Platform Rosa blog

27 oktober 2007

SP verliest contact met doelgroep: wat te doen?

Filed under: In raad en daad,Socialisme — platformrosa @ 1:18 18

De SP verliest momenteel fors in de peilingen. Bij de Nova-peiling van 26 oktober haalde de partij nog maar 17 zetels, tegenover de 25 die ze nu in de Kamer heeft. De partij verliest bijna vijf procentpunt van haar aanhang. Verdonk en Wilders halen samen 31 zetels in de peilingen. Dit resultaat lijkt nauwelijks toe te schrijven aan de negatieve publiciteit die de SP deze zomer ten deel viel – die is inmiddels weer ver weggeëbd. Er is meer aan de hand: de SP verliest het contact met een belangrijk deel van haar doelgroep. Het beeld wat de gewone man (laten we zeggen: iedereen met een inkomen tot modaal) van de SP zou moeten hebben, is dat van een partij die solidariteit hoog in het vaandel heeft, dicht bij de mensen staat en oog heeft voor hun problemen zonder populistisch te zijn, die vernieuwend is en een visie heeft op Nederland en de wereld.

Solidariteit zit wel goed: als het gaat om zorg, armoedebestrijding, en internationale solidariteit weten mensen ons te vinden. Maar hoe dicht staat de SP vandaag de dag nog werkelijk bij de mensen? Hoe vaak zijn SP’ers nu écht te vinden in de wijken om uit eerste hand te horen wat er speelt? Hoeveel oog heeft de SP voor reëel bestaande problemen zoals leefbaarheid, criminaliteit, veiligheid, overlast, beheer van de openbare ruimte en dergelijke? Hoeveel heeft de SP geleerd van de opkomst van de Leefbaar-partijen in de afgelopen jaren?

Veiligheid – hoewel gekaapt door rechtse populisten – is een links thema! Immers, de mensen die het meest te maken hebben met criminaliteit, overlast, bedreigende situaties en geweldsdelicten zijn niet de mensen in de ‘gegoede wijken’, maar de inwoners van de traditionele arbeiderswijken. Hetzelfde geldt voor het aanzien van de openbare ruimte (hoe ziet je directe woonomgeving eruit?) De veegwagen en de snoeiploeg komt over het algemeen vaker langs in het toeristisch centrum en in de betere wijken dan in de arbeidersbuurten. Deze reëel bestaande problemen worden soms ongenuanceerd geuit. Iedere raadsfractie zal wel eens brieven ontvangen waarin geklaagd wordt over ‘kut-Marokkanen’ of waarin geëist wordt dat de ‘Polen het land uitgesodemieterd worden’. Te vaak reden om de klachten maar terzijde te schuiven.

Als links er niet in slaagt om socialistische antwoorden te vinden op problemen die mensen ervaren, dan komen ze vanzelf terecht bij de eenvoudige, populistische en xenofobe antwoorden van Wilders en Verdonk. Het onderzoeken van de situatie en het formuleren van die antwoorden vereist goed geschoolde kaderleden, die dieper liggende oorzaken kunnen doorgronden, en niet verzanden in hetzij de kop in het zand steken (‘het is allemaal racistisch gebral’), hetzij met schijn-oplossingen komen (‘dat tuig moet harder aangepakt worden’).

Iedere SP-afdeling zou een speerpunt moeten maken van dit soort onderwerpen. Dat betekent luisteren naar mensen, dieper liggende oorzaken achterhalen, oplossingen aandragen, actie ondernemen en vooral bij iedere stap de mensen op de hoogte brengen. Neem als voorbeeld de ervaren overlast van Polen. Deze mensen worden door huisjesmelkers vaak met velen in een veel te kleine woning gehuisvest voor veel te hoge huurprijzen. Ze staan vaak met de rug tegen de muur – zijn zonder woonruimte – of kennen hun rechten niet. Huisjesmelkers en illegale uitzendbureaus verdienen er veel aan; controle op naleving van de regels lijkt vaak niet te gebeuren. De concentratie van deze mensen in te kleine woonruimte leidt vaak tot geluids- en parkeeroverlast. De SP-fractie of afdeling kan – na gedegen (buurt-)onderzoek – maatregelen eisen van het college: bijvoorbeeld hard optreden tegen huisjesmelkers waardoor illegale bewoning en daarmee overlast afneemt; bedrijven verantwoordelijk stellen voor fatsoenlijke huisvesting van seizoensarbeiders. Bij iedere stap hoort de buurt goed geïnformeerd te worden. Hiermee laten we zien dat we hun problemen serieus nemen, maar hebben we ook een gelegenheid om onze socialistische analyse van het probleem over te brengen.

De SP staat traditioneel bekend als een partij die in de wijken aanwezig is en weet wat er leeft. Het vereist een grote krachtsinspanning van de partij om dat waar te maken, en nieuwe partijgenoten (die deze ervaring vaak niet hebben) te scholen in alle praktische en inhoudelijke aspecten die daarmee samenhangen.

Advertenties

19 oktober 2007

Mogen socialisten deelnemen aan een burgerlijke regering?

Filed under: Socialisme — platformrosa @ 12:02 02

Deelname aan colleges van B en W is inmiddels geen bezienswaardigheid meer binnen de SP. Ook op provinciaal en landelijk niveau streeft de SP onder voorwaarden naar deelname aan respectievelijk Gedeputeerde Staten en de regering. Maar hoe verhoudt het deelnemen aan een regering, in een coalitie met niet-socialistische partijen, binnen de randvoorwaarden die het kapitalisme ons oplegt, met ons bredere doel op middellange termijn om te komen tot een socialistische wereld? Deze discussie moet volgens Platform Rosa uitgebreid gevoerd worden binnen de partij. Wie kunnen we beter de inleiding laten verzorgen dan Rosa Luxemburg zelf?

Op 22 juni 1899 werd de rechtse socialist Millerand minister van handel in de Franse regering. Hij was de enige socialistische minister in het kabinet Waldeck-Rousseau, dat verder bestond uit vertegenwoordigers van de burgerlijke partijen. Deze stap, die Millerand zette tegen de wil van de meerderheid van zijn eigen partij in, bracht internationaal een discussie op gang over de vraag of socialisten zouden mogen deelnemen aan een regering binnen het kapitalisme. Op 6 juli 1899 verscheen in de Leipziger Volkszeitung dit artikel van Rosa Luxemburg, waarin ze krachtig beargumenteert dat regeringsdeelname door socialisten een stap terug is in de strijd, niet een stap vooruit.

Noot over de tekst: Het woord ‘sociaal-democraat’ werd tot 1917 ook door revolutionaire socialisten gebruikt om zichzelf te beschrijven. Deze vertaling is van Pepijn Brandon uit: Rosa Luxemburg, Gesammelte Werke Band 1, Erster Halbband (Berlijn 1979) 483-486.

Een tactische vraag
Leipzig, 6 juli 1899

Het aantreden van Millerand in de regering Waldeck-Rousseau kan niet alleen voor de socialisten in Frankrijk, maar ook in andere landen een geschikte aanleiding bieden voor veel tactisch-principiële beschouwingen. De actieve deelname van socialisten aan een burgerlijke regering is in ieder geval een verschijnsel, dat buiten het raamwerk van de gewone activiteiten van socialisten ligt. Hebben we hier te maken met een even terechte en doelmatige manier om de zaak van het proletariaat te dienen, als bijvoorbeeld het geval is bij het werk in het parlement of de gemeenteraad? Of is de deelname van socialisten aan burgerlijke regeringen soms een uitzonderingsgeval, dat onder bepaalde voorwaarden toelaatbaar en noodzakelijk is, en onder andere omstandigheden verwerpelijk en schadelijk?
Van het standpunt van de opportunistische benadering van het socialisme uit bezien, die de laatste tijd in onze partij vooral in de theorie van Bernstein opgeld doet, dat wil zeggen vanuit het standpunt van de stapsgewijze invoering van het socialisme in de burgerlijke maatschappij, moet ook het aantreden van socialistische elementen in de regering zowel gewenst als natuurlijk lijken. Als we het socialisme toch geleidelijk, in kleine doses de kapitalistische maatschappij in kunnen smokkelen, en als de kapitalistische staat anderzijds vanzelf geleidelijk in een socialistische staat verandert, dan is een steeds toenemende opname van socialisten in de burgerlijke regering zelfs een natuurlijk resultaat van de democratische ontwikkeling van de burgerlijke staat, die volledig overeenstemt met de veronderstelde tendens naar een socialistische meerderheid in de wetgevende lichamen. Terwijl dit geval op deze manier met de opportunistische theorie klopt, komt ze niet minder overeen met de opportunistische praktijk. Omdat het bereiken van dichtbijliggende, tastbare resultaten, langs welke weg dat ook gebeurt, het leidsnoer van deze praktijk vormt, moet het aantreden van een socialist in de burgerlijke regering voor de ‘praktische politici’ ook een succes van onschatbare waarde lijken. Wat kan een socialistische minister welniet allemaal aan kleine verbeteringen, verlichtingen en allerlei soorten sociaal lapwerk doorvoeren!
De vraag krijgt een heel andere vorm als we van het standpunt uitgaan, dat de invoering van het socialisme pas na de ineenstorting van de kapitalistische orde begonnen kan worden en dat de socialistische activiteit in het hier en nu zich beperkt tot de – objectieve en subjectieve – voorbereiding van dit moment door de klassenstrijd. Om praktisch te werken moet de sociaal-democratie natuurlijk alle bereikbare posities in de huidige staat innemen, zichzelf overal naar voren dringen. Maar daarbij geldt als voorwaarde dat het gaat om posities, waar vanuit men de klassenstrijd, de strijd met de bourgeoisie en haar staat kan voeren.
In dit opzicht bestaat er echter een wezenlijk onderscheid tussen de wetgevende lichamen en de regering van een burgerlijke staat. In de parlementen kunnen de vertegenwoordigers van de arbeiders, als ze hun eisen niet kunnen doordrukken, ze tenminste op zo’n manier naar voren brengen, dat ze in de oppositie blijven. De regering daarentegen, die de uitvoering van wetten, de actie, tot opgave heeft, heeft binnen haar grenzen geen ruimte voor principiële oppositie. Ze moet in al haar gelederen voortdurend handelen, ze moet daarom, ook als ze uit verschillende partijen bestaat zoals in Frankrijk sinds enige jaren in de gemengde regeringen het geval is, toch steeds een fundamenteel gemeenschappelijke bodem onder de voeten hebben, die haar het handelen mogelijk maakt. Die bodem is de bodem van het bestaande, met andere woorden, de bodem van de burgerlijke staat. De meest extreme vertegenwoordiger van het burgerlijke radicalisme kan over het geheel genomen met de grootste conservatief samen regeren. Maar een principiële tegenstander van het bestaande staat voor twee alternatieven: ofwel bij elke stap die gezet wordt tegen de burgerlijke meerderheid van de regering oppositie te voeren, dat betekent in de praktijk geen actief lid van de regering te zijn – een ogenschijnlijk onhoudbare toestand, die tot de verwijdering van het socialistische lid uit de regering moet leiden – ofwel uiteindelijk de zaken te helpen uitvoeren, de functies te verrichten die nodig zijn om van dag tot dag en van uur tot uur de staatsmachine in die regeringstak overeind te houden en voortgang te geven. Dat betekent in werkelijkheid geen socialist zijn, in ieder geval niet binnen de grenzen van het regeringsambt.
Toegegeven, de sociaal-democratie heeft in haar programma veel eisen staan die ook door een burgerlijke regering, net zoals door een burgerlijk parlement, in ieder geval abstract gesproken aangenomen zouden kunnen worden. Het zou daarom op het eerste gezicht kunnen voorkomen, dat een socialist net als in het parlement ook in de regering de zaak van het proletariaat dient, door ernaar te streven om wat mogelijk en haalbaar is aan sociale hervormingen in zijn belang door te drukken. Maar hierin wordt opnieuw duidelijk wat de opportunistische politiek steeds buiten beschouwing laat. Namelijk, dat het bij de sociaal-democratische strijd niet in de eerste plaats om het wat, maar om het hoe gaat. Als de sociaal-democratische vertegenwoordigers in de wetgevende lichamen proberen sociale hervormingen door te voeren, hebben ze de volledige mogelijkheid om door hun gelijktijdige oppositie tegen de burgerlijke wetgeving en de burgerlijke regering in haar geheel – wat bijvoorbeeld heel zichtbaar naar voren komt in de afwijzing van de begroting – ook hun strijd voor burgerlijke hervormingen een principieel socialistisch karakter te geven, het karakter van de proletarische klassenstrijd. Een sociaal-democraat daarentegen, die dezelfde sociale hervormingen als lid van de regering nastreeft, dus terwijl hij gelijktijdig de burgerlijke staat in zijn geheel actief ondersteunt, reduceert zijn socialisme in de praktijk in het beste geval tot burgerlijke democratie of burgerlijke arbeiderspolitiek. Terwijl daarom de eisen van de sociaal-democraten in de volksvertegenwoordiging tot versterking van de klassenstrijd leiden, tot bevordering van de zaak van het proletariaat, kan hun betrokkenheid in de regeringen alleen corruptie en verwarring in de rijen van de sociaal-democratie tot gevolg hebben. De vertegenwoordigers van de arbeidersklasse kunnen, zonder hun rol te verloochenen, slechts in één geval in een burgerlijke regering zitting nemen: om zich haar gelijktijdig meester te maken en haar te veranderen in de regering van de arbeidersklasse aan de macht.
Er kunnen zeker momenten zijn in de ontwikkeling, of eigenlijk de ondergang van de kapitalistische maatschappij, waarop het voor de vertegenwoordigers van het proletariaat nog niet mogelijk is om volledig de macht te grijpen, maar hun deelname aan de burgerlijke regering noodzakelijk blijkt. Dit is het geval als de vrijheid van het land of de democratische verworvenheden zoals de republiek in het geding zijn, terwijl de burgerlijke regering zelf al te gecompromitteerd en te gedesorganiseerd is om zich op de steun van het volk te beroepen zonder de hulp van de vertegenwoordigers van de arbeiders. In zo’n geval mogen de vertegenwoordigers van de werkende massa zich natuurlijk niet op basis van een star vasthouden aan abstracte principes aan de verdediging van de gemeenschappelijke zaak onttrekken. Maar ook dan moet de deelname van de sociaal-democraten aan de regering gebeuren in een vorm, die noch bij de bourgeoisie, noch bij het volk, de kleinste twijfel kan laten bestaan over het tijdelijke karakter en het uiteindelijke doel van hun optreden. Men andere woorden, het zitting nemen van socialisten in de regering mag ook dan niet uitlopen op solidariteit met haar activiteit en het geheel van haar stellingname. Het is dan ook twijfelachtig, of juist de bovengenoemde situatie nu in Frankrijk bereikt is, want de socialistische partijen hadden zich van tevoren, zonder aan regeringsdeelname te denken, al bereid verklaard om elke werkelijk republikeinse regering te ondersteunen, terwijl ze juist door het aantreden van Millerand in het kabinet, wat in ieder geval gebeurde zonder welke toestemming dan ook van de kant van zijn geestverwanten, gedeeltelijk voor deze steun terugschrokken. Hier gaat het ons echter niet om een beoordeling van het speciale geval van het kabinet Waldeck-Rousseau, maar om de vaststelling van een algemene richtlijn op basis van onze principes. Van dit standpunt uit bezien, blijkt het aantreden van socialisten in burgerlijke regeringen een experiment, dat alleen maar schade aan kan richten aan de klassenstrijd.
In de burgerlijke maatschappij is de sociaal-democratie wezenlijk voorbestemd de rol van een oppositiepartij te spelen, als regerende partij mag ze pas optreden op de ruïnes van de burgerlijke staat.

Rosa Luxemburg

11 oktober 2007

Afdrachtregeling is kroonjuweel SP

Filed under: Partijorganisatie,Socialisme — platformrosa @ 10:41 41

De afdrachtregeling van de SP kent als uitgangspunt dat volksvertegenwoordigers, van raadslid tot parlementariër, financieel niet voor- of achteruitgaan als gevolg van hun positie. Zij laten hun presentiegeld, wedde, en onkostenvergoeding rechtstreeks overmaken naar de partij; men tekent hier een overeenkomst van cessie voor. De partij van haar kant retourneert een standaard onkostenvergoeding van 25% van de raadsvergoeding om bijvoorbeeld verletkosten, kinderopvang, reis- en andere onkosten te dekken. Voor bijzondere gevallen – bijvoorbeeld uitkeringsgerechtigden of studenten met studiefinanciering – gelden bijzondere regels op maat.

Uitgangspunt is en blijft dat volksvertegenwoordigers financieel niet wijzer worden van hun functie. De vergoeding is dan ook nadrukkelijk geen beloning voor verrichte diensten maar een gestandaardiseerde uitvoering van dat principe. Indien raadsleden merken dat ze iedere maand ineens een stukje ruimer in de portemonnee komen worden ze, naar eer en geweten, geacht om dit richting de SP te compenseren. Bijvoorbeeld door wat meer contributie te betalen, de afdelingskas wat te spekken of wat betaalde uren vrij te maken voor SP-werk. Kamerleden daarentegen zijn fulltime (Tweede Kamer) of parttime (Eerste Kamer) parlementariër. Zij dragen een groot deel van de hen toekomende vergoeding af aan de partij en houden een modaal salaris over.

Deze afdrachtregeling is in de afgelopen maanden negatief in het nieuws gekomen. Overigens niet voor het eerst: ook in de jaren ’90 stapten raadsleden op en gingen op eigen titel verder, waarbij het af moeten dragen van de raadsvergoeding vaak een van de argumenten voor de zetelroof was. Verschillende Kamervoorzitters en ministers van Binnenlandse Zaken bogen zich – vergeefs – over de regeling in een poging de SP te dwarsbomen in de uitvoering van dit partijprincipe. Ook tijdens de congresdiscussie is dit onderwerp (zoals op ieder organisatorisch congres!) onderwerp van bespreking.

Voor Platform Rosa is de afdrachtregeling een van de kroonjuwelen van de SP. Wij juichen het toe dat binnen de SP alle kaderleden gelijkwaardig zijn: iedereen die zich voor de SP inzet, doet dat op vrijwillige basis, vanuit een hartstochtelijke verontwaardiging over onrecht wat thans op de wereld aanwezig is, en een grote overtuiging om daar naar vermogen wat aan te veranderen. Dat is een groot goed en voorkomt cynisme, scheve gezichten, en carrièrejagers. Soms is het onvermijdelijk dat mensen in dienst van de SP komen, omdat de partij een dergelijk groot beroep op hen doet dat het niet mogelijk is om daarnaast een betaalde baan te hebben. Wat Rosa betreft, zou voor hen moeten gelden: betaling volgens de normaal geldende CAO voor de vakmensen (bijvoorbeeld de drukkers of de layouters), en voor de politieke full-timers het gemiddelde loon van een geschoold arbeider. Het geldende loongebouw binnen de SP komt een eind in de goede richting.

Maar de afdrachtregeling is méér dan een methode om de ‘moraal’ onder ‘de troepen’ hoog te houden, carrièrejagers buiten de deur te houden, en de nodige financiële middelen te genereren. Een ander aspect blijft wat buiten beschouwing, en dat is de geloofwaardigheid en rechtstreekse betrokkenheid van onze volksvertegenwoordigers bij hen die ze vertegenwoordigen. Indien de materiële omstandigheden van vertegenwoordigers en vertegenwoordigden te ver uit elkaar lopen, wordt ook anderszins de afstand tussen SP-kiezer en SP-vertegenwoordiger groter. Wie zelf nooit zuinig aan hoeft te doen, heeft minder inlevingsvermogen bij hen die regelmatig aan het eind van hun geld een stukje maand overhouden. De andere kant zal ook meer moeite hebben om onze verkozenen als ‘een van ons’ te herkennen als dit beperkt blijft tot mooie woorden en holle retoriek. ‘Een van ons’ wil zeggen dat je voorop loopt in de strijd en voor jezelf niet meer reserveert dan de mensen waarvoor je actief bent. Solidariteit is ