinistische tijdperk heerst er sowieso veel wantrouwen tegenover politieke partijen onder gewone jongeren en arbeiders. Een gebrek aan openheid en interne partijdemocratie, elke zweem van centralisme en top-down-methoden, zal jongeren en arbeiders weerhouden om zich aan te sluiten, laat staan zich actief in te zetten, bij de SP. Zolang de partij er electoraal op vooruit gaat, zal het effect daarvan zich nauwelijks laten voelen, maar zodra het electoraal wat minder wordt kan dit een uittocht tot gevolg hebben.

Sinds wij zijn toegetreden tot de SP, hebben wij tegenwerking vanuit de partijleiding ondervonden. We werden bij verschillende gelegenheden onder druk gezet om ons blad niet te verkopen, en enkele van onze leden werden uit ROOD, de SP-jongerenorganisatie, geschorst, één zelfs geroyeerd. Steeds werd dit met bureaucratische argumenten verdedigd. Als hoofdreden voor het laatste besluit van het partijbestuur wordt gesteld, dat Offensief een “partij in de partij” zou vormen. Maar de arbeidersbeweging heeft, in Nederland en internationaal, een traditie van openheid, van vrije democratische discussie, inclusief het recht om je binnen de partij te organiseren rond specifieke ideeën– als een platform, een fractie, of, zo zou het partijbestuur het zien, als “partij in de partij”. Ook in de communistische partij van Rusland was dit lange tijd heel normaal. En met reden: als je de zware taak op je neemt om de maatschappij te veranderen, dan is een open en vrije uitwisseling van ideeën binnen je partij over de weg vooruit absoluut noodzakelijk. Pas onder Stalin, en later onder Mao, ontstonden de monolithische communistische partijen waarin kritiek en fractievorming een misdaad was. Zijn dat de tradities waarop de partijleiding wil teruggrijpen?

Sluit je bij ons aan!

We betreuren deze ingreep van de partijleiding, maar zullen ons niet zomaar het zwijgen laten opleggen. Elke dag zien we het failliet van het kapitalisme, worden we geconfronteerd met economische crisis, ecologische crisis, oorlog in Gaza en Afghanistan… De strijd voor het socialisme is actueler dan ooit. Wij roepen leden en sympathisanten van de SP op om samen met ons te vechten voor het socialisme. Wij roepen niet op om de SP te verlaten, maar samen met ons te vechten voor een echte en democratische socialistische partij, binnen en buiten de SP. Sluit je bij ons aan!

7 februari 2009

Demonstreer mee tegen de PVV!

Filed under: Aankondigingen — platformrosa @ 2:34 34

Hieronder een oproep voor een protest tegen Wilders’ PVV op maandag 16 februari 2009 in Waddinxveen van Doorbraak.

—————————–
Demonstreer mee tegen de PVV!

Op maandag 16 februari 2009 organiseert de extreem-rechtse PVV in de Zuid-Hollandse gemeente Waddinxveen een bijeenkomst om “in discussie” te gaan met de eigen achterban. Ook Geert Wilders zal van de partij zijn. Wij organiseren een tegenprotest, met lawaai en toespraken. Wij laten ons niet weerhouden door de slachtofferrol die de PVV zichzelf zo graag aanmeet. Wij komen juist op voor de slachtoffers van de politiek waar die partij voor staat. Niet alleen migranten lijden onder de voortdurende racistische en discriminerende aanvallen, ook voor alle andere mensen aan de onderkant van de samenleving heeft de partij weinig goeds in petto. De PVV is een keiharde neo-liberale partij die het minimumloon af wil schaffen en rijken rijker en de armen armer wil maken. Ook wil de PVV morrelen aan het zelfbeschikkingsrecht van vrouwen: men wil het recht op abortus inperken. Wij roepen iedereen op, “allochtonen” en “autochtonen”, om zich niet tegen elkaar uit te laten spelen en samen te ijveren voor een samenleving zonder racisme, nationalisme en religieus fundamentalisme.

De bijeenkomst van de PVV vindt plaats in het centrum van Waddinxveen, in zaal Het Trefpunt op de Stationsstraat. Dat ligt slechts op 50 meter van het treinstation Waddinxveen dat aan de lijn Gouda – Alphen aan den Rijn ligt. Bij dat station verzamelen we om 18:15 uur. Let op, Waddinxveen heeft twee stations. Stap niet uit bij station Waddinxveen Noord. Komt allen!

Anti-Fascistische Aktie (AFA), Doorbraak, Offensief, AAGU

De tekst van de folder die we ter plekke uit zullen delen:

Zeg nee tegen de PVV!

Vanavond vindt hier in Waddinxveen een bijeenkomst plaats van de PVV van Geert Wilders. Hij wil “in discussie” met zijn achterban. Wij staan eveneens hier, maar dan om een geluid tegen het gedachtegoed van de extreem-rechtse PVV te laten horen. We weigeren ons de mond te laten snoeren door het zelf aangemeten slachtofferschap van Wilders.

Afschaffen minimumloon
De PVV kenmerkt zich door een keihard neo-liberaal, racistisch en vrouwonvriendelijk programma. Men zegt op te komen voor de gewone man en vrouw, maar steunt vooral de werkgevers en hogere inkomensgroepen. Zo wil de PVV het minimumloon afschaffen, sociale voorzieningen en verworvenheden afbreken, iedereen evenveel belasting laten betalen en de flexibilisering van de arbeid bevorderen. De PVV is er op uit om de armen armer en de rijken rijker te maken.

Discriminatie
De PVV maakt voorts op grove wijze stemming tegen migranten, vluchtelingen, en vooral Antilliaanse Nederlanders en moslims door hen te criminaliseren als “profiteurs”, “fraudeurs” en “terroristen” met “een achterlijke cultuur”. Ook wil de partij een verbod op immigratie van niet-westerse migranten. Dat komt feitelijk neer op onderscheid maken op basis van huidskleur, en dat is discriminatie en in strijd met internationale mensenrechtenverdragen. De PVV roept ook op om de koran en nieuwe islamitische gebedshuizen en scholen te verbieden. Dat komt neer op het afschaffen van de vrijheid van godsdienst die is vastgelegd in de grondwet. De PVV is bezig om bevolkingsgroepen tegen elkaar op te zetten en lijkt uit op een burgeroorlog. De partij maakt onderdeel uit van het probleem, in plaats van de oplossing.

Tegen vrouwenrechten
Wilders doet alsof hij opkomt voor de rechten van vrouwen en homo’s. Hij zegt homohaat en geweld van moslimmannen tegen hun vrouwen te veroordelen. Maar het gaat hem daarbij uitsluitend om het aanvallen van moslims. Want voorstellen om migrantenvrouwen een zelfstandige verblijfsvergunning te geven steunt de PVV niet. De partij zegt verder niets over het feit dat vrouwenmishandeling ook veel voorkomt in “autochtone” kringen, en dat afkeuring van homoseksualiteit ook in sommige rechtse en christelijke kringen nog schering en inslag is. De PVV wil ook de mogelijkheden voor het plegen van een abortus sterk inperken.

Verbodspartij
De PVV is intern ondemocratisch en buitengewoon hiërarchisch georganiseerd. Vrijwel alle macht berust bij Wilders, het enige lid van de PVV. Zijn “achterban” mag hier vanavond op komen draven om zijn partij enige schijn van legitimiteit te kunnen verlenen, maar verder dient men zich koest te houden: Wilders bepaalt zelf wel wat hij wil. De PVV heeft verder de mond vol van de vrijheid van meningsuiting. Maar de partij wil politieke tegenstanders de mond snoeren, subsidies afnemen, laten ontslaan of het land uitschoppen. De partij wil werkelijk alles wat haar niet zint verbieden. Dat heeft niets meer met vrijheid te maken. Dat riekt naar dictatoriale opvattingen. Wij roepen iedereen op, “allochtonen” en “autochtonen”, om zich niet tegen elkaar uit te laten spelen en samen te ijveren voor een samenleving zonder racisme, nationalisme en religieus fundamentalisme.

Anti-Fascistische Aktie (AFA), Doorbraak, Offensief, AAGU

2 februari 2009

Korte geschiedenis van het Sneevliet hedenkingscomité

Filed under: Gastposting,Historie — platformrosa @ 3:23 23

Door Dick de Winter, voorzitter van het comité.

Na de dood van Henk Sneevliet en zijn medestrijders viel het Marx-Lenin-Luxemburg-Front (MLL-Front), de illegale organisatie van de Revolutionair Socialistische Arbeiders Partij (RSAP) tijdens de Tweede Wereldoorlog, uiteen in twee groeperingen. Splijtzwam was de verdediging van de Sovjet-Unie. Het trotskistisch Comité van Revolutionaire Marxisten (CRM) pleitte vóór verdediging, terwijl Spartacus dat politiek in radencommunistische richting evolueerde, tegen die verdediging was. Politieke divergentie heeft in het latere Sneevliet Herdenkingscomité ook nog wel eens tot politieke en soms ook persoonlijke wrijving aanleiding gegeven. Maar het Comité is geen vereniging of partij en functioneert naar tevredenheid als een bloemencomité.

Hoe het begon …
In 1945 werd een Comité opgericht om de crematie van de gevallenen te regelen. Er waren ook plannen voor een monument op Westerveld, een in de Noord-Hollandse duinen gelegen crematorium/begraafplaats in de plaats Velsen. Op zaterdag 10 november 1945 trok een lange stoet mensen door Amsterdam achter auto’s en volgkoetsen naar het standbeeld van Domela Nieuwenhuis, de grote wekker van de Nederlandse arbeidersklasse in de 19e – en begin 20ste eeuw. Vandaar reisde men naar Westerveld waar de crematie plaatsvond. Het was een indrukwekkende stoet.
Een jaar later werden de urnen, alleen door de vrouwen en familileden, in het monument dat gebouwd was bijgezet.
De jaren daarna tot 1952 werd er praktisch niet naar het monument omgekeken.

In 1951 stelden vakbondsleider Toon van den Berg en de latere biograaf van Henk Sneevliet Piet van ’t Hart (pseud. Max Perthus) voor om in 1952, tien jaar na de executie, een brochure ter herinnering aan de gevallenen uit te geven. Er moest zoveel in! Het werd uiteindelijk een eerste gedenkboek: Voor Vrijheid en Socialisme, geschreven door Max Perthus. Het kwam anderhalf jaar later, in 1953, uit. De drukker was Eddy van Lambaart die in de illegaliteit een tijdlang de krant Spartacus voor het MLL-Front had vervaardigd. Hij was bereid het boek te drukken en voor een deel ook financieel risico te lopen. Gelukkig verkocht het boek goed. Na een paar jaar was het uitverkocht. Het is nu een zeldzaam antiquarisch boek.

In het jaar 1951 werd het Sneevliet Herdenkingscomité opgericht. Zonder de andere revolutionairsocialisten te kort te willen doen: de naam Sneevliet is nu eenmaal een bekende naam voor de buitenwereld. Een oproep van het Sneevliet Herdenkingscomité aan politieke vrienden en geestverwanten, met instemming van de families, vond in het land grote weerklank. Dat resulteerde in een eerste herdenking. Die vond plaats op 13 april 1952 in het gebouw Bellevue, zeer bekend in Amsterdam, en aansluitend op Westerveld bij het monument.

… en hoe het verder ging
Er waren daarna stemmen die het Comité wilden opheffen vanuit de gedachte niet aan persoonsverheerlijking te willen doen. Het was Marie de Jong-Lagerwaard die het Sneevliet Herdenkingscomité niet wilde loslaten. Ze had zich toen voorgenomen, vertelde ze me jaren later, elk jaar zolang de vrouwen van de omgekomen mannen leefden de gevallenen op Westerveld te zullen herdenken. Vanaf 1953, meer dan veertig jaar – Marie overleed in 1997- , heeft ze dat in goede samenwerking met mijn moeder Hennie de Winter- van Tilborg volgehouden. Uiteraard werden zij ondersteund door de andere leden van het Comité. Daar behoorden familieleden van de gevallenen toe als Ellen Santen, Pien Visser-Menist en Frans Dolleman. Maar ook politieke geestverwanten als Theo van Veen die in 1988 met Sneevliets dochter Sima Sneevliet zou trouwen. Het was haar gelukt om vanuit de Sovjet-Unie definitief naar Nederland te komen.
Het staat buiten kijf dat de wilskracht en doorzettingsvermogen van Marie de Jong-Lagerwaard van beslissende betekenis zijn geweest voor het voortbestaan van het Comité. Ook na haar dood kwamen er weer stemmen op die het wilden opheffen. Maar het tegenwoordige driekoppige bestuur wilde daar niets van weten. De opkomst blijft zeer bevredigend. Er is nog steeds aanwas van nieuwe belangstellenden waaronder jongeren. Daar zijn we blij mee.

Sinds 1953 verzorgt het Sneevliet Herdenkingscomité dat ook enige tijd onder de weinig aansprekende naam voor de buitenwereld als Herdenkingscomité Gefusilleerden 13 april-1942-16 oktober bekend stond, een jaarlijkse circulaire. Op 13 april en op 16 oktober werden altijd bloemen bij het monument gelegd. Ook op 16 oktober, want op die datum in 1942 werden de strijders van het MLL-Front Aaldert IJmkers en Johan Roebers die als gijzelaars gevangen genomen waren, als represaille in de bossen bij Austerlitz door de Duitsers vermoord. Ook werd 1 mei, de Dag van de Arbeid, niet overgeslagen. Ook dan werden er bloemen bij het monument gelegd.
Bij het monument op Westerveld wordt totnutoe altijd een rede uitgesproken en worden gedichten gezegd. In de omgeving is een zaal gehuurd zodat men daar rustig kan bijpraten. De gezellige reünie-achtige sfeer die ontstaat, wordt nogsteeds gewaardeerd. In de loop der jaren zijn veel belangstellenden overleden of waren niet meer goed in staat op doordeweekse dagen de in totaal drie herdenkingen per jaar bij te wonen. Een aantal jaren geleden werd daarom besloten de herdenking een keer per jaar op een zondag, op of omstreeks 13 april, te houden. Men was dan ook beter in staat vervoer per auto te regelen.

Er is al die jaren veel door het Sneevliet Herdenkingscomité tot stand gebracht. Te veel om op te noemen. Een aantal activiteiten moeten worden gememoreerd:

*Hoogtepunten waren de grote herdenkingen in Marcanti in Amsterdam in 1972 en in Hotel Lion d’Or in Haarlem in 1992. Er waren sprekers, er was een (kleine) tentoonstelling en er werd muziek ten gehore gebracht. De belangstelling was groot.

*In 1976 werd aan acht universiteiten een serie lezingen gorganiseerd over ‘Sneevliet en de Chinese revolutie’ met als spreker Bov Bing.

