Platform Rosa blog

5 mei 2008

Wethouderssocialisme in Amsterdam

Filed under: Historie — platformrosa @ 11:38 38

Ron Blom schreef onderstaande inleiding voor de Bredase Socialismedag op 3 mei:

Voor lange tijd konden socialisten volgens niet-socialistische partijen geen regeringsverantwoordelijkheid dragen. Zo weigerden christelijke en liberale partijen tot vlak voor de Tweede Wereldoorlog te regeren met de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP), de voorloper van de PvdA. Vooral door de revolutiepoging van toenmalig SDAP-leider Pieter Jelles Troelstra in november 1918 achtten zij de socialisten volstrekt onbetrouwbaar. De prijs die de sociaal-democratie moest betalen was het decennialang verstoken blijven van deelname aan de regeringsmacht. Pas in 1939 zou de SDAP voor het eerst deel uitmaken van de Nederlandse regering onder leiding van minister-president D.J. de Geer van de Christelijk-Historische Unie (CHU). In de ogen van niet-socialistisch Nederland had de partij nu voldoende afstand genomen van haar revolutionaire erfenis. Twintig jaar later woog de herinnering aan Troelstra’s revolutiepoging niet meer op tegen de aanpassingen van de sociaal-democratie aan de bestaande kapitalistische maatschappij. De partij stond inmiddels niet meer voor ontwapening en voor de afschaffing van de monarchie. Bovendien omarmde ze nu volmondig de parlementaire democratie. Op plaatselijk niveau lag dit heel anders, daar zou de SDAP ruimschoots ervaring opdoen met het zogeheten ‘wethouderssocialisme’.

Lokaal bestonden er al voor en tijdens de Eerste Wereldoorlog wél mogelijkheden om colleges met de SDAP te vormen. Door de snelle stijging van het aantal raadszetels was het leveren van wethouders een reële mogelijkheid geworden. Wethouderszetels zouden pas ingenomen worden in geval van een raadsmeerderheid die de mogelijkheid zou bieden aan daadwerkelijke uitvoering van het eigen programma te werken.
De eerste wethouders werden in 1907 gekozen in de plaatsen Goor en Leeuwarderadeel en in 1911 in Ambt-Almelo. In de loop van de tijd schoof de partij echter op. In 1913 sprak de Amsterdamse federatie-ledenvergadering uit dat bestuursdeelname zonder raadsmeerderheid aanvaard kon worden, mits de partij de portefeuille volkshuisvesting toe zou vallen. [1] In 1916 telde de SDAP dertien wethouders. We kunnen hierbij denken aan Zaandam (met SDAP-burgemeester Klaas ter Laan), Amsterdam, Schiedam en ook Den Haag.
Afhankelijk van de plaatselijke politieke mogelijkheden en potentiële Collegepartners grepen SDAP-wethouders deze mogelijkheden aan om te laten zien dat socialisten bij uitstek goede bestuurders kunnen zijn. Zo was de latere minister-president Willem Drees tussen 1919 en 1933 wethouder in Den Haag. Hij was een pleitbezorger van het ‘wethouderssocialisme’: het ‘opbouwende werk in de gemeentebesturen’ was volgens Drees een betere propaganda voor het socialisme dan ‘de hardnekkige, maar vergeefse oppositie’ in de Tweede Kamer.

