Platform Rosa blog

31 mei 2008

Immorele inkomensverschillen geen ‘natuurverschijnsel’

Filed under: Socialisme — platformrosa @ 8:33 33

René Diekstra, columnist van BN-De Stem, schreef in een column op 30 mei over inkomensverschillen:

In een van de grootste bedrijven van ons land verdient de gemiddelde werknemer ongeveer 32.000 euro en de president-directeur om en nabij 9.500.000 euro. Dat is een verhouding van 1:300. Wat rechtvaardigt die verhouding? In ieder geval niet het verschil in inspanning. Dat zou immers betekenen dat de president-directeur dagelijks 300 maal de inspanning van de gemiddelde werknemer levert. Een volstrekt absurde veronderstelling. Wat rechtvaardigt het dan? Het feit dat hij 300 zoveel opleiding of talent heeft? Die veronderstelling is even absurd. Is het argument dan dat hij per minuut 300 maal zoveel winst voor het bedrijf maakt als zijn gemiddelde ondergeschikte? Ook die veronderstelling valt af. De winst van een bedrijf is de uitkomst van collectieve inspanning en kan niet simpelweg worden toegewezen aan individuele personen. Bovendien zou volgens hetzelfde argument bij verlies de directeur daarvoor ook 300 maal zo zwaar moeten worden aangeslagen als de gemiddelde werknemer. Dat is in het betreffende bedrijf nog nooit vertoond en dat zal het ook niet worden. Er is maar één reële verklaring voor die verhouding van 1 op 300. Dat is willekeur. De betreffende president-directeur verdient 300 maal zoveel als de gemiddelde werknemer in zijn bedrijf omdat hij zoveel wil verdienen en de macht heeft zichzelf te geven wat hij wil. Psychologen noemen dit verschijnsel narcistische disproportionaliteit.

Zeer terecht merkt Diekstra op, dat de verhouding tussen de inkomens van een president-directeur en een gewone werknemer nergens op gebaseerd is. Is het immoreel dat men zich aan de top zo zeer verrijkt, als Diekstra stelt? Zeer zeker! Maar het simpele feit dat een aantal personen ‘narcistisch disproportioneel’ zijn, is onvoldoende verklaring voor de instandhouding van deze verschillen.

Het is niet zozeer een gelatenheid bij politiek, vakbonden of werknemers zoals Diekstra suggereert. Bijvoorbeeld de SP pleit er voor, alle inkomens – ook die aan de top – onder de CAO te laten vallen. De vakbond FNV wil de topinkomens aanpakken door een extra belastingschijf en hogere vermogensbelasting. En werknemers die zouden willen staken om het salaris van hun directeur aan de kaak te stellen, worden direct teruggefloten door de rechter omdat zij hier geen rechtstreeks belang bij hebben die een staking rechtvaardigt.

Het probleem is, dat noch de politiek, noch de vakbonden, noch de werknemers iets te zeggen hebben over de cruciale beslissingen die een bedrijf neemt. Of het nu een besluit is om productielijnen te sluiten, waardoor honderden werknemers hun baan verliezen, of een besluit om absurde salarissen uit te betalen aan de top: de directie, in opdracht van de groot-aandeelhouders, maken de dienst uit. Daardoor stond de democratisch gekozen gemeenteraad van Breda buitenspel toen Interbrew besloot om een eeuwenoude traditie aan de kant te schuiven en de productie te verplaatsen.

Het neo-liberale gedachtengoed stelt, dat de overheid zoveel mogelijk afstand moet nemen van ‘de markt’ omdat dit uiteindelijk goed voor ons allemaal zou zijn. Daarom wordt er geprivatiseerd, verzelfstandigd en ‘onder marktwerking’ gebracht dat het een lieve lust is. Wij – met z’n allen – geven zeggenschap en macht uit handen, met het idee dat het dan allemaal beter gaat. De praktijk heeft anders uitgewezen: precies om die reden rijdt maandag uw bus niet, om maar een voorbeeld te noemen. Gelukkig is het neo-liberalisme een keuze, wat inhoudt dat er ook andere keuzes gemaakt kunnen worden. Bijvoorbeeld om de samenleving als geheel niet minder, maar juist méér zeggenschap te geven over het reilen en zeilen van onze economie. Dan behoren dit soort absurde inkomensverschillen vanzelf tot het verleden.

5 mei 2008

Verslag Socialismedag SP Breda

Filed under: Socialisme — platformrosa @ 11:52 52

Dit verslag is overgenomen van breda.sp.nl.

Wanneer is deelname van de SP aan het college van B & W een opmaat naar een socialistische maatschappij, en wanneer brengt het juist de strijd voor zo’n socialistische maatschappij naar de achtergrond? Over die vraag discussieerden enkele tientallen SP’ers op zaterdag 3 mei in Breda tijdens de jaarlijkse Socialismedag van de afdeling. De conclusie van de workshops was eenduidig: de SP moet geworteld zijn onder de bevolking, indien nodig samen met de mensen de strijd aangaan, en collegedeelname blijven zien binnen een groter project: de strijd voor een socialistische maatschappij.

Socialismedag 3 mei 2008

Peter den Haan begon de dag met een inleiding over het Liverpoolse socialistische gemeentebestuur in de jaren ’80. De zogenaamde Militant Tendency, een radicaal-socialistische stroming binnen de partij, had in Liverpool een grote invloed en haalde de meerderheid. Onder hun leiding werden er 5000 gemeentewoningen gebouwd en duizenden banen geschapen. Geconfronteerd met bezuinigingen op het gemeentefonds door Thatcher weigerden zij om de huren en belastingen te verhogen, en organiseerden een politieke staking om Thatcher te dwingen om met meer geld over de rug te komen, met als slogan: “Better to Break the Law than Break the Poor”. Tienduizenden Liverpudlians demonstreerden voor hun gemeentebestuur. Door het gezamenlijke optreden van Thatcher en de leiding van Labour, die als ‘serieuze potentiële regeringspartij’ geen socialistische experimenten wenste en hun raadsleden, wethouders en activisten met tientallen tegelijk royeerden, werd het verzet van Liverpool helaas gebroken.