*Onvermoeid ijveren heeft er ook toe geleid dat in de deelgemeente Hoogvliet in Rotterdam straten naar Henk Sneevliet en Ab Menist (in 1974) werden vernoemd. In 1994 kwam daar nog de Mien Sneevliet-Draaijerstraat bij. In andere plaatsen, zoals bijvoorbeeld in Amsterdam, kreeg een belangrijke weg en een Metrostation de naam van Henk Sneevliet. Ook in Zwolle, waar Henk Sneevliet heeft gewoond, werd een staat naar hem vernoemd.

*In 1973 werd met grote en kleine bijdragen geld bijelkaar gebracht zodat het monument op Westerveld dat tekenen van verval begon te vertonen, kon worden gerestaureerd. Bovendien werd vijf jaar later een apart fonds gevormd dat ook als alle comitéleden zouden wegvallen voldoende zou zijn de bloemlegging voor een aantal jaren zeker te stellen.

*In 1984 verscheen het tweede gedenkboek: Internationaal Socialisme.

*In 2002 kwam een meer uitgebreid derde gedenkboek uit: Wij moesten door … .

*Natuurlijk ligt de ontmoeting met de Chinese delegatie van het museum in Shanghai in april van 2008 nog vers in ons geheugen. Het Sneevliet Herdenkingscomité heeft toen een bijdrage kunnen leveren aan het onderzoek van de delegatie in Nederland en aan de voorbereidingen voor de tentoonstelling over Henk Sneevliet die in 2009 zal worden geopend.

We hopen dat de herinnering aan de politieke overtuiging van Henk Sneevliet en zijn medestanders niet verloren gaat en in de toekomst een blijvende inspiratie zal blijven.

Dick de Winter (voorzitter)

1 februari 2009

I have a dream

Filed under: Historie — platformrosa @ 2:37 37

Op 16 januari zou Martin Luther King tachtig jaar zijn geworden, als hij niet op 4 april 1968 vermoord zou zijn geweest. King is bekend vanwege zijn voortrekkersrol in het verzet tegen het – nog steeds – geïnstitutionaliseerde racisme in de VS in de jaren ’60. Met name zijn legendarische toespraak ‘I had a dream is bekend’ geworden. Bekijk ‘m hieronder.

Een paar inleidende opmerkingen over Het Kapitaal

Filed under: Gastposting,Historie,Socialisme — platformrosa @ 2:32 32

Bijgaand een bijdrage naar aanleiding van een inleiding over Het Kapitaal van Karl Marx gegeven op de afgelopen winterschool van de International Socialisten door Rob Gerretsen.

Een paar inleidende opmerkingen over Het Kapitaal
Begin januari 2009 schreef Raymond van den Boogaard in het Cultureel Supplement van NRC Handelsblad een stukje over Das Kapital van Marx, onder de titel ‘Marx verfilmd voor luie lezers’. Hij vertelt dat in Japan Het Kapitaal wordt uitgebracht als strip op klein formaat. En er is een tien uur durende video van Alexander Kluge over Marx en Das Kapital. Kluge noemt Marx “de dichter van onze crisis”. De huidige kredietcrisis en de zware economische recessie die net begonnen is en die steeds zwaardere gevolgen lijkt te krijgen, zullen zeker een van de redenen zijn dat de verkoop van Das Kapital bij de oude Dietz Verlag in Berlijn vorig jaar verdrievoudigd is.

Van den Boogaard betwijfelt in de NRC of alle kopers van Das Kapital ook lezers zullen zijn. Hij is zelf een luie lezer en hij is niet de enige die er mee pronkt dat het hoofdwerk van Marx er zo dik en moeilijk uit ziet, dat hij er maar nooit aan is begonnen. Die luie mensen worden overigens daardoor vaak niet gehinderd om wel van alles over Marx te beweren.

Het Kapitaal is inderdaad een dik en moeilijk werk, maar als we Marx willen begrijpen – en dat kan ik socialisten van harte aanbevelen – dan zullen we hem toch moeten lezen en vooral ook herlezen. Veel mensen doen dat in een groepje en onder begeleiding van iemand die er iets of liefst veel meer van weet. Ook dat is aan te bevelen. Er bestaan ook goede inleidingen over Het Kapitaal; bijvoorbeeld van Ben Fine en Alfredo Saad-Filho, van Ernest Mandel of van Michael Heinrich. Het kan zeker geen kwaad die ook te lezen, want het kost nu eenmaal veel tijd en herhaling om je de marxistische economie eigen te maken. En er zijn veel discussies over Marx tussen marxisten. Die zijn niet altijd meteen begrijpelijk, maar op den duur krijg je wel een basis van inzicht, als je die leest.

Het werk van Marx is een logisch samenhangend geheel en dat geldt zeker voor de drie delen van Het Kapitaal. Zoals bekend heeft Marx alleen van deel I zelf de eindredactie gevoerd, ook van de Franse vertaling daarvan en van een tweede Duitse druk van deel I, die in 1872/73 in Hamburg verscheen. De delen II en III van Das Kapital zijn later – na de dood van Marx- in 1885 en 1894 verschenen, in een redactie van Friedrich Engels. Die heeft daarmee zeer belangrijk werk verricht, door het vrijwel onleesbare handschrift van Marx te ontcijferen, verschillende versies en aanvullende manuscripten van Marx van de delen II en III te redigeren en te publiceren. Maar omdat Marx deze delen zelf niet drukklaar heeft gemaakt, heeft Engels moeten sleutelen aan de stapels oorspronkelijke aantekeningen van Marx. Hij heeft dat gewetensvol gedaan, maar toch is het van wetenschappelijk belang om heel precies te weten wat de tekst van Marx was en wat de redactie en toevoegingen van Engels. De redacteuren van de Marx/Engels Gesamtausgabe (MEGA), waar ik straks nog iets over zal zeggen, hebben daar een reconstructie van weten te maken. Dat betekent overigens niet dat hierover nu geen discussie meer bestaat. Waarover ook discussie wordt gevoerd, is waarom Marx niet meer zelf de delen II en III, waarvan hijzelf natuurlijk meer dan wie ook het belang zag, heeft gepubliceerd. Als redenen worden genoemd de slechte gezondheid en de overwerktheid van Marx en zijn afnemende krachten aan het eind van zijn leven. Die factoren zullen zeker een rol hebben gespeeld. Maar in de discussies wordt ook genoemd dat Marx deze delen wilde publiceren op basis van een grondige analyse van een ‘gemiddeld kapitalisme’, dat wil zeggen op meer dan alleen een analyse van Engeland of West-Europa van dat moment. In de laatste decennia van zijn leven bestudeerde Marx uitgebreid de kapitalistische ontwikkelingen in de Verenigde Staten en in Rusland. Dat laatste hielp hem onder meer om zijn theorie over de grondrente verder te ontwikkelen. Maar Marx wilde ook nog de nieuwste ontwikkelingen van het internationaal kapitalisme in die delen van Het Kapitaal meenemen. Dat schreef hij bijvoorbeeld in een brief van 27 juni 1880 aan Ferdinand Domela Nieuwenhuis in Den Haag. Marx schreef daarin dat zijn arts hem verboden had om te werken en hij schreef over de zeer ernstige ziekte van zijn vrouw. Hij dacht ook wel dat Domela in staat zou zijn voor de Hollanders een samenvatting van Het Kapitaal te maken. Over het tweede deel van Das Kapital schreef Marx aan Domela dat dit onder de huidige omstandigheden niet in Duitsland zou kunnen verschijnen, “was mir sofern ganz willkommen ist, als grade in diesem Augenblick gewisse ökonomische Phänomene in ein neues Stadium der Entwicklung getreten sind, also neue Bearbeitung erheischen.” (wat mij in zoverre helemaal niet betreurt, omdat juist op dit ogenblik bepaalde economische verschijnselen in een nieuw ontwikkelingsstadium zijn gekomen en dus opnieuw bewerkt moeten worden.)

Talloze mensen hebben in de loop der tijd belangrijke ‘fouten’ en ‘inconsistenties’ in de drie delen of tussen de drie delen van Het Kapitaal ontdekt. Teveel om hier te bespreken. Ik denk dat die mensen allemaal ongelijk hebben. Daarbij is het goed om te weten dat Marx de grote bulk van de delen II en III van Das Kapital al geschreven heeft in 1864 en 1865, dat wil zeggen voordat hij op 1 januari 1866 begon aan zijn eindredactie van het eerste deel van Das Kapital, waarvan de eerste druk in 1867 zou verschijnen. Die eerste manuscripten van deel II en deel III zijn al in de MEGA uitgegeven. Marx wist dus bij het schrijven van het eerste deel in grote lijnen goed wat er in de delen II en III zou moeten komen. Marx kondigt in het voorwoord van de eerste druk van deel I andere delen van Het Kapitaal al aan. Overigens heeft Marx ook na het verschijnen van deel I nog veel aan de delen II en III gewerkt. In de jaren 1868 tot 1870 schreef hij een tweede manuscript voor deel II. En in 1875 scheef hij nog een manuscript van 130 pagina’s voor deel III, waaraan hij veel wilde wijzigen. De misverstanden over de zogenaamde inconsistenties bij Marx hebben vooral te maken met onbegrip van waarover deel II en deel III precies gaan en over de verschillende abstractieniveaus die Marx in zijn werk hanteert. Maar ook met een meer algemeen onbegrip van de marxistische methode.

Een belangrijke reden waarom het lezen en begrijpen van Das Kapital zo moeilijk is, ligt niet in de schrijfstijl van Marx, maar in de kapitalistische economie zelf. Daarin lijken de zaken voortdurend anders dan ze zijn. Zoals bekend is de ondertitel van Das Kapital ‘Kritik der politischen Ökonomie’. Het is een kritische analyse van de kapitalistische economie. Het is ook een kritiek op veel andere economen. En het is een kritiek op en een verklaring van de schijngestalten van de kapitalistische economie, waarin niets is wat het lijkt te zijn. Marx is steeds op zoek naar de specifieke historische sociale vorm die alle elementen van de maatschappelijke rijkdom, de productie, de distributie, de consumptie, de arbeid, etc. onder kapitalistische verhoudingen aannemen. Hij laat zien dat hieraan niets natuurlijks is, maar dat die sociale vormen historisch bepaald worden door de kapitalistische klassenverhoudingen. Ze zijn niet natuurlijk en niet eeuwig en dus veranderbaar door de strijd van de arbeidersklasse. Zelfs de laatste grote vertegenwoordiger van de klassieke politieke economie, David Ricardo (wiens vader een Portugese jood uit Amsterdam was), had weliswaar de klassentegenstellingen als uitgangspunt van zijn onderzoek gemaakt, maar die “naïef als maatschappelijke natuurwet opgevat”, zoals Marx schrijft. De klassieke politieke economie onderzocht wel de waar en de waarde, maar heeft zich volgens Marx nooit afgevraagd waaróm arbeid in een kapitalistische maatschappij z’n uitdrukking vindt in waarde. En alle economen onderzoeken niet de meerwaarde als zodanig, maar alleen in haar bijzondere vormen van winst en rente. Ricardo’s boek The Principles of Political Economy and Taxation verscheen in 1817. Daarna was het wel ongeveer afgelopen met de burgerlijke economie als echte wetenschap. In 1825 brak de eerste periodieke crisis van het industrieel kapitalisme uit, de bourgeoisie had in Engeland en Frankrijk de politieke macht veroverd en de opkomende klassenstrijd tussen bourgeoisie en proletariaat (bijvoorbeeld de juli-revolutie in Frankrijk en de Chartisten en de kiesrechthervorming in Engeland) luidde “de doodsklok van de wetenschappelijke burgerlijke economie” (Marx).
Marx laat de schijngestalten van de kapitalistische economie en de noodzaak daarvan bijvoorbeeld zien in zijn loontheorie en in een paragraaf van het eerste hoofdstuk van deel I van Das Kapital, met de titel ‘Der Fetischcharakter der Ware und sein Geheimnis’, het fetishkarakter van de waar en zijn geheim. Die eerste paar hoofdstukken van het eerste deel van Het Kapitaal vormen altijd het grootste struikelblok en die hebben ook de meeste discussies losgemaakt. Toch vond Marx het noodzakelijk om met deze abstracte materie te beginnen om de rest van de analyse een fundament te geven en begrijpelijk te maken, of om op te stijgen van het abstracte naar het concrete. Marx noemde zelf dat eerste deel over ‘Waar en geld’ al in 1859 in een brief aan Joseph Weydemeyer “het moeilijkste, want het abstractste deel van de politieke economie”.

De opzet van voornamelijk de eerste hoofdstukken van het eerste deel is nogal gewijzigd tussen de eerste en tweede druk, door Marx zelf. Niet zozeer wat de inhoud betreft – hoewel dat ook – maar vooral wat betreft de structuur en de indeling en de begrijpelijkheid. Marx had dat onder andere gedaan na kritische op- en aanmerkingen van Engels en van Louis Kugelmann en Wilhelm Liebknecht op de eerste druk, maar ook in reactie op burgerlijke commentaren. Engels wilde graag een sterkere onderverdeling van de hoofdstukken en paragrafen en meer tussenkopjes. In december 1871 en januari 1872 schreef Marx het manuscript “Ergänzungen und Veränderungen zum ersten Band des ‘Kapitals’”, als basis voor zijn verbeteringen in de tweede druk. Marx noemde de tweede druk een ‘verbesserte Auflage’. In 1872 verscheen bovendien in Petersburg ook de eerste vertaling van Das Kapital, in het Russisch, in een vertaling van Lopatin, Danielson en Ljubawin en in een oplage van 3.000 stuks. In de Franse vertaling bracht Marx ook nog enkele veranderingen aan, bijvoorbeeld over de organische samenstelling van het kapitaal. In de tweede Duitse druk heeft Marx bovendien nog een heel aantal voetnoten toegevoegd om de begrijpelijkheid te vergroten. Meer begrijpelijkheid was inderdaad nodig. Marx had bijvoorbeeld al in het voorwoord van de eerste druk geschreven “Die Werthform, deren fertige Gestalt die Geldform, ist sehr inhaltlos und einfach. Dennoch hat der Menschengeist sie seit mehr als 2000 Jahren vergeblich zu ergründen gesucht, ..” (de waardevorm, waarvan de ontwikkelde vorm de geldvorm is, is bijzonder inhoudsloos en eenvoudig. Toch heeft de menselijke geest meer dan 2000 jaar tevergeefs geprobeerd die te doorgronden,..)
Marx voerde de veranderingen onder meer in om het objectieve karakter van zijn waardetheorie te versterken en om de tegenstelling tussen concrete en abstracte arbeid sterker te benadrukken. Hij werkte gedetailleerder het historisch maatschappelijk karakter van de waardesubstantie, de waardegrootte en de waardevorm uit en hij werkte duidelijker uit dat: “der Werth der Waaren nichts ist ausser ihrem Verhältnis zur Arbeit als ihrer gemeinschaftlichen Substanz” (de waarde van de waren is niets buiten haar verhouding tot arbeid als haar gemeenschappelijke substantie). In Het Kapital schrijft Marx dat het waarde-zijn van de waren “also rein gesellschaftlich ist” (dus zuiver maatschappelijk is).