Eerste Wereldoorlog

Vooral Amsterdam heeft voor de Tweede Wereldoorlog beroemde SDAP-wethouders voortgebracht, zoals Floor (Florentinus) Wibaut (1859-1936), die met enkele korte onderbrekingen wethouder was van 1914 tot 1931. Een minder bekende wethouder is Monne (Salomon Rodrigues) de Miranda (1875-1942), die tussen 1919 en 1939 vier keer wethouder was [2]. In weerwil van de bezuinigingspolitiek van regeringen van christelijke en liberale kleur slaagde hij er lokaal in om sociale woonwijken te bouwen, in de stijl van de Amsterdamse School.
Uitgerekend de marxist F.M. Wibaut verzette zich in de begintijd tegen de gedachte dat het socialisme in de gemeente viel te vestigen. Hij baseerde zich daarbij op een aangenomen resolutie over ‘socialistische gemeentepolitiek’ op het Internationale Socialistische Congres van 1900 in Parijs. Gemeentepolitiek van sociaal-democraten was volgens hem “democratisch gemeentebeheer” [2]: een bestuur dat rekening diende te houden met de belangen van alle bevolkingsgroepen in de stad en niet slechts met die van de eigen natuurlijke aanhang, de arbeidersklasse. De stad moest bewoonbaar blijven voor iedereen en moest zijn pluriforme en veelkleurige karakter behouden en ontwikkelen. Het socialisme was voor grotere en hogere eenheden bedoeld. Ongetwijfeld dacht hij hierbij aan het nationale niveau. In 1913 sprak hij zich net als de Amsterdamse federatieledenvergadering uit voor deelname aan het College van Burgemeester en Wethouders zonder dat de raadsmeerderheid gerealiseerd was. Hierbij gaf hij een belangrijk beginsel op. [3] De kracht van dit democratisch gemeentebeheer was dat er voor noodzakelijke interventies – waaronder oprichting van gemeentebedrijven te algemene nutte – dikwijls ruime steun in de gemeenteraad kon worden verkregen. Zo waren er ook vrijzinnig liberalen die hier soms voor waren. Er zat wel een probleem aan vast: Wibaut zelf maar ook collega’s in Amsterdam en andere steden motiveerden hun voorstellen vaak met argumenten ontleend aan ‘doelmatigheid’. Dat gebeurde niet ten onrechte, maar zulk een wijze van motiveren bezorgde de gemeentelijke sociaal-democratie op den duur een nogal technocratisch karakter, ‘depolitiseerde’ haar tot op zekere hoogte. Vervolgens werd die technocratie voor latere generaties wethouders tot een zelfstandige verleiding, met alle gevaren van dien.
Een aardig voorbeeld van die ‘depolitisering’ was de positie van het Amsterdamse gemeentebestuur gedurende de Eerste Wereldoorlog en dan in het bijzonder ten aanzien van de voedseldistributie. Door de export van aardappels in een situatie waarin de bevolking honger leed, ontstond in juli 1917 het zogeheten aardappeloproer. Het optreden van leger en politie in een stad waar twee sociaal-democraten (Floor Wibaut en Willem Vliegen, 1862-1947, wethouder Publieke Werken, later Financiën en Gemeentebedrijven 1914-1919 en daarna van 1921-1923 van Onderwijs, Burgerlijke Stand, Bevolkingsregister en Kunstzaken [4]) wethoudersposten innamen, zorgde voor groeiende tegenstellingen tussen radicaal-links en een deel van de (arme en hongerige) bevolking èn de SDAP. Op de achtergrond speelde de ondersteuning van de mobilisatie door de sociaal-democraten van de godsvredepolitiek: voor de duur van de oorlog werd de klassenstrijd opgeschort. [5] Ook na de demobilisatie eind 1918/begin 1919 bleef radicaal-links zich verzetten tegen de voorzichtige politiek van de SDAP. In Amsterdam moesten de sociaal-democraten daar een zware politiek prijs voor betalen. Het aantal SDAP-zetels daalde bij de raadsverkiezingen van 1919 van 15 naar 13, terwijl de partij overal elders zetels won. De communisten kwamen voor het eerst en wel meteen met zes zetels in de Amsterdamse raad. In 73 gemeenten aanvaardde de SDAP in totaal 89 wethouderszetels: een aantal dat ruim viermaal zo groot was als vóór de verkiezingen, maar niet zo indrukwekkend als men de totale sterkte van de SDAP in de gemeenteraden in aanmerking neemt. Dat neemt niet weg dat menigeen in de partij zich bezorgd toonde over de gevolgen. De merites van het ‘wethouderen’ zouden tot in de jaren dertig toe omstreden blijven, maar tot een massaal ‘nee’ is het nooit gekomen.

Verdere aanpassing

Op het Eenheidscongres van 1919 was behalve een nieuw gemeenteprogram ook een motie aangenomen met richtlijnen in deze voor de fracties respectievelijk de afdelingen. Uitgangspunt bleef het perspectief van een meerderheid. Wanneer die (nog) ontbrak, mocht ‘alleen dan’ een wethouderspost worden aanvaard indien 1) voldoende vaststond, dat mede daardoor de verwezenlijking van belangrijke punten van het sociaal-democratische gemeenteprogram werd verzekerd, 2) vooraf door de afdeling of federatie de wenselijkheid der aanvaarding was uitgesproken, en 3) vóór het nemen van het besluit in de afdeling of federatie, het advies van het partijbestuur was ingewonnen. [6] Weliswaar werd dit derde punt geformuleerd als een wenselijkheid, maar de partijleiding interpreteerde het in de praktijk als een eis. Bovendien zou het uit te brengen advies niet vrijblijvend zijn: ‘geen bindend advies natuurlijk, maar wij verwachten dat het steeds gevolgd zal worden’, zoals Wibaut tijdens het congres onder hilariteit verklaarde. [7]
Hetzelfde congres verwierp de anti-kapitalistische stellingname, neergelegd in een motie van de afdeling-Leiden, dat gemeentepolitiek behalve hervormend ook revolutionair diende te zijn, dat wil zeggen dat machtsposities in het gemeentebestuur gebruikt dienden te worden om de arbeidersstrijd tegen het kapitalisme te steunen en dat niet samenwerking mèt, maar bestrijding van de burgerlijke partijen vereist was.
Dit alles klonk nog steeds sterk naar ‘nee, tenzij’. De weerstanden in de partij tegen socialistische wethouders waren dan ook nog altijd aanzienlijk. Door ervaringen als die tijdens het aardappeloproer, en de revolutiepoging van Troelstra, waren ze nog toegenomen. Slechts indien de raadsfractie én haar plaatselijke achterban (de afdeling) én de partijleiding ‘ja’ zeiden en zij dus allen voldoende garanties zagen voor het realiseren van eigen programpunten, was deelname aan het dagelijks bestuur van een gemeente toegestaan.

Interbellum

Onder radicaal-links was er veel kritiek op de plaatselijke rode vertegenwoordigers van het establishment. Zo bracht de Amsterdamse afdeling van de oude Socialistische Partij van Harm Kolthek [8] bij de raadsverkiezingen van 1923 een twee cent pamflet uit met de titel Wie zal op ons stemmen?. De folder bestond vooral uit een aanval op de SDAP en haar wethouders, zoals Floor Wibaut en Monne de Miranda. Zo was de arbeidstijd van het gemeentepersoneel per week verlengd. De schoolklassen waren sterk vergroot, maar tegelijkertijd had het gemeentebestuur wel 70.000 gulden uitgetrokken voor het 25-jarige jubileum van koningin Wilhelmina. Verder maakte de partij bezwaar tegen het ‘knoeien met de bouwverordeningen’ bij de volkshuisvesting, zoals bij het project van ‘afschuwelijke huurkazernes in Plan-West’ (Admiralen- en Mercatorbuurt). Een regelrechte aanval op het prestige van ‘Wie bouwt?, Wibaut!’. [9]
De SP sprak zich uit tegen samenwerking met de bourgeoisie en stond voor het ‘praktisch doorvoeren van het socialisme’:

Zoolang de socialisatie zich niet anders uit dan in de armzalige prutserij van de Miranda’s baaltjes meel en een gemeentewinkeltje, heeft de bourgeoisie daar in haar hart niets op tegen. En doordat de SDAP haar kracht besteedt aan die prutserij en zoo goed als niets doet om de zelfkracht der arbeiders te ontwikkelen, den socialistischen wil en het zelfstandig socialistisch kunnen bij de arbeiders te versterken en te vergrooten – daardoor wordt dat gepruts van de Miranda nog bovendien een versterking van de bureaucratie, van de parasitaire ambtenarij. [10]

Toch bleek De Miranda populair onder grote delen van de arbeiders en kleine zelfstandigen. In de jaren twintig werd onder De Miranda een begin gemaakt met de bouw van de zogenaamde ‘tuindorpen’ in Watergraafsmeer (‘Betondorp’), Nieuwendam en Buiksloterham. Hier probeerden bouwers in ruim opgezette woonwijken met laagbouw en veel groen de nieuwe arbeidsmigranten een meer ‘dorps’ alternatief te bieden.
Behalve met woningbouw hield De Miranda zich ook bezig met de bouw van gemeentelijke was- en badhuizen, als bijdrage aan de hygiëne. En met de bouw van zwembaden, zoals in 1932 het Amstelparkbad, nu het De Mirandabad genoemd (aan de De Mirandalaan). ‘Wil je baaje, wil je sjwemme, dan moet je De Miranda sjtemme!’, luidde in 1931 een verkiezingsleus van de SDAP. Veel aandacht besteedde De Miranda bovendien aan de levensmiddelenvoorziening, om de armen te kunnen voorzien van bijvoorbeeld melk en vis.

Medebeheer van het kapitalistische crisisbeleid

In de jaren dertig werd het gebrek aan woningen overschaduwd door het gebrek aan werk. In 1929 was wereldwijd een economische crisis uitgebroken, die duizenden arbeiders werkloos had gemaakt. Amsterdamse ‘Werkloozen Strijd Comités’ werden opgericht, waarin communisten een grote rol speelden. Zij organiseerden protestbijeenkomsten. De strijd tegen de werkloosheid was in juli 1934 ook een aanleiding voor de Jordaanoproer, toen het leger met pantserwagens de volkswijk binnentrok om de protesten neer te slaan. Mede in reactie op de onlusten kwam De Miranda met een lokaal werkgelegenheidsplan, door de uitvoering van grote openbare werken, die aan duizenden werklozen werk moesten verschaffen. Door dit plan werden rioleringen aangelegd, bruggen en wegen gebouwd en huizen opgeknapt. Het meest bekende onderdeel is de aanleg van het Amsterdamse Bos.
In de partij bestond zeker wel oppositie tegen het loslaten van het socialistische perspectief en het vervallen tot de rol van hulptroepen van het kapitalistische establishment. Zo waren er in 1927 in de partij nog weerstanden tegen het ‘gemeentelijk ministerialisme’, verwoord door onder anderen een van de oprichters van de SDAP Frank van der Goes [11], maar de praktijk van de sociaal-democratische gemeentepolitiek werd toen al in geruime mate aanvaard. In de dertiger jaren werd deze verder aan de bestaande verhoudingen aangepast. Er werd niet meer vastgehouden aan het maken van programmatische afspraken met progressief genoeg geachte partijen, maar de partijleiding stuurde aan op de vorming van afspiegelingscolleges, waarin naar evenredigheid meerdere, ook onwelgevallige, partijen vertegenwoordigd zouden zijn. Bovendien vond men het stellen van eisen ten aanzien van het aantal SDAP-wethouders niet meer verstandig.
Een deel van de oppositie, waaronder Van der Goes zou in 1932 de partij verlaten en de Onafhankelijke Socialistische Partij (OSP) oprichten.