Socialismedag 3 mei 2008

Na de lunch besprak Ron Blom het ‘wethouderssocialisme’, de vooroorlogse SDAP-wethouders in (onder ander) Amsterdam. Hij besprak de wijziging in de koers van de SDAP, die eerst alléén wethouders wilde leveren indien de partij een absolute meerderheid had, en later ook in een coalitie ging zitten (mits de portefeuille Volkshuisvesting voor de SDAP was). Bekende voorbeelden waren Floor Wibaut en Monne de Miranda. Door de collegedeelname werden enerzijds successen geboekt, maar werd de SDAP ook onderdeel van het establishment. De SDAP was bijvoorbeeld mede verantwoordelijk voor het neerslaan van het aardappeloproer in Amsterdam. Door de kiezers werd bij de eerstvolgende gemeenteraadsverkiezingen dit beleid afgestraft: de SDAP verloor, ondanks de invoering van het algemeen kiesrecht, twee zetels; de communististische partij kwam met zes zetels in de raad. Zie ook het artikel van Ron Blom hierover.

Afsluitend leidde Johan Kwisthout het thema ‘De SP in het lokale bestuur’ in. Hij besprak mogelijkheden en belemmeringen, inhoudelijke en strategische bewegingen. De conclusie van de discussie was, dat de SP zich niet moest verleiden om ‘op de winkel te passen’ of medeverantwoordelijk te zijn voor bezuinigingsbeleid. Integendeel moet de SP in zo’n situatie het verzet organiseren tegen bezuinigingen, in of buiten het college. Deelname aan een college moet in een breder perspectief gezien worden: draagt het bij aan de strijd voor een socialistische maatschappij? De partij moet eventuele collegedeelname niet op zichzelf zien als doel van de partij, maar altijd – ook in haar propaganda – het socialisme in beeld houden. Eventuele compromissen moeten besproken worden met de mensen in buurt en bedrijf: deelnemen aan het college moeten we doen omdat de mensen het van ons verlangen.

Gezellig napraten op het terras

Na afloop was het nog goed toeven op het terras, in een heerlijk lentezonnetje.

Wethouderssocialisme in Amsterdam

Filed under: Historie — platformrosa @ 11:38 38

Ron Blom schreef onderstaande inleiding voor de Bredase Socialismedag op 3 mei:

Voor lange tijd konden socialisten volgens niet-socialistische partijen geen regeringsverantwoordelijkheid dragen. Zo weigerden christelijke en liberale partijen tot vlak voor de Tweede Wereldoorlog te regeren met de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP), de voorloper van de PvdA. Vooral door de revolutiepoging van toenmalig SDAP-leider Pieter Jelles Troelstra in november 1918 achtten zij de socialisten volstrekt onbetrouwbaar. De prijs die de sociaal-democratie moest betalen was het decennialang verstoken blijven van deelname aan de regeringsmacht. Pas in 1939 zou de SDAP voor het eerst deel uitmaken van de Nederlandse regering onder leiding van minister-president D.J. de Geer van de Christelijk-Historische Unie (CHU). In de ogen van niet-socialistisch Nederland had de partij nu voldoende afstand genomen van haar revolutionaire erfenis. Twintig jaar later woog de herinnering aan Troelstra’s revolutiepoging niet meer op tegen de aanpassingen van de sociaal-democratie aan de bestaande kapitalistische maatschappij. De partij stond inmiddels niet meer voor ontwapening en voor de afschaffing van de monarchie. Bovendien omarmde ze nu volmondig de parlementaire democratie. Op plaatselijk niveau lag dit heel anders, daar zou de SDAP ruimschoots ervaring opdoen met het zogeheten ‘wethouderssocialisme’.

Lokaal bestonden er al voor en tijdens de Eerste Wereldoorlog wél mogelijkheden om colleges met de SDAP te vormen. Door de snelle stijging van het aantal raadszetels was het leveren van wethouders een reële mogelijkheid geworden. Wethouderszetels zouden pas ingenomen worden in geval van een raadsmeerderheid die de mogelijkheid zou bieden aan daadwerkelijke uitvoering van het eigen programma te werken.
De eerste wethouders werden in 1907 gekozen in de plaatsen Goor en Leeuwarderadeel en in 1911 in Ambt-Almelo. In de loop van de tijd schoof de partij echter op. In 1913 sprak de Amsterdamse federatie-ledenvergadering uit dat bestuursdeelname zonder raadsmeerderheid aanvaard kon worden, mits de partij de portefeuille volkshuisvesting toe zou vallen. [1] In 1916 telde de SDAP dertien wethouders. We kunnen hierbij denken aan Zaandam (met SDAP-burgemeester Klaas ter Laan), Amsterdam, Schiedam en ook Den Haag.
Afhankelijk van de plaatselijke politieke mogelijkheden en potentiële Collegepartners grepen SDAP-wethouders deze mogelijkheden aan om te laten zien dat socialisten bij uitstek goede bestuurders kunnen zijn. Zo was de latere minister-president Willem Drees tussen 1919 en 1933 wethouder in Den Haag. Hij was een pleitbezorger van het ‘wethouderssocialisme’: het ‘opbouwende werk in de gemeentebesturen’ was volgens Drees een betere propaganda voor het socialisme dan ‘de hardnekkige, maar vergeefse oppositie’ in de Tweede Kamer.