Marx maakte ook duidelijker een begripsmatig onderscheid tussen de waarde en de ruilwaarde als de verschijningsvorm daarvan. In het nawoord van de tweede druk stelt Marx dan ook dat het begin van zijn boek “ist die Ableitung des Werths durch Analyse der Gleichungen, worin sich jeder Tauschwerth ausdrückt” (de afleiding van de waarde is door analyse van de vergelijkingen waarin zich iedere ruilwaarde uitdrukt). De waardevorm drukt niet alleen de waarde zelf, maar ook de waardegrootte uit. Dit moet duidelijk worden als je de tekst van Het Kapitaal zelf leest.

Marx veranderde in de tweede druk ook wat filosofische begrippen en redeneringen in economische, omdat hij te sterk met Hegel geïdentificeerd werd in de recensies en commentaren. Dat ging niet ten koste van het toepassen van de dialectische methode in Het Kapitaal, integendeel. In het nawoord van de tweede druk gaat Marx daarop in, evenals op andere veranderingen in de tweede druk. Marx schrijft daar dat de methode die hij in Het Kapitaal gebruikt, niet goed is begrepen. En hij benadrukt nog eens dat “meine dialektische Methode ist der Grundlage nach von der Hegelschen nicht nur verschieden, sondern ihr direktes Gegentheil” (mijn dialectische methode is fundamenteel niet alleen verschillend van die van Hegel, maar haar directe tegendeel). En ter verduidelijking voegt hij er aan toe: ”Bei mir ist umgekehrt das Ideelle nichts andres als das im Menschenkopf umgesetzte und übersetzte Materielle” (bij mij is omgekeerd het ideële niets anders dan het in de hoofden van de mensen omgezette en vertaalde materiële).

Marx wijst ook op een kwestie die steeds weer tot onbegrip leidt bij het lezen van Het Kapitaal, namelijk dat de methode van onderzoek verschilt van de manier van presenteren van de stof, maar dat dit beide aspecten zijn van de dialectische methode. Hij schrijft: “In het onderzoek moet men zich de materie tot in detail toe-eigenen, de verschillende ontwikkelingsvormen ervan analyseren en het onderlinge verband ontdekken. Pas als deze arbeid is volbracht, kan men de werkelijke beweging adequaat weergeven. Lukt dit en weerspiegelt zich nu het stoffelijke leven ideëel, dan lijkt het er op alsof men met een constructie a priori te doen heeft”. Dit onderscheid speelt nog steeds, ook in actuele discussies tussen marxisten. Zo maken bijvoorbeeld Ben Fine en Alfredo Saad-Filho in een discussie met Jim Kincaid in het laatste nummer van Historical Materialism onderscheid tussen vier methodische verschillen: “the order of abstraction (movement from simple and more abstract to complex and more concrete, value to price for example), the order (and nature) of causation (production prior to exchange), the order of presentation, and the order of investigation” (de volgorde van de abstractie (de beweging van het eenvoudige en meer abstracte naar complex en meer concreet, van waarde naar prijs bijvoorbeeld), de volgorde (en de aard van) de causaliteit (productie gaat vooraf aan de ruil), de volgorde van de presentatie en de methode van onderzoek).

Het stuk over het fetisjkarakter van de waar is ook stevig veranderd in de tweede druk. Marx had aan Kugelmann al eens geschreven over de schijngestalten van het kapitalisme: “De heersende klassen hebben er hier dus een absoluut belang bij om de hersenloze verwarring te vereeuwigen”. Hij schrijft: “Op het eerste gezicht schijnt de waar een alledaags en eenvoudig ding te zijn. Uit haar analyse blijkt dat het een bijzonder lastig ding is, vol metafysische spitsvondigheden en theologische grillen. Voor zover de waar gebruikswaarde is, is er niets geheimzinnigs aan (…). Waaruit vloeit het raadselachtige karakter, dat het arbeidsproduct krijgt zodra het in de warenvorm verschijnt, dan voort? Kennelijk uit deze vorm zelf. (…) Het geheimzinnige van de warenvorm ligt dus eenvoudig in de omstandigheid dat deze vorm voor de mensen het maatschappelijk karakter van hun eigen arbeid weerspiegelt als het concrete karakter van de arbeidsproducten zelf, als de maatschappelijk-natuurlijke eigenschappen van deze dingen. (…) Het is slechts de bepaalde maatschappelijke verhouding van de mensen zelf, die voor hen de fantasmagorische vorm van een verhouding tussen dingen aanneemt.” Ook dit wordt duidelijker als je de gehele tekst zelf leest.

Zoals gezegd bespreekt Marx de schijngestalten van de kapitalistische economie onder andere in zijn analyse van het arbeidsloon. In een brief aan Engels van 8 januari 1868 had Marx de “drei grundneuen Elemente des Buchs” (de drie wezenlijk nieuwe elementen van het boek) aangegeven en dat was naast de analyse van de meerwaarde in zijn zuivere vorm en de behandeling van het dubbelkarakter van de warenproducerende arbeid, in de derde plaats de behandeling van het arbeidsloon “als irrationelle Erscheinungsform eines dahinter versteckten Verhältnisses” (als irrationele verschijningsvorm van een daarachter verscholen verhouding). Op het eerste gezicht lijkt er niets geks aan het arbeidsloon, zelfs al is dat voor veel arbeiders vaak mager of te weinig om van te leven. Pas geleden schreef de hoofdredacteur van het blad van de Abvakabo FNV nog: “ik verzet werk en daar krijg ik loon voor”. Dat lijkt op het eerste gezicht alleszins redelijk en normaal. Marx laat zien wat die daarachter verscholen verhouding dan wel is en hij laat ook zien waarom ook hier weer de schijn de werkelijkheid lijkt. Dit begrip hebben we nodig, want anders begrijpen we bijvoorbeeld niet waarom het loonaandeel in de geproduceerde rijkdom van de belangrijkste kapitalistische landen de afgelopen decennia aanzienlijk is gedaald, terwijl er toch meer mensen zijn gaan werken en er ook harder gewerkt is. Marx laat zien dat de loonvorm zelf ieder spoor uitwist van de verdeling van de arbeidsdag in noodzakelijke arbeid en meerarbeid, in betaalde arbeid en onbetaalde arbeid en dat alle arbeid verschijnt als betaalde arbeid. De loonvorm versluiert dus de uitbuiting.

Ik zou nog iets zeggen over de Marx Engels Gesamtausgabe, de MEGA. Tijdens zijn leven is er maar een heel klein deel van het werk van Marx in druk verschenen. Na zijn dood werden dus het tweede en derde deel van Het Kapitaal door Engels uitgegeven. Daar kwam onder andere later nog bij de publicatie van de Theorien über den Mehrwert, de Parijse Manuscripten en de Grundrisse. Er verschenen ook andere losse uitgaven en we kennen de serie werkuitgaven in de vorm van de MEW, de Marx-Engels Werke. Al snel na de Russische revolutie begon men te denken aan een complete uitgave van het werk van Marx en Engels. Lenin zag dat als “een opdracht van internationaal belang”. Slechts vier van de geplande 28 delen konden toen worden uitgebracht. Een nieuwe impuls kwam er onder leiding van de Russische revolutionair David Rjazanov met de oprichting in 1921 van het Marx-Engels Instituut in Moskou. In 1927 verscheen het eerste van de geplande 42 delen van de MEGA in samenwerking met het Frankfurter Institut für Sozialforschung van Horkheimer. Met deel 12 werd in 1935 de eerste serie van de MEGA stopgezet. Hitler was intussen aan de macht gekomen en Rjazanov werd in 1938 door Stalin vermoord. Een belangrijk deel van de originelen van Marx en Engels, die in bezit waren van de Duitse SPD kwam terecht bij het IISG in Amsterdam. Ongeveer een derde van de originelen bevindt zich in Moskou. Gelukkig had Rjazanov kopieën gemaakt, want sommige originelen zijn intussen onherstelbaar beschadigd.

In de periode na 1956 werden er vanuit het Instituut voor Marxisme-Leninisme initiatieven genomen om de serie MEGA weer nieuw leven in te blazen. Ook door Walter Ulbricht in Oost-Berlijn werd druk uitgeoefend om verder te gaan met de MEGA. Door tegenwerking in Moskou gebeurde er weinig, totdat er in 1968 een plan gereed kwam voor publicatie van de MEGA bij Dietz Verlag. Er kwam een samenwerking met het IISG tot stand, dat niet zelf meedeed. Men plande 120 delen voor de eerstkomende 25 jaar en de opzet van de MEGA werd veranderd. Met de nieuwe wetenschappelijke richtlijnen kwam men zelfs tot een planning van 142 delen. In 1975 werd met de reguliere publicatie begonnen. Nieuwe problemen ontstonden na de val van de muur en het ineenstorten van de Sovjet-Unie. Maar in 1990 kwam een nieuw samenwerkingsverband tot stand in de vorm van de IMES, de Internationale Marx-Engels Stiftung. Feitelijke uitgever werd het IISG. Zo’n twintig procent van de oplage wordt verkocht in Japan. Alle delen bestaan uit twee aparte gebonden boeken, een met tekst en een met apparaat. De hele serie zal niet voor 2025 of 2030 klaar zijn. De boeken zijn erg duur, maar je kunt ze wel inzien, bijvoorbeeld op het IISG.

Als wij de kredietcrisis en de economische recessie of depressie van nu willen begrijpen, dan is het niet voldoende om alleen Das Kapital te lezen. Maar zonder dat is het onmogelijk om de wereld om ons heen werkelijk te begrijpen. En zonder begrip kunnen we de wereld ook niet veranderen. En daarop komt het toch aan, zoals Marx al in de elfde stelling over Feuerbach schreef.

Rob Gerretsen, 25 januari 2009 (inleiding op de winterschool van de IS in Amsterdam)

Blog op WordPress.com.