Concluderend

Wat laat bijna een eeuw wethouderssocialisme in de hoofdstad nu zien? Ten eerste het belang om vast te blijven houden aan het verband tussen de korte en langetermijnpolitiek. Zoals Frank van der Goes het in 1919 stelde: ‘Er hoeft niet gekozen te worden tusschen het kleine en het groote werk. Zij hooren onverbrekelijk samen’. [12] Wie zich alleen maar met hervormingen bezig houdt eindigt zoals de huidige Partij van de Arbeid (PvdA). Aan de andere kant zal abstracte propaganda voor het socialisme niet het noodzakelijke vertrouwen inboezemen bij de arbeidersklasse in de meest brede zin. Veel gewone mensen kijken toch naar nieuwe ideeën met in hun achterhoofd wat deze concreet voor ze kunnen betekenen.
Verder is het uitermate belangijk om elke tendens in de socialistische arbeiderspartij die het pluche van de zetels in het bestuur van de stad belangrijker vindt dan de strijd van onderaf te bestrijden. Zo liet Pieter Jelles Troelstra zich in 1920 op een Amsterdamse partijbijeenkomst in een openhartige bui ontvallen: ‘Ik zou sommige deze propagandisten wel van hun wethouderszetels willen trappen’. Hij vond het niet overbodig te waarschuwen ‘tegen het te gemakkelijk aanvaarden van regentenposten door partijgenooten, die te goede en bekwame sociaal-democraten zijn, om hun licht aldus te zetten onder de korenmaat van burgerlijke bureaukratie en alledagspolitiek.’ [13]
Het gaat niet op het mede beheren van het kapitalisme, maar om de opbouw van een sterke strijdbare socialistische arbeiderspartij. Daarvoor is het nodig om zoveel mogelijk leden te betrekken bij het vaststellen van de marsroute en is het leggen van een marxistisch theoretisch fundament essentieel. Het in het oog houden van het perspectief van het socialisme is daarbij een hoofdvoorwaarde.

Ron Blom


1 G.W.B. Borrie, F.M. Wibaut. Mens en magistraat. Onstaan en ontwikkeling der socialistische gemeeentepolitiek, Den Haag 1987, p. 98-101.
2 G. Borrie, Monne de Miranda. Een biografie, Den Haag 1993.
2 F.M. Wibaut, Levensbouw, mémoires, Amsterdam 1936, 247-266.
3 Idem, p. 149-150.
4 J. Perry, De voorman. Een biografie van Willem Hubertus Vliegen. Amsterdam 1994.
5 Zie hiervoor bijvoorbeeld mijn boek Niet voor God en niet voor het Vaderland. Linkse soldaten, matrozen en hun organisaties tijdens de mobilisatie van ’14-‘18’, Soesterberg 2004.
6 J. Perry, ‘Aanpakken wat mogelijk is. De SDAP en haar gemeentepolitiek’ in: Marnix Krop, Martin Ros, Saskia Suiveling en Bart Tromp, ed., Het negende jaarboek van het democratisch socialisme, Amsterdam 1988, p. 16-58.
7 Verslag van het 23ste congres der SDAP, gehouden op 20, 21 en 22 april 1919 te Arnhem, p. 27-28.
8 R. Blom, De oude Socialistische Partij van Harm Kolthek. Ontstaan, opkomst en ondergang van een ‘libertair-socialistische’ partij (1918-1928), Delft 2007.
9 G.W.B. Borrie, F.M. Wibaut. Mens en magistraat, p. 121-129. Overigens waren ook sommige sociaal-democraten van mening dat dit soort bebouwing nogal eentonig was. E. Kalk, De rode geranium. Leven en werk van Eiske ten Bos-Harkema (1885-1962), p. 49 en J. de Roos, Besturen als kunst. Lokale sociaal-democraten 100 jaar verenigd, p. 118.
10 IISG, SDAP-archief, inv.nr. 2286C.
11 De auteur bereidt een biografie voor over de voortrekker van de literaire beweging van de Tachtigers en oprichter van de SDAP Frank van der Goes.
12 Verslag van het 23ste congres der SDAP, 1919, p. 17.
13 P.J. Troelstra, Gedenkschriften, Vierde deel, Storm, Amsterdam 1931, p. 300-301.

2 reacties »

  1. […] kiesrecht, twee zetels; de communististische partij kwam met zes zetels in de raad. Zie ook het artikel van Ron Blom […]

    Pingback door Verslag Socialismedag SP Breda « Platform Rosa blog — 5 mei 2008 @ 11:54 54

  2. […] Lees het artikel hier Je kunt een reactie achterlaten, of backtracken vanaf je eigen site. RSS […]

    Pingback door Big Pat’s Place» Archief » Wethouderssocialisme — 23 mei 2008 @ 5:00 00


RSS feed for comments on this post. TrackBack URI

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Blog op WordPress.com.

%d bloggers op de volgende wijze: