Platform Rosa blog

19 september 2008

Debat: vrij baan voor de Poolse loodgieter?

Filed under: Aankondigingen — platformrosa @ 11:25 25

Aankondiging

Op dinsdag 30 september organiseert Grenzeloos samen met Ander Europa een avond een avond over arbeidsmigratie onder het motto Vrij baan voor de Poolse loodgieter? Deelnemers aan het debat zijn Sadet Karabulet, Tweede Kamerlid voor de SP, woordvoerder sociale zaken; Wim Baltussen, bestuurder FNV Bondgenoten, betrokken bij acties van Poolse arbeiders in de Nederlandse tuinbouw en Leo de Kleijn, SP- raadslid in Rotterdam en redactielid Grenzeloos. Gespreksleider is Willem Bos van Ander Europa.

Plaats: Lux, Klein Marienburg 38-39 Nijmegen, aanvang 20.00u. Toegang gratis.

14 september 2008

De Nederlandse rechtsorde en de overtreders van de wet

Filed under: Gastposting — platformrosa @ 7:44 44

Vandaag plaatsen we een ingezonden stuk van Fleur.

Linkse parlementariërs struikelen over elkaar heen om te verklaren dat zij geen wetsovertreders zijn en dat zij, indien zij vroeger wel wetsovertreders waren, spijt hebben van hun jeugdzonden, maar vooral dat hun partij wetsovertredingen afkeurt. In Rotterdam heeft de rechtbank voorgesteld een advocaat toe te staan niet op te staan als de rechter binnen komt omdat de advocaat daar grote religieuze bezwaren tegen heeft. Wat hebben die twee dingen met elkaar te maken? Dat de wetgevende macht (Eerste en Tweede Kamer en regering) en de rechtsprekende macht (rechters) in Nederland zelf niet begrijpen wat de Nederlandse rechtsorde eigenlijk in houdt.

Om met het laatste te beginnen: mensen staan niet op voor de rechter, maar voor de Nederlandse rechtsorde – in de rechtzaal vertegenwoordigd door de rechter. Een advocaat die niet opstaat voor de rechter geeft daarmee aan geen respect te hebben voor de rechtsstaat Nederland. Een advocaat die het niet met zijn religie overeen kan stemmen de rechtsstaat Nederland in de rechtzaal dat respect te tonen heeft geen functie in een rechtzaal. Attributen als de toga – jurken die alle persoonlijke smaak en voorkeur van de rechter dienen te verbergen – zijn bedoeld om de rechter los te maken van zijn persoonlijke voorkeuren (en dus ook van voorkeursbehandeling zoals opstaan voor hem als persoon!) en als representant van de rechtsorde te presenteren. Dat geldt ook voor de advocaat. Een advocaat vervult een cruciale functie in de rechtsorde: iedereen heeft recht op een eerlijk proces en op een advocaat. Een advocaat dient dus onze rechtsorde wanneer hij zijn cliënt verdedigt. Hij heeft een dienende functie ten opzichte van zijn cliënt, en daarvoor moet hij door het vuur. Zijn persoonlijke voorkeuren horen niet in de rechtzaal thuis. Daarom draagt ook hij een toga om al die persoonlijke voorkeuren te verbergen.

Een vertegenwoordiger van de Nederlandse rechtsorde die de rechtzaal wenst te gebruiken om zijn persoonlijke overtuigingen voor het voetlicht te brengen breekt met de kern van de Nederlandse rechtsorde en dient de rechtsstaat niet. Rechters noch advocaten zouden in de rechtzaal moeten getuigen van hun religie (dus geen kruisen, Davidsterren of hoofddoekjes) of van hun politieke voorkeur (dus geen linkervuist omhoog als de rechter binnenkomt). Dat zijn de regels van het spel.
Kort maar krachtig: wie in de rechtzaal geen respect wenst te tonen voor de rechtsstaat en de rechtsorde in Nederland, moet dat spel niet meespelen en een andere baan zoeken; in de rechtzaal geldt respect voor de Nederlandse rechtsorde voor alle spelers.