Eerste Wereldoorlog

Vooral Amsterdam heeft voor de Tweede Wereldoorlog beroemde SDAP-wethouders voortgebracht, zoals Floor (Florentinus) Wibaut (1859-1936), die met enkele korte onderbrekingen wethouder was van 1914 tot 1931. Een minder bekende wethouder is Monne (Salomon Rodrigues) de Miranda (1875-1942), die tussen 1919 en 1939 vier keer wethouder was [2]. In weerwil van de bezuinigingspolitiek van regeringen van christelijke en liberale kleur slaagde hij er lokaal in om sociale woonwijken te bouwen, in de stijl van de Amsterdamse School.
Uitgerekend de marxist F.M. Wibaut verzette zich in de begintijd tegen de gedachte dat het socialisme in de gemeente viel te vestigen. Hij baseerde zich daarbij op een aangenomen resolutie over ‘socialistische gemeentepolitiek’ op het Internationale Socialistische Congres van 1900 in Parijs. Gemeentepolitiek van sociaal-democraten was volgens hem “democratisch gemeentebeheer” [2]: een bestuur dat rekening diende te houden met de belangen van alle bevolkingsgroepen in de stad en niet slechts met die van de eigen natuurlijke aanhang, de arbeidersklasse. De stad moest bewoonbaar blijven voor iedereen en moest zijn pluriforme en veelkleurige karakter behouden en ontwikkelen. Het socialisme was voor grotere en hogere eenheden bedoeld. Ongetwijfeld dacht hij hierbij aan het nationale niveau. In 1913 sprak hij zich net als de Amsterdamse federatieledenvergadering uit voor deelname aan het College van Burgemeester en Wethouders zonder dat de raadsmeerderheid gerealiseerd was. Hierbij gaf hij een belangrijk beginsel op. [3] De kracht van dit democratisch gemeentebeheer was dat er voor noodzakelijke interventies – waaronder oprichting van gemeentebedrijven te algemene nutte – dikwijls ruime steun in de gemeenteraad kon worden verkregen. Zo waren er ook vrijzinnig liberalen die hier soms voor waren. Er zat wel een probleem aan vast: Wibaut zelf maar ook collega’s in Amsterdam en andere steden motiveerden hun voorstellen vaak met argumenten ontleend aan ‘doelmatigheid’. Dat gebeurde niet ten onrechte, maar zulk een wijze van motiveren bezorgde de gemeentelijke sociaal-democratie op den duur een nogal technocratisch karakter, ‘depolitiseerde’ haar tot op zekere hoogte. Vervolgens werd die technocratie voor latere generaties wethouders tot een zelfstandige verleiding, met alle gevaren van dien.
Een aardig voorbeeld van die ‘depolitisering’ was de positie van het Amsterdamse gemeentebestuur gedurende de Eerste Wereldoorlog en dan in het bijzonder ten aanzien van de voedseldistributie. Door de export van aardappels in een situatie waarin de bevolking honger leed, ontstond in juli 1917 het zogeheten aardappeloproer. Het optreden van leger en politie in een stad waar twee sociaal-democraten (Floor Wibaut en Willem Vliegen, 1862-1947, wethouder Publieke Werken, later Financiën en Gemeentebedrijven 1914-1919 en daarna van 1921-1923 van Onderwijs, Burgerlijke Stand, Bevolkingsregister en Kunstzaken [4]) wethoudersposten innamen, zorgde voor groeiende tegenstellingen tussen radicaal-links en een deel van de (arme en hongerige) bevolking èn de SDAP. Op de achtergrond speelde de ondersteuning van de mobilisatie door de sociaal-democraten van de godsvredepolitiek: voor de duur van de oorlog werd de klassenstrijd opgeschort. [5] Ook na de demobilisatie eind 1918/begin 1919 bleef radicaal-links zich verzetten tegen de voorzichtige politiek van de SDAP. In Amsterdam moesten de sociaal-democraten daar een zware politiek prijs voor betalen. Het aantal SDAP-zetels daalde bij de raadsverkiezingen van 1919 van 15 naar 13, terwijl de partij overal elders zetels won. De communisten kwamen voor het eerst en wel meteen met zes zetels in de Amsterdamse raad. In 73 gemeenten aanvaardde de SDAP in totaal 89 wethouderszetels: een aantal dat ruim viermaal zo groot was als vóór de verkiezingen, maar niet zo indrukwekkend als men de totale sterkte van de SDAP in de gemeenteraden in aanmerking neemt. Dat neemt niet weg dat menigeen in de partij zich bezorgd toonde over de gevolgen. De merites van het ‘wethouderen’ zouden tot in de jaren dertig toe omstreden blijven, maar tot een massaal ‘nee’ is het nooit gekomen.

Verdere aanpassing

Op het Eenheidscongres van 1919 was behalve een nieuw gemeenteprogram ook een motie aangenomen met richtlijnen in deze voor de fracties respectievelijk de afdelingen. Uitgangspunt bleef het perspectief van een meerderheid. Wanneer die (nog) ontbrak, mocht ‘alleen dan’ een wethouderspost worden aanvaard indien 1) voldoende vaststond, dat mede daardoor de verwezenlijking van belangrijke punten van het sociaal-democratische gemeenteprogram werd verzekerd, 2) vooraf door de afdeling of federatie de wenselijkheid der aanvaarding was uitgesproken, en 3) vóór het nemen van het besluit in de afdeling of federatie, het advies van het partijbestuur was ingewonnen. [6] Weliswaar werd dit derde punt geformuleerd als een wenselijkheid, maar de partijleiding interpreteerde het in de praktijk als een eis. Bovendien zou het uit te brengen advies niet vrijblijvend zijn: ‘geen bindend advies natuurlijk, maar wij verwachten dat het steeds gevolgd zal worden’, zoals Wibaut tijdens het congres onder hilariteit verklaarde. [7]
Hetzelfde congres verwierp de anti-kapitalistische stellingname, neergelegd in een motie van de afdeling-Leiden, dat gemeentepolitiek behalve hervormend ook revolutionair diende te zijn, dat wil zeggen dat machtsposities in het gemeentebestuur gebruikt dienden te worden om de arbeidersstrijd tegen het kapitalisme te steunen en dat niet samenwerking mèt, maar bestrijding van de burgerlijke partijen vereist was.
Dit alles klonk nog steeds sterk naar ‘nee, tenzij’. De weerstanden in de partij tegen socialistische wethouders waren dan ook nog altijd aanzienlijk. Door ervaringen als die tijdens het aardappeloproer, en de revolutiepoging van Troelstra, waren ze nog toegenomen. Slechts indien de raadsfractie én haar plaatselijke achterban (de afdeling) én de partijleiding ‘ja’ zeiden en zij dus allen voldoende garanties zagen voor het realiseren van eigen programpunten, was deelname aan het dagelijks bestuur van een gemeente toegestaan.

Interbellum

Onder radicaal-links was er veel kritiek op de plaatselijke rode vertegenwoordigers van het establishment. Zo bracht de Amsterdamse afdeling van de oude Socialistische Partij van Harm Kolthek [8] bij de raadsverkiezingen van 1923 een twee cent pamflet uit met de titel Wie zal op ons stemmen?. De folder bestond vooral uit een aanval op de SDAP en haar wethouders, zoals Floor Wibaut en Monne de Miranda. Zo was de arbeidstijd van het gemeentepersoneel per week verlengd. De schoolklassen waren sterk vergroot, maar tegelijkertijd had het gemeentebestuur wel 70.000 gulden uitgetrokken voor het 25-jarige jubileum van koningin Wilhelmina. Verder maakte de partij bezwaar tegen het ‘knoeien met de bouwverordeningen’ bij de volkshuisvesting, zoals bij het project van ‘afschuwelijke huurkazernes in Plan-West’ (Admiralen- en Mercatorbuurt). Een regelrechte aanval op het prestige van ‘Wie bouwt?, Wibaut!’. [9]
De SP sprak zich uit tegen samenwerking met de bourgeoisie en stond voor het ‘praktisch doorvoeren van het socialisme’:

Zoolang de socialisatie zich niet anders uit dan in de armzalige prutserij van de Miranda’s baaltjes meel en een gemeentewinkeltje, heeft de bourgeoisie daar in haar hart niets op tegen. En doordat de SDAP haar kracht besteedt aan die prutserij en zoo goed als niets doet om de zelfkracht der arbeiders te ontwikkelen, den socialistischen wil en het zelfstandig socialistisch kunnen bij de arbeiders te versterken en te vergrooten – daardoor wordt dat gepruts van de Miranda nog bovendien een versterking van de bureaucratie, van de parasitaire ambtenarij. [10]

Toch bleek De Miranda populair onder grote delen van de arbeiders en kleine zelfstandigen. In de jaren twintig werd onder De Miranda een begin gemaakt met de bouw van de zogenaamde ‘tuindorpen’ in Watergraafsmeer (‘Betondorp’), Nieuwendam en Buiksloterham. Hier probeerden bouwers in ruim opgezette woonwijken met laagbouw en veel groen de nieuwe arbeidsmigranten een meer ‘dorps’ alternatief te bieden.
Behalve met woningbouw hield De Miranda zich ook bezig met de bouw van gemeentelijke was- en badhuizen, als bijdrage aan de hygiëne. En met de bouw van zwembaden, zoals in 1932 het Amstelparkbad, nu het De Mirandabad genoemd (aan de De Mirandalaan). ‘Wil je baaje, wil je sjwemme, dan moet je De Miranda sjtemme!’, luidde in 1931 een verkiezingsleus van de SDAP. Veel aandacht besteedde De Miranda bovendien aan de levensmiddelenvoorziening, om de armen te kunnen voorzien van bijvoorbeeld melk en vis.

Medebeheer van het kapitalistische crisisbeleid

In de jaren dertig werd het gebrek aan woningen overschaduwd door het gebrek aan werk. In 1929 was wereldwijd een economische crisis uitgebroken, die duizenden arbeiders werkloos had gemaakt. Amsterdamse ‘Werkloozen Strijd Comités’ werden opgericht, waarin communisten een grote rol speelden. Zij organiseerden protestbijeenkomsten. De strijd tegen de werkloosheid was in juli 1934 ook een aanleiding voor de Jordaanoproer, toen het leger met pantserwagens de volkswijk binnentrok om de protesten neer te slaan. Mede in reactie op de onlusten kwam De Miranda met een lokaal werkgelegenheidsplan, door de uitvoering van grote openbare werken, die aan duizenden werklozen werk moesten verschaffen. Door dit plan werden rioleringen aangelegd, bruggen en wegen gebouwd en huizen opgeknapt. Het meest bekende onderdeel is de aanleg van het Amsterdamse Bos.
In de partij bestond zeker wel oppositie tegen het loslaten van het socialistische perspectief en het vervallen tot de rol van hulptroepen van het kapitalistische establishment. Zo waren er in 1927 in de partij nog weerstanden tegen het ‘gemeentelijk ministerialisme’, verwoord door onder anderen een van de oprichters van de SDAP Frank van der Goes [11], maar de praktijk van de sociaal-democratische gemeentepolitiek werd toen al in geruime mate aanvaard. In de dertiger jaren werd deze verder aan de bestaande verhoudingen aangepast. Er werd niet meer vastgehouden aan het maken van programmatische afspraken met progressief genoeg geachte partijen, maar de partijleiding stuurde aan op de vorming van afspiegelingscolleges, waarin naar evenredigheid meerdere, ook onwelgevallige, partijen vertegenwoordigd zouden zijn. Bovendien vond men het stellen van eisen ten aanzien van het aantal SDAP-wethouders niet meer verstandig.
Een deel van de oppositie, waaronder Van der Goes zou in 1932 de partij verlaten en de Onafhankelijke Socialistische Partij (OSP) oprichten.

Concluderend

Wat laat bijna een eeuw wethouderssocialisme in de hoofdstad nu zien? Ten eerste het belang om vast te blijven houden aan het verband tussen de korte en langetermijnpolitiek. Zoals Frank van der Goes het in 1919 stelde: ‘Er hoeft niet gekozen te worden tusschen het kleine en het groote werk. Zij hooren onverbrekelijk samen’. [12] Wie zich alleen maar met hervormingen bezig houdt eindigt zoals de huidige Partij van de Arbeid (PvdA). Aan de andere kant zal abstracte propaganda voor het socialisme niet het noodzakelijke vertrouwen inboezemen bij de arbeidersklasse in de meest brede zin. Veel gewone mensen kijken toch naar nieuwe ideeën met in hun achterhoofd wat deze concreet voor ze kunnen betekenen.
Verder is het uitermate belangijk om elke tendens in de socialistische arbeiderspartij die het pluche van de zetels in het bestuur van de stad belangrijker vindt dan de strijd van onderaf te bestrijden. Zo liet Pieter Jelles Troelstra zich in 1920 op een Amsterdamse partijbijeenkomst in een openhartige bui ontvallen: ‘Ik zou sommige deze propagandisten wel van hun wethouderszetels willen trappen’. Hij vond het niet overbodig te waarschuwen ‘tegen het te gemakkelijk aanvaarden van regentenposten door partijgenooten, die te goede en bekwame sociaal-democraten zijn, om hun licht aldus te zetten onder de korenmaat van burgerlijke bureaukratie en alledagspolitiek.’ [13]
Het gaat niet op het mede beheren van het kapitalisme, maar om de opbouw van een sterke strijdbare socialistische arbeiderspartij. Daarvoor is het nodig om zoveel mogelijk leden te betrekken bij het vaststellen van de marsroute en is het leggen van een marxistisch theoretisch fundament essentieel. Het in het oog houden van het perspectief van het socialisme is daarbij een hoofdvoorwaarde.

Ron Blom


1 G.W.B. Borrie, F.M. Wibaut. Mens en magistraat. Onstaan en ontwikkeling der socialistische gemeeentepolitiek, Den Haag 1987, p. 98-101.
2 G. Borrie, Monne de Miranda. Een biografie, Den Haag 1993.
2 F.M. Wibaut, Levensbouw, mémoires, Amsterdam 1936, 247-266.
3 Idem, p. 149-150.
4 J. Perry, De voorman. Een biografie van Willem Hubertus Vliegen. Amsterdam 1994.
5 Zie hiervoor bijvoorbeeld mijn boek Niet voor God en niet voor het Vaderland. Linkse soldaten, matrozen en hun organisaties tijdens de mobilisatie van ’14-‘18’, Soesterberg 2004.
6 J. Perry, ‘Aanpakken wat mogelijk is. De SDAP en haar gemeentepolitiek’ in: Marnix Krop, Martin Ros, Saskia Suiveling en Bart Tromp, ed., Het negende jaarboek van het democratisch socialisme, Amsterdam 1988, p. 16-58.
7 Verslag van het 23ste congres der SDAP, gehouden op 20, 21 en 22 april 1919 te Arnhem, p. 27-28.
8 R. Blom, De oude Socialistische Partij van Harm Kolthek. Ontstaan, opkomst en ondergang van een ‘libertair-socialistische’ partij (1918-1928), Delft 2007.
9 G.W.B. Borrie, F.M. Wibaut. Mens en magistraat, p. 121-129. Overigens waren ook sommige sociaal-democraten van mening dat dit soort bebouwing nogal eentonig was. E. Kalk, De rode geranium. Leven en werk van Eiske ten Bos-Harkema (1885-1962), p. 49 en J. de Roos, Besturen als kunst. Lokale sociaal-democraten 100 jaar verenigd, p. 118.
10 IISG, SDAP-archief, inv.nr. 2286C.
11 De auteur bereidt een biografie voor over de voortrekker van de literaire beweging van de Tachtigers en oprichter van de SDAP Frank van der Goes.
12 Verslag van het 23ste congres der SDAP, 1919, p. 17.
13 P.J. Troelstra, Gedenkschriften, Vierde deel, Storm, Amsterdam 1931, p. 300-301.

3 mei 2008

Openbare bijeenkomst: Frankrijk mei 1968, de algemene staking

Filed under: Aankondigingen,Socialisme — platformrosa @ 12:40 40

Overgenomen van http://www.offensief.nl

In mei 1968, tijdens een periode van bloei van het kapitalisme, kwamen studenten en arbeiders in opstand tegen de erbarmelijke leeromstandigheden op de universiteiten en tegen de uitbuiting in de fabrieken. Omdat het kapitalisme steeds meer geschoolde mensen nodig had, werd de toegang tot de universiteit verruimd maar zonder de faciliteiten aan te passen. In de fabrieken werd tegen lage lonen in hoog tempo aan de lopende band gewerkt.

De protesten van de studenten werden bruut onderdrukt door de rellenpolitie. Frankrijk had in die tijd een parlement, maar Generaal de Gaulle was oppermachtig.

Toen de arbeiders in staking kwamen die uitgroeide tot een algemene staking, kwam het kapitalisme in Frankrijk in gevaar. Generaal de Gaulle vluchtte naar het buitenland.

De arbeiders namen de productie en de distributie van voedsel over. Tien miljoen arbeiders staakten! Als de arbeiders hadden doorgezet was er een einde gekomen aan het kapitalisme. Tragisch genoeg namen de leiders van de stalinistische vakbonden genoegen met loonsverhogingen en vermindering van de werkdruk.

Er kwamen ook wat verbeteringen in het onderwijs. Zij riepen de arbeiders daarna op om het werk te hervatten. Door een gebrek aan leiding liep de beweging vast. Generaal de Gaulle kwam terug uit het buitenland en regeerde aangeslagen nog een paar jaar.

Maar het kapitalisme was gered. Veertig jaar geleden kwam er bijna een einde aan het kapitalisme in Frankrijk: het is voor de arbeidersbeweging nu de moeite waard om de gebeurtenissen van in Parijs mei ’68 goed te begrijpen en de lessen te trekken.

Op deze openbare bijeenkomst blikken we terug op deze massale uiting van arbeidersverzet en arbeidersmacht.

LESSEN VAN DE ALGEMENE STAKING VAN MEI ’68 IN FRANKRIJK

Openbare bijeenkomst, toegang vrij!

Vrijdag 23 mei 2008

Om 19:30 uur

Wenslauerstraat 314 in Amsterdam
(Tram 3/7/12/13/14/17)

Lees ook de brochure van Clare Doyle (getuige van de gebeurtenissen in Frankrijk in ’68).

Over onze partij

Filed under: Democratie in de SP,Socialisme — platformrosa @ 12:10 10

Willem de Vroomen, oud-partijcoryfee en een van de kartrekkers van de SP in Alkmaar, schreef in 2001 een discussiestuk over de staat van de partij naar de afdelingen. Willem was een SP’er van de ‘oude stempel’ die een terugkeer naar de massalijn bepleitte. Platform ROSA heeft niet de beschikking over het oorspronkelijke stuk van Willem, maar plaatst bij deze de reactie van Johan Kwisthout. Hoewel deels gedateerd denken wij dat het nog steeds relevant is in de discussie over de koers van de SP anno 2008.

Over onze partij

bijdrage aan de discussie door Johan Kwisthout, fractievoorzitter SP Breda

‘Het gaat niet zo goed met de partij als sommigen denken, en velen willen dat het gaat’, zo stelt Willem de Vroomen (en anderen) in het stuk Over de partij, gezonden aan de partijafdelingen. Willem stelt onder andere het volgende vast:

– we groeien niet of nauwelijks meer;
– onze bijdrage verschuift steeds meer naar ‘publicity’ en minder naar de inhoud;
– alles draait om zetels, verkiezingswinst;
– de verhouding tussen partijapparaat en leden is niet zoals deze moet zijn.

In de notitie wordt vooral ingegaan op de massalijn, het bedrijvenwerk, scholing, de ideëen van de partij en de organisatie. Ik zal op deze punten puntsgewijs reageren en er het nodige aan toevoegen. Waar ik ‘Willem’ citeer bedoel ik de schrijvers van het stuk, waarvan Willem de woordvoerder is. Overigens betreur ik het dat de overige initiatiefnemers niet worden genoemd.

massalijn
Het ‘naar de mensen toegaan’ wat de SP kenmerkt, of in ieder geval kenmerkte, is niet door de SP uitgevonden. Theoretisch is dit uitgewerkt door Mao Zedong, een der inspiratoren van de SP in de jaren zeventig. Zijn theorie (laten we de praktijk van maoistisch China even buiten beschouwing) was, dat de communistische partij naar de arbeidersklasse moest gaan, van hen moest leren wat er speelde, dit politiek uit moest werken en hiermee weer terug naar de mensen moest gaan (even kort gezegd). Of zoals Willem het stelt: ‘het werk van onze partij moet steeds aansluiten bij de gedachten, de belangen en de verlangens van grote groepen van de bevolking. En moet gericht zijn op de organisatie van al die mensen.’

Dit is echter maar één kant van het verhaal. De andere is dat een socialistische partij (of die nu communistisch heet of niet) ook moet fungeren als de voorhoede van de arbeidersklasse, de leiding van de strijd voor een betere maatschappij op zich moet nemen, de arbeidersklasse moet overtuigen van de juistheid van haar ideëen, en de meest klassebewuste arbeiders moet proberen te organiseren. Te veel de nadruk leggen op de ene poot zorgt ervoor dat we het toekomstperspectief – een socialistische maatschappij – uit het oog verliezen en vervallen in populisme, het simpelweg versterken van het geluid waar ‘de massa’, al dan niet beinvloed door de massamedia, op enig moment zich druk om maakt. Leggen we daarentegen teveel de nadruk op de andere poot, dan vervallen we tot studeerkamergeleerden, die het ‘achterlijke volk’ wel eens even uit zullen komen leggen hoe de wereld in elkaar steekt.

Beide zijn nodig om stappen vooruit te kunnen zetten. We moeten bij onze uitingen, ons optreden, onze toon en tactiek rekening houden met de objectieve situatie, met het bewustzijn van de arbeidersklasse. Maar we moeten zeker niet stil blijven staan bij de strijd voor dagelijkse belangen, maar deze strijd proberen verder te trekken. Immers, overwinningen geboekt binnen het kapitalisme zijn slechts tijdelijk. Om een concreet voorbeeld te noemen: in de Biesbosch-actie had de SP de strijd verder moeten politiseren, duidelijk moeten maken dat zolang grond en delfstoffen in handen zijn van het kapitaal, dit soort excessen zich voor blijven doen. De SP had gebruik moeten maken van de gunstige omstandigheden van verzet en kritiek om dit verzet te politiseren en in ieder geval een poging moeten ondernemen om het politiek bewustzijn van de betrokkenen op een hoger plan te tillen. Het nalaten hiervan kenmerkt de SP anno 2001.

bedrijvenwerk
Willem maakt een correcte analyse van de maatschappij en de klassentegenstellingen. Ook hier geldt nadrukkelijk, dat wij bij het werk in kantoor en fabriek ons niet moeten beperken tot concrete eisen in het hier en nu, maar duidelijk moeten proberen te maken dat slechts een internationale socialistische revolutie in staat zal zijn om de macht van het kapitaal definitief te breken. Dat is geen gemakkelijke, eenvoudig te verkondigen boodschap, maar dat moet ons er niet van weerhouden deze link constant te leggen, steeds een koppeling moeten maken van de concrete eisen van de arbeidersklasse naar de strijd voor een socialistische maatschappij. Wij zijn immers geen sociaal-democratische, maar een socialistische partij, die niet slechts de ruwe kantjes van het kapitalisme af wil vijlen, maar het kapitalisme als achterhaald en onrechtvaardig systeem overboord wil zetten.

Wij moeten ons dan ook niet alleen als een electoraal alternatief presenteren voor de meer bewuste vakbondsleden (waaronder de SP al populairder is dan het landelijk gemiddelde), maar een werking ontwikkelen richting die vakbondsleden die in verzet beginnen te komen tegen hun eigen, verrotte leiding, zoals de NS-ers bij de personeelscollectieven. Bijvoorbeeld: in plaats van ons alleen op de ‘het publiek’ te richten met pamfletten tijdens de NS-stakingen (waarin het overigens prima initiatief van het NS-Reizigerscollectief werd verzwegen), hadden we juist ook onze leden bij het spoor bijeen moeten roepen, en een strategie uit moeten stippelen. Een strategie om samen met andere linkse krachten in de bond een strijdbare vleugel op te zetten tegen de leiding in. Een dergelijk initiatief leidde onlangs, daags na de verkiezingsoverwinning van Labour in Engeland, tot het ‘heroverwegen’ van de traditionele banden tussen UNISON, de grootste Britse bond, en diezelfde Labourpaty die gekenmerkt wordt door haar anti-bond-beleid en haar privatiseringen.

Uiteindelijk ligt alle kracht tot verandering niet in het parlement, maar in de strijdbare arbeidersbeweging, waarin trouwens jongeren een stimulerende rol als ‘aanjager’ in kunnen spelen. Kijk maar hoe de grootste algemene staking in Griekenland sinds decennia onlangs bereikte wat via het parlement niet lukte: het stoppen van (door de EU gestelde) plannen van de regering om de pensioenen drastisch uit te kleden.

scholing
Scholing in het kunnen begrijpen en analyseren van de wereld om ons heen, de lessen van de geschiedenis kunnen trekken, en de dynamiek van de maatschappij kunnen beoordelen, is noodzakelijk voor iedereen die zich socialist noemt. Het getuigt van een verregaande vorm van genoegzaam achterover leunen als kameraden stellen geen scholing nodig te hebben, er van uit gaan zelf wel hun analyse kunnen maken. Het onstaan van een dergelijke cultuur leidt tot subjectivisme en trekt een zware wissel op het vermogen van de partij in al haar geledingen om een correcte analyse van de gebeurtenissen om ons heen te maken. Aangezien de strijd voor het socialisme niet iets van de laatste tien jaar is, is het noodzakelijk om ook de lessen van de geschiedenis te bestuderen. Niet uit historische belangstelling, maar om wetmatigheden in de ontwikkeling van de maatschappij te kunnen ontdekken, om ons als partij te kunnen wapenen tegen eerder gemaakte fouten.

Naast een basis in de marxistische filosofie (het dialectisch materialisme) is het ook van groot belang om bijvoorbeeld te bestuderen waarom de Russische arbeiders er in 1917 wel in slaagden om de macht te grijpen, en de Franse in 1968 werden teruggeslagen in een situatie die minstens zo gunstig was. Waarom de Sovjet-staat na een succesvolle start in de jaren ’20 degenereerde tot een Stalinistische bureaucratie, enzovoort. Nogmaals: niet uit (louter) historische interesse of om dogmatisch stellingen van Marx en Lenin in 2001 toe te passen, maar om de ervaringen die in de lange strijd zijn opgedaan te kunnen gebruiken in de strijd anno nu. Helaas beperkt de SP haar politieke scholingen vandaag de dag tot het ‘uitleggen’ van wat er in Heel de Mens staat.

onze partij
Willem schrijft in de notitie: ‘De SP staat terecht op het standpunt dat de parlementaire democratie de meest democratische bestuursvorm is. Tenslotte is de parlementaire democratie gebaseerd op het principe van “one man, one vote”, democratischer is eigenlijk niet denkbaar.’ In werkelijkheid is de democratie zoals wij die kennen beperkt tot ‘one man, one vote eens per vier jaar’, is zij beperkt in haar macht (het reilen en zeilen van de economie valt er bijvoorbeeld niet onder, want de – grote – bedrijven zijn nu prive-eigendom), en staat op een voetstuk hoog boven de maatschappij. De belangrijke beslissingen worden gemaakt op de aandeelhoudersvergadering van Shell en Philips, de ingrijpenste plannen op al dan niet informele bijeenkomsten van Europese topindustriëlen. De burgerlijke parlementaire democratie lijkt mij dus een slecht uitgangspunt voor de democratie zoals wij die voorstaan; een democratie van onderop.

Wat dan wel? Laten we eens kijken hoe de arbeidersklasse zelf de maatschappij organiseert als zij het voor het zeggen heeft. In de Russische revoluties in 1905 en 1917, maar ook bijvoorbeeld in Frankrijk in 1968, namen de arbeiders het heft zelf in handen nadat ze de fabrieken hadden bezet. Zij richtten comités op die zich bezig hielden met de organisatie van de productie, met kameraden die zij uit hun midden hadden gekozen, die aan hen verantwoording verschuldigd waren en die zij bij gebleken ongeschiktheid konden vervangen. Op vaak grote bijeenkomsten, waarop iedereen zijn zegje kon doen, werd de koers bepaald. De studenten op de universiteiten en de arbeiders op het platteland organiseerden zich op een zelfde manier. De sovjets (raden) in Rusland, de comités in Frankrijk waren de embryo’s van een socialistische democratie van onderop.

In zijn boek ‘Staat en Revolutie’ beschrijft Lenin de eisen aan een arbeidersdemocratie, die wat mij betreft nog recht overeind staan:

  • Verkiezing van alle vertegenwoordigers op alle niveaus
  • Herroepbaarheid van alle vertegenwoordigers door hun achterban
  • Een arbeiderssalaris voor een arbeidersvertegenwoordiger

Willem constateert terecht, dat voor het bereiken van het socialisme meer nodig is dan 51 procent van de stemmen. Wie het idee heeft dat het socialisme voor het grijpen ligt als we eenmaal zover zijn, heeft weinig geleerd van Chili in 1973. De ondernemers startten toen onmiddellijk een boycot, een investeringsstop en aarzelden zelfs niet om het leger onder leiding van Pinochet een staatsgreep te laten plegen toen de socialistische partij aldaar de meerderheid bij verkiezingen kreeg en trachtte via het parlement socialistische hervormingen door te voeren. Door de illusies van Allende in de parlementaire democratie ontbrak het de arbeiders aan wapens om zich te verzetten tegen de terreur. Nog nooit heeft het kapitalisme vrijwillig afstand gedaan van haar macht. Om het kapitaal het zwijgen op te leggen is het nodig dat de economische macht uit handen van de kleine kapitalistische klasse gerukt wordt en terecht komt bij de arbeidersklasse.

de organisatie
Willem constateert een bepaalde spanning tussen ‘Rotterdam’ als centrale partijorganisatie en de partij, c.q. de afdelingen in het land. Leden in een afdeling voelen zich vaak minder betrokken bij de landelijke partij, minderheidsstandpunten krijgen nauwelijks de kans om te concurreren met het ‘officiële’ partijstandpunt. Dit leidt bij veel leden tot vervreemding van de partijtop.

De traditionele organisatievorm van een socialistische organisatie is het democratisch centralisme: belangrijke besluiten worden genomen na een uitgebreide interne discussie, waarbij iedereen zijn of haar zegje kan doen, waarna het door een meerderheid genomen besluit uitgevoerd wordt. Dit werkt uitstekend, zolang er aan de voorwaarde van de interne discussie wordt voldaan. Zeker in perioden voorafgaand aan congressen en andere belangrijke beslismomenten is het mogelijk dat verschillende meningen naast elkaar bestaan in de partij, dat er alternatieve documenten worden opgesteld, of dat leden zich organiseren rondom een standpunt of manifest (zoals het discussiestuk van Willem c.s.). Dat is een gezonde ontwikkeling in een gezonde, democratisch georganiseerde partij. Je kunt immers niet verwachten of eisen dat alle 26.000 leden hetzelfde denken.

De organisatie van de partij, zowel landelijk als plaatselijk, moet er op gericht zijn om dit democratisch proces de ruimte te geven. Denk dan bijvoorbeeld aan:

  • Maandelijkse afdelingsvergaderingen waarop de politieke koers bepaald wordt en belangrijke organisatorische besluiten worden genomen;
  • Congressen die minimaal eens per jaar worden gehouden en waarop meer ruimte is voor discussie dan nu;
  • Opvoeren van de frequentie van de Partijraad;
  • Omvorming van Spanning van een ‘mededelingenblad’ van het partijbestuur naar een discussie-forum wat open staat voor verschillende stromingen en inzichten die binnen de partij leven;

jongeren
Het socialisme, in welke vorm dan ook, is in discrediet gebracht toen met de val van de muur bleek welke misstanden er, onder de vlag van het ‘socialisme’, in de Oostblok-landen hebben plaatsgevonden. Helaas heeft de SP nooit een duidelijke analyse gemaakt van wat er nu fout ging, waarom het aanvankelijk zo succesvolle initiatief verpletterd werd onder bureaucratie en terreur. Maar al was dat gebeurd; het idee dat er een andere wereld mogelijk was kreeg een stevige knauw en het kapitalisme (en haar meest recente vorm, het neo-liberalisme), als ‘enig overgebleven initiatief’ vierde hoogtij.

Inmiddels is er echter een groep jongeren die niet de verwarring en de ideologische nederlaag van het zogenaamde socialisme heeft meegemaakt, en die op zoek is naar een alternatief. De anti-kapitalistische beweging groeit snel, óók in Nederland waar in juni honderen radicaal-linkse actievoerders, vooral jongeren, samenkwamen om te bespreken hoe de beweging verder opgebouwd kon worden. De massale demonstraties in Nice, Praag, Gothenborg en in Genua hebben een duidelijk anti-kapitalistisch karakter en radicaliseren snel. Veel jongeren zijn ervan overtuigd dat ‘dit systeem’ niet deugt en zijn zoekende naar een alternatief. Juist daarom is het van belang dat de SP intervenieert in deze beweging en een campagne opstart om duidelijk te maken waar wij voor staan en hoe wij het socialisme willen bereiken.

Natuurlijk zijn ervaring en continuiteit belangrijk, maar het kan ook niet vaak genoeg gezegd worden dat jongeren de toekomst vormgeven. Er bestaat een wijdverbreid misverstand dat het Communistisch Manifest is geschreven door twee oude mannen met grote grijze baarden. Integendeel: Marx en Engels waren dertig respectievelijk achtentwintig toen zij dit manifest opstelden; Marx had een korte zwarte baard en Engels zelfs géén. Trotski was zesentwintig toen hij in 1905 de leiding had in de Petrogradse Sovjet. De opstand in Frankrijk in 1968 werd in gang gezet door studenten en scholieren en gevolgd door tien miljoen stakende arbeiders. Ook anno 2001 zijn het de jongeren die voorop lopen in de strijd.

internationalisme
Misschien wel de belangrijkste reden dat de Sovjet-Unie is verworden van een ontluikende socialistische maatschappij tot een stalinistische bureaucratie is haar isolatie. Hoewel in de perioden vlak na de twee wereldoorlogen een revolutionaire golf door Europa waarde, is alleen in Rusland de arbeidersklasse erin geslaagd de macht te grijpen. Het mislukken van de revoluties in Europa en China tussen W.O.I en het einde van de twintiger jaren leidde tot demoralisatie bij de arbeiders en uiteindelijk het door Stalin naar voren gebrachte idee dat het mogelijk was op het socialisme in één land op te bouwen.

Het kapitalisme kan slechts definitief overwonnen worden als de revolutie (die uiteraard in één land begint) overslaat en de arbeidersklasse internationaal de macht grijpt. Het is een gevaarlijk waanidee dat Nederland als enige de kapitalisten de deur ‘uit kan gooien’ en een socialistisch ‘eiland’ kan vormen. Aangezien het kapitaal internationaal georganiseerd is, dient ook de beweging die opkomt voor het socialisme internationaal te zijn. Helaas beperkt de SP zich tot informele contacten met partijen elders, en op zijn best samenwerking in de linkse fractie in het Europarlement.

De SP zou nauwere samenwerkingsverbanden aan moeten gaan met socialistische partijen in andere landen met een gelijksoortig programma. Zo kunnen we onze strijd- en actiemethoden op elkaar afstemmen, leren van elkaars ervaringen, successen en fouten, en onze krachten bundelen. Door historische oorzaken (de maoistische afkomst) is de SP nationaal georganiseerd, en niet internationaal. Dat mag echter geen reden zijn om niet over de grens heen te kijken, om nauwer samen te werken met andere organisaties in het buitenland, en om uiteindelijk te streven naar een internationale federatie van socialisten. Of zoals Marx en Engels in het Communistisch Manifest stelden:
‘Arbeiders aller landen, verenigt U!’

Johan Kwisthout, juli 2001

Blog op WordPress.com.