Is het de plicht van een politicus om de Nederlandse rechtsorde tot op dezelfde hoogte en op dezelfde wijze te respecteren als een rechter of een advocaat dat in de rechtzaal dient te doen?
Beantwoording van deze vraag begint m.i. met de vraag wat de Nederlandse rechtsorde vertegenwoordigt. Mansell (Professor Internationaal Publiek Recht en schrijver van “A Critical introduction to law” W. Mansell, B. Meteyard, A. Thomson) concludeert dat de (westerse) rechtsorde wordt geregeerd door het westerse economische systeem. De rechtsorde wordt grote mate bepaald door de Libertaristische economische theorie. De wijze waarop de rechtsorde sociale problemen vertaalt naar wetten en regels is te vergelijken met de wijze waarop de economie sociale problemen vertaalt naar statistieken waarbij formele gelijkheid (een ieder is voor de wet gelijk) wordt doorgevoerd tot het ongelijke. De rechtsstaat vertegenwoordigt een op markt gebaseerde maatschappij met als kenmerken: individuele economische vrijheid en anonimisering van verantwoordelijkheid.

De Nederlandse rechtsorde is dus het product van de heersende kapitalistische ideologie. Politici zijn in een gezonde, democratische, pluriforme rechtsstaat vertegenwoordigers van vele verschillende ideologieën. Ideologieën die volledig tegenovergesteld kunnen zijn aan de bovengeschetste ideologische richting van onze rechtsorde. Een politicus heeft niet alleen de mogelijkheid, maar zelfs de morele plicht om zich te verzetten tegen de rechtsorde waar die rechtsorde niet overeenkomt met de ideologie van zijn partij en het programma waarop hij is gekozen. Maar voor alles is een tijd en een plaats. Bijvoorbeeld: de heer Van der Vlies van de SGP getuigt van zijn diepe overtuiging dat vrouwen geen publieke functies dienen te vervullen en God hen niet op aarde heeft gezet om politieke macht uit te oefenen. Toch laat de heer van der Vlies zich in de Tweede Kamer leiden door een vrouwelijke kamervoorzitter. Hij ontkent haar autoriteit niet door zijn gedrag. Hij houdt zich dus IN de Kamer aan de regels van het spel, zonder zijn overtuiging te verloochenen of te ontkennen. En zo hoort het ook.
Dat mevrouw Verdonk in de kraakbeweging de wet heeft overtreden is volstrekt niet boeiend. Dat ze als minister de Kamer verkeerd heeft voorgelicht is in strijd met één van de meest fundamentele ongeschreven regels van het Nederlandse recht: het Vertrouwensbeginsel. Het waren de VVD en het CDA die deze doodzonde diverse malen met de mantel der liefde hebben bedekt om haar uiteindelijk te laten zitten toen zij op de valreep een derde motie van wantrouwen niet overleefde. Met betrekking tot een dergelijk gebrek aan respect voor de rechtsorde (van zowel de dader zelf als de partijen die haar willens en wetens in het zadel hebben gehouden ondanks dat ze de Kamer keer op keer heeft voorgelogen!) zou ik zeggen: wie geen respect wenst te tonen voor de rechtsorde in de Kamer, moet dat spel niet meespelen en een andere baan zoeken; in de Kamer geldt respect voor de regels van de Kamer.

Iedereen heeft het over de jaren tachtig en weet met terugwerkende kracht allerlei onacceptabele zaken op te noemen. Laten we even bij het begin van alle commotie beginnen: een paar jongens stelen informatie uit het ministerie van Economische Zaken waaruit blijkt dat de Minster (Van Aardenne), de premier (Lubbers) en een paar hoge ambtenaren in het geheim afspraken hebben gemaakt over de voorbereiding tot de bouw van kerncentrales in Nederland. Ze hebben de Kamer dus voorgelogen! Dat is in strijd met het Nederlands recht. Niemand rept er over, maar hoe wisten die jongens eigenlijk van een geheime afspraak? Waarom stond er een raam open en was de glazenwasserladder in de buurt? Wie heeft het alarm uit gezet en wie heeft die jongens verteld waar zij in dat grote ministerie juist die stukken konden vinden? En leuk detail: wie heeft er op aangedrongen dat ze de stukken snel moesten kopiëren en de originelen terugbrengen?
Dat kan eigenlijk alleen een ambtenaar van Economische Zaken zijn geweest, die – terecht! – van mening was dat het Nederlandse volk recht had op deze informatie en deze informatie blijkbaar niet via de normale democratische weg zou ontvangen omdat twee ministers en een paar ambtenaren besloten hadden de Kamer (het Nederlandse volk) voor te liegen. Wat de ambtenaar deed is in strijd met de wet. Hij zou een zware straf hebben gekregen als zijn bekend was geworden. Nu – 20 jaar later – roept links dat het overtreden van de wet niet mag en dat het stiekem overtreden van de wet helemaal schandalig is. Wat hadden die jongens anders moeten doen? Hadden zij zich toen bekend gemaakt, dan waren ze zeer zwaar onder druk gezet om de naam van de ambtenaar bekend te maken. Een ambtenaar van Economische Zaken die wel respect had voor de Nederlandse rechtsstaat, in tegenstelling tot de ministers en de hoge ambtenaren. En wat doen wij in Nederland met klokkenluiders? Wie zich dat af vraagt verwijs ik graag naar het artikel over de zaak Spijkers in Openbaar bestuur van maart 2008 (“Rechtstaat zonder zelfkritisch en zelfreinigend vermogen”, door Sokje van Oest) waarin zeer kernachtig uit de doeken wordt gedaan op welke momenten welke Nederlandse bewindslieden de wet hebben overtreden slechts met het doel een man die weigerde om te liegen kapot te maken.

Als kind, kleinkind en achterkleinkind van politieke wetovertreders heb ik van jongs af aan veel meegekregen van de dilemma’s en nuances van de politieke wetsovertreder. Ook ik ben politiek actief en regelmatig een wetsovertreder. Maar voor alles is een tijd en een plaats. Ik geloof niet in de Nederlandse rechtsorde. Mijn rechtsorde zou er anders uit zien. Maar ik erken wel de waarde van regels en afspraken in het normale praktische gebruik. Ik sta dus wel op voor de rechter omdat ik wel geloof in de waarde van een rechtsorde in Nederland en al is deze rechtsorde de mijne niet, met een groot aantal regels kan ik goed uit de voeten; in de rechtbank buig ik mijn hoofd voor de bestaande rechtsorde – bij gebrek aan beter. Als ik de wet overtreed denk ik daarover na en weeg af of en tot op welke hoogte onwettige middelen voor het beoogde doel volgens mijn geweten onvermijdelijk zijn. Zowel middelen als doel moeten publiekelijk getoetst kunnen worden. Dat betekent niet per definitie dat ik onmiddellijk op sta en mijn naam bekend maak, maar wel dat de vruchten van de overtreding aan het volk bekend gemaakt moeten worden opdat het volk kan oordelen of het gebruikte middel geëigend was voor het doel. Dat zou in een democratisch land moeten gebeuren in open en pluriform debat waarbij alle facetten aan de orde kunnen komen. Iets wat overigens met betrekking tot de diefstal bij Economische Zaken toentertijd volop is gebeurd en niet heeft geleid tot massale afkeuring van de diefstal, wel tot verontwaardiging over de geheime afspraken en liegen door bewindslieden, maar niet tot het bestraffen van die bewindslieden.

Dagelijks overtreden mensen in Nederland de wet omdat zij onderwerping aan de wet niet met hun geweten overeen kunnen stemmen.

  • Er zijn artsen die aan illegalen gezondheidszorg verstrekken zonder dat er sprake is van een levensbedreigende situatie
  • Er zijn ambtenaren die informatie lekken naar media of parlementariërs om misstanden aan het volk bekend te maken.
  • Er zijn actievoerders die stemmachines en chipkaarten kraken om aan te tonen dat ze niet veilig zijn.
  • Er zijn actievoerders die terreinen van kerncentrales, wapenopslagplaatsen etc. binnen dringen om te bewijzen dat er zaken zijn en liggen die er volgens de autoriteiten niet zijn.

Dat zijn allemaal wetsovertreders die misdrijven plegen omdat de bestaande Nederlandse rechtsorde tegen hun geweten in gaat (en waar onrecht, recht is, is verzet een plicht).
Soms komen die met naam en toenaam in de media, en soms worden alleen hun daden met het Nederlandse volk gedeeld, zonder dat het volk weet wie de wetsovertreder in kwestie is. Steeds toetsen zij hun acties aan de publieke opinie, aan het geweten van het volk, aan de Nederlandse rechtsorde. Politieke wetsovertreders overtreden de wet willens en wetens met een doel dat verder gaat dan eigenbelang. Politieke wetsovertreders dienen hun daden te verantwoorden door openbaar te maken wat de vrucht is van hun overtreding en wat het doel is van hun overtreding. Alleen dan kan er sprake zijn van een politieke wetsovertreding; een overtreding in het geniep kan nooit een politiek doel dienen omdat juist de onderbouwing, de verantwoording, de publicatie, het debat het doel moet zijn van de overtreding.

Dat het pluriforme debat in Nederland is verstomd is zeer zorgelijk en m.i. voor een groot deel te wijten aan het opheffen van “de ideologie” door veel politieke partijen; PvdA en GroenLinks? hebben het socialisme uit alle programma’s gehaald; de VVD is niet Liberaal meer en de SP doet moeizame pogingen aan te tonen dat Socialisme gelijk staat aan “een socialer beleid”. Zonder de prettige houvast van een gedegen ideologie is het lastig je plaats te bepalen en je standpunten in een breder toekomstperspectief te verklaren. Het is heel lastig een politieke wetsovertreding te onderbouwen zonder dat brede ideologische kader en dat alles maakt de geloofwaardigheid, duidelijkheid en betrouwbaarheid naar de achterban zeer wankel.

Ik rommelde een tijdje geleden in een doos met oude papieren en vond een Stoker (Hugo Brandt Corstius) uit 1986 waarschijnlijk. Uit de tijd dat de Volkskrant nog kritische journalisten toe stond in hun krant te schrijven. De door hem genoemde misstanden zijn niet veranderd. Helaas heeft Nederland geen actiepartij meer die staat voor de buitenparlementaire actie als een volwaardig onderdeel van een brede partij-ideologie.

Dodewaard.
Het is een grof schandaal dat de Russische bevolking geen enkele inspraak heeft gehad in de beslissing om kerncentrales te bouwen.
Dat is in Nederland veel beter. Wij hadden een brede maatschappelijke discussie, die tot de uitspraak leidde dat er geen kerncentrales zouden komen. Dus komen ze er.
Het is en grof schandaal dat de Russen een kerncentrale bouwen bij een grote stad.
Dat is in Nederland veel beter. Daar is elke plek vlakbij een grote stad.
Het is een grof schandaal dat de Russen zo zwijgzaam zijn over de ramp in hun kerncentrale.
Dat is in Nederland veel beter. Wij krijgen nu al te horen dat de fouten in de Russische kerncentrale bij ons onmogelijk zijn. Wel andere natuurlijk.
Het is een grof schandaal dat de Russen zo nonchalant omgaan met stralende stoffen.
Dat is in Nederland veel beter. Wij laten die stoffen neerleggen door een commissie onder voorzitterschap van een mijnheer die ze even gevaarlijk

2 september 2008

Albert Einstein, socialist

Filed under: Historie,Socialisme — platformrosa @ 12:40 40

Albert Einstein was een van ’s werelds vermaardste wetenschappers. Zijn werk aan de relativiteitstheorie was net zo baanbrekend als Newton’s werk aan de mechanica. Einstein schreef echter niet alleen over E=mc2, maar – heel wat minder bekend – ook over socialisme. We plaatsen hieronder een tekst van Einstein, waarom socialisme, voor het eerst verschenen in Monthly Review, mei 1949 (naar aanleiding van het eerste nummer van dit magazine). Deze vertaling en de publicatie online is van marxisme.net, mei 2004 (zie origineel hier).

Waarom socialisme?
Albert Einstein, 1949

Is het aan te raden dat iemand die geen expert is van economische en sociale thema’s standpunten inneemt over socialisme? Ik denk het wel.

Laat ons de vraag eerst bekijken vanuit het standpunt van wetenschappelijke kennis. Het kan lijken alsof er geen essentiële methodologische verschillen zijn tussen astronomie en economie: wetenschappers op beide terreinen proberen algemeen aanvaarde wetten te ontdekken voor een gegeven groep van fenomenen om het onderling verband tussen deze fenomenen zo verstaanbaar mogelijk te maken. Maar in de realiteit bestaan er wel methodologische verschillen. Het ontdekken van algemene wetten in de economie wordt bemoeilijkt door veel factoren die moeilijk afzonderlijk kunnen geëvalueerd worden. Daarenboven is de ervaring die opgedaan werd sinds het begin van de zogenaamde beschaafde periode van de menselijke geschiedenis, sterk beïnvloed en beperkt door redenen die niet louter economisch zijn. Zo hebben de belangrijkste landen in de geschiedenis hun rol kunnen spelen op basis van veroveringen. De veroveraars vestigden zichzelf, legaal en economisch, als een geprivilegeerde klasse in het veroverde land. Ze veroverden voor zichzelf een monopolie op het grondbezit en stelden priesters uit de eigen rangen aan. De priesters, die het onderwijs controleerden, zorgden ervoor dat het klassenonderscheid in de samenleving een permanent instituut werd en creëerden een systeem van waarden waardoor de bevolking in grote mate onbewust werd gehouden en waarmee ze begeleid werden in hun sociaal gedrag.

Maar de historische traditie is bij wijze van spreken iets van gisteren. We hebben nergens echt wat Thorstein Veblen “de roofzuchtige fase” van de menselijke ontwikkeling noemt, overstegen. De waarneembare economische feiten behoren tot die fase en zelfs de wetten die we eruit kunnen afleiden zijn niet van toepassing in andere fasen. Aangezien de echte doelstelling van het socialisme er net uit bestaat om de roofzuchtige fase van de menselijke ontwikkeling te overstijgen, kan de huidige economische wetenschap weinig duidelijkheid brengen over de socialistische samenleving van de toekomst.

Ten tweede heeft het socialisme sociaal-ethische doelstellingen. De wetenschap daarentegen kan geen doelstellingen naar voor brengen en kan deze nog minder indragen bij mensen. Ten hoogste kan de wetenschap de middelen voorzien om bepaalde doeleinden te bereiken. Maar die doeleinden op zich worden opgemaakt door personen met bepaalde ethische idealen en – als de doeleinden niet doodgeboren maar vitaal en krachtig zijn – worden deze doelstellingen aangenomen en naar voor gestuwd door die vele menselijke wezens die, deels onbewust, de trage evolutie van de samenleving bepalen.

Om deze redenen moeten we op onze hoede zijn om de wetenschap en wetenschappelijke methodes niet te overschatten als het gaat over kwesties van menselijke problemen; en we mogen niet veronderstellen dat de deskundigen de enigen zijn die hun standpunt mogen uiten over de organisatie van de samenleving.

Velen beweren al enige tijd dat de menselijke samenleving zich in een crisis bevindt, met name dat de stabiliteit ernstig verstoord is. Het is kenmerkend voor een dergelijke situatie dat de individuen zich onverschillig of zelfs vijandig opstellen tegenover de groep, kleine of grote groepen, waartoe ze behoren. Om mijn mening te illustreren wil ik een persoonlijke ervaring naar voor brengen. Ik sprak recent met een intelligente en capabele man over de dreiging van een nieuwe oorlog, die volgens mij het bestaan van de mensheid serieus zou bedreigen, en ik merkte op dat enkel een supra-nationale organisatie bescherming zou bieden tegenover dat gevaar. Hierop vroeg mijn bezoeker kalm en koel: “Waarom ben je zo sterk tegen het verdwijnen van de mensheid?”

Ik ben er zeker van dat een eeuw geleden niemand zo’n lichtzinnige opmerking zou gemaakt hebben. Het is een opmerking van een man die tevergeefs heeft geprobeerd om met zichzelf in evenwicht te komen en die min of meer de hoop op succes daarbij heeft opgegeven. Het is een uitdrukking van een pijnlijke eenzaamheid en isolement waaronder zoveel mensen vandaag lijden. Wat is de oorzaak? Is er een uitweg?

Het is gemakkelijk om dit soort vragen naar voor te brengen, maar het is moeilijk om er met enige graad van zekerheid op te antwoorden. Ik moet echter proberen om zo goed mogelijk te antwoorden ook al ben ik er erg bewust van dat onze gevoelens en doelstellingen vaak tegenstrijdig en onduidelijk zijn en dat ze niet kunnen uitgedrukt worden in gemakkelijke en simpele formules.

De mens is tegelijk een solitair wezen en een sociaal wezen. Als solitair wezen probeert hij zijn eigen bestaan en dat van diegenen die hem het meest nabij staan te beschermen, zijn persoonlijke behoeftes in te vullen en om zijn interne mogelijkheden te ontwikkelen. Als sociaal wezen zoekt de mens erkenning en affectie van zijn medemensen, om plezier uit te wisselen, om hen te troosten bij hun verdriet en om hun levensomstandigheden te verbeteren. Enkel het bestaan van deze gevarieerde en vaak tegenstrijdige elementen zorgt voor het speciale karakter van de mens en deze specifieke combinatie bepaalt de graad waarin een individu een intern evenwicht kan vinden en kan bijdragen aan de samenleving. Het is mogelijk dat de relatieve sterkte van deze twee elementen voornamelijk bepaald wordt op basis van afstamming. Maar de persoonlijkheid die uiteindelijk gevormd wordt, is in grote mate bepaald door de omgeving waarin een mens terechtkomt tijdens zijn ontwikkeling, door de structuur van de samenleving waarin hij opgroeit, door de tradities van die samenleving, door de waardering van bepaalde vormen van gedrag. Het abstracte concept “samenleving” betekent voor het individu de totale som van zijn directe en indirecte relaties met zijn medemensen en met de mensen van vorige generaties. Het individu kan op zichzelf denken, voelen, zaken nastreven en werken, maar hij is zodanig afhankelijk van de samenleving – in zijn fysieke, intellectuele en emotionele bestaan – dat het onmogelijk wordt om een beeld te vormen van de mens buiten het kader van de samenleving. Het is de ‘samenleving’ die de mens voorziet in voedsel, kleding, een huis, arbeidsgereedschap, taal, denkwijzen en de meeste inhoud van het denken; het leven van de mens wordt mogelijk door de arbeid en door de verwezenlijkingen van de vele miljoenen mensen in het verleden en het heden die allemaal verstopt zitten achter het kleine woordje “samenleving”.

Het is dan ook evident dat de afhankelijkheid van een individu tegenover de samenleving een feit is dat niet kan afgeschaft worden – net zoals bij de mieren en de bijen. Maar daar waar het volledige levensproces van mieren en bijen tot in de kleinste details geregeld wordt strikte erfelijke instincten, is het sociaal patroon van intermenselijke relaties erg veranderlijk en vatbaar voor wijzigingen. Het geheugen, de capaciteit om nieuwe combinaties te maken, de gave van gesproken communicatie maken ontwikkelingen van de mens mogelijk die niet bepaald worden door biologische noden. Dergelijke ontwikkelingen komen tot uiting in tradities, instellingen en organisaties, in de literatuur, in wetenschappelijke en technische verwezenlijkingen, in kunst. Dit verklaart waarom in zekere zin de mens zijn leven kan beïnvloeden door zijn eigen gedrag en dat in dit proces bewust denken een rol kan spelen.

De mens verwerft bij zijn geboorte, door de erfelijkheid, een biologische basis die we moeten beschouwen als iets vaststaand en onveranderbaar. Daarin bevindt zich de natuurlijke drang die de menselijke soort karakteriseert. Daarbovenop verwerft de mens tijdens zijn leven een culturele basis die hij overneemt van de samenleving door communicatie en vele andere vormen van invloeden. Het is die culturele basis die met het verloop van de tijd aan verandering onderhevig is en in belangrijke mate de verhouding tussen een individu en de samenleving bepaalt. De moderne antropologie heeft ons door vergelijkend onderzoek van zogenaamd primitieve culturen, geleerd dat het sociaal gedrag van mensen enorm kan verschillen afhankelijk van de heersende culturele patronen en organisatievormen die de samenleving domineren. Het is hierop dat diegenen die het lot van de mens willen verbeteren, zich baseren: mensen zijn niet veroordeeld omwille van hun biologische afstamming tot het uitroeien van elkaar of om een wreed lot te ondergaan.

Als we ons de vraag stellen hoe de structuur van de samenleving en de culturele instelling van de mens kan veranderd worden om een beter leven te bekomen, moeten we ons steeds bewust zijn van het feit dat er bepaalde elementen zijn die we niet kunnen veranderen. Zoals eerder vermeld is de biologische natuur van de mens niet onderhevig aan veranderingen. Bovendien hebben de technologische en demografische ontwikkelingen van de voorbije eeuwen voorwaarden gecreëerd die blijvend zijn. In vrij dicht bevolkte gebieden zal er voor de productie van goederen die nodig zijn voor het voortbestaan, een extreme arbeidsdeling en sterk gecentraliseerd productie-apparaat noodzakelijk zijn. De tijd – die als we terugkijken zo idyllisch leek – dat individuen of kleine groepen volledig op zichzelf konden georganiseerd zijn, is definitief voorbij. Het is slechts een kleine overdrijving als we stellen dat de mensheid een wereldwijde gemeenschap van productie en consumptie vormt.

Ik kom nu op het punt waarin ik kort wil ingaan op wat volgens mij de essentie is van de huidige crisis. Het betreft de verhouding van het individu tot de samenleving. Het individu is zich meer dan ooit bewust van zijn afhankelijkheid tegenover de samenleving. Maar hij ziet deze ervaring niet als iets positief, als een organische band, als een beschermende kracht, maar eerder als een bedreiging voor zijn natuurlijke rechten en zelfs voor zijn economisch bestaan. Bovendien is zijn positie in de samenleving erop gericht om de egoïstische doelstellingen constant te benadrukken, terwijl de sociale doelstellingen, die zwakker staan, geleidelijk aan naar de achtergrond verdwijnen. Alle menselijke wezen, wat ook hun positie in de samenleving is, lijden onder dit proces. Als onwetende gevangenen van hun eigen egoïsme, voelen ze zich onveilig, eenzaam en ontdaan van ieder eenvoudig en onbedorven plezier van het leven. De mens kan betekenis in het leven vinden, ook al is het leven kort en gevaarlijk, door zijn leven te wijden aan de samenleving.

De economische anarchie van de kapitalistische samenleving zoals deze vandaag bestaat, is volgens mij de echte oorzaak van het kwaad. We zien een enorme gemeenschap van producenten, waarbij deze aanhoudend ernaar streven om elkaar de vruchten van hun collectieve arbeid te ontnemen – niet door geweld, maar in het algemeen door een goedgelovig naleven van de legaal gevestigde juridische regels. In die zin is het belangrijk dat we ons realiseren dat de productiemiddelen, het is te zeggen de volledige productiecapaciteit die noodzakelijk is voor het produceren van consumptiegoederen en bijkomend kapitaal, op legale wijze en voornamelijk het privaat bezit vormen van individuen.

Omwille van de eenvoud zal ik hierna iedereen “arbeider” noemen wie geen eigendom van de productiemiddelen bezit – ook al beantwoordt dit niet volledig aan de gebruikelijke definitie van deze term. De eigenaar van de productiemiddelen kan de arbeidskracht van de arbeider kopen. Door de productiemiddelen te gebruiken produceert de arbeider nieuwe goederen die de eigendom zijn van de kapitalist. Het essentiële element in dit proces is de verhouding tussen wat de arbeider produceert en wat hij verdient, waarbij deze beiden uitgedrukt worden in reële waarde. Voor zover de arbeidsovereenkomst “vrij” is, zal hetgeen de arbeider betaald wordt niet bepaald worden door de reële waarde van de goederen die hij produceert, maar door zijn minimale behoeftes en de noden van de kapitalist voor arbeidskracht tegenover het aantal arbeiders dat beschikbaar is voor het werk. Het is belangrijk om te begrijpen dat zelfs in theorie het loon van de arbeider niet bepaald wordt door de waarde van hetgeen hij produceert.

Het privé-kapitaal heeft de tendens om geconcentreerd te worden bij een kleine groep mensen, deels omwille van concurrentie onder de kapitalisten en deels omwille van technologische ontwikkelingen en de stijgende arbeidsdeling die de vorming van grotere productie-eenheden ten koste van kleinere eenheden bevordert. Het resultaat van deze ontwikkelingen is een oligarchie van privaat kapitaal waarvan de enorme macht niet kan gecontroleerd worden door een democratisch georganiseerde politieke samenleving. Dit blijkt ook uit het feit dat de verkozenen van wetgevende organen aangeduid worden door politieke partijen die grotendeels gefinancierd, of toch beïnvloed, worden door kapitalisten die omwille van praktische redenen een onderscheid maken tussen de kiezers en de wetgevers. Het gevolg is dat de volksvertegenwoordigers in de praktijk niet de belangen verdedigen van de ongeprivilegeerde delen van de bevolking. Bovendien is het onder de huidige omstandigheden onvermijdelijk dat private kapitalisten de directe of indirecte controle uitoefenen op de belangrijkste informatiebronnen (kranten, radio, onderwijs). Het wordt hierdoor erg moeilijk, en in veel gevallen zelfs onmogelijk, voor de individuele burger om tot objectieve conclusies te komen en op die basis gebruik te maken van zijn politieke rechten.

De situatie in een economie gebaseerd op het privaat bezit van kapitaal wordt bijgevolg gekenmerkt door twee belangrijke principes: ten eerste is er privaat bezit van de productiemiddelen (kapitaal) en kunnen de eigenaars hierover beschikken naargelang het hen uitkomt; en ten tweede is de arbeidsovereenkomst vrij. Natuurlijk bestaat er niet zoiets als een pure kapitalistische maatschappij in deze zin. In het bijzonder moet opgemerkt worden dat de arbeiders doorheen lange en bittere politieke strijd erin geslaagd zijn om een enigszins betere vorm van de “vrije arbeidsovereenkomst” af te dwingen voor bepaalde categorieën van arbeiders. Maar algemeen beschouwd, verschilt de huidige economie niet sterk van het “pure” kapitalisme.

De productie is gericht op de winst, niet op het gebruik ervan. Er is geen bepaling voorzien dat al diegenen die in staat zijn om te werken en daartoe bereid zijn, steeds bij machte zullen zijn om werk te vinden; een “leger van werklozen” zal steeds bestaan. De arbeider vreest steeds dat hij zijn job zal verliezen. Aangezien werklozen en slecht betaalde arbeiders niet voor een winstgevende markt zorgen, wordt de productie van consumptiegoederen beperkt en is miserie het gevolg. Technologische vooruitgang leidt er vaak toe dat de werkloosheid toeneemt, in plaats dat de arbeid van allen verlicht wordt. Het winstmotief, samen met de concurrentie tussen de kapitalisten, leidt tot onstabiliteit in de accumulatie en het gebruik van kapitaal wat leidt tot enorme depressies. De onbeperkte concurrentie leidt tot een enorm verlies van arbeidskracht en tot het verlagen van het sociaal bewustzijn van individuen waar ik eerder op wees.

Dit beperken van de mogelijkheden voor individuen beschouw ik als het ergste kwaad van het kapitalisme. Ons volledige onderwijssysteem lijdt hieronder. Een overdreven competitiedrang wordt de studenten opgedrongen om deze op te leiden in het koesteren van hebzuchtig succes als voorbereiding op een latere carrière.

Ik ben ervan overtuigd dat er slechts één manier is om een einde te maken aan dit kwaad, namelijk door het vestigen van een socialistische economie, wat gepaard gaat met een onderwijssysteem dat gericht is op sociale doelstellingen. In zo’n economie zijn de productiemiddelen het bezit van de samenleving zelf en kunnen deze op een geplande wijze gebruikt worden. Een planeconomie die de productie aanpast aan de behoeften van de samenleving, zou het werk verdelen onder al diegenen die in staat zijn om te werken en zou een menswaardig bestaan garanderen voor iedere man, vrouw en kind. Het onderwijs van het individu zou naast het bevorderen van de aangeboren capaciteiten gericht zijn op het ontwikkelen van een verantwoordelijkheidsgevoel voor de medemens in plaats van de verheerlijking van macht en succes in de huidige samenleving.

Het is evenwel noodzakelijk om te herinneren dat een geplande economie nog geen socialisme is. Een geplande economie kan gepaard gaan met het volledig onderdrukken van het individu. Het bereiken van socialisme vereist oplossingen voor extreem moeilijke socio-politieke problemen: hoe is het mogelijk om in een sterk doorgedreven centralisatie van politieke en economische macht te vermijden dat een bureaucratie oppermachtig wordt? Hoe kunnen de rechten van het individu beschermd worden en een democratische tegenmacht garanderen tegenover de macht van een bureaucratie?

Duidelijkheid over de doelstellingen en de problemen van het socialisme is van enorm belang in deze overgangsperiode. Aangezien in de huidige omstandigheden een vrije en open discussie over deze problemen een taboe geworden is, beschouw ik het oprichten van dit magazine als een belangrijke stap vooruit.

Maak een gratis website of blog op WordPress.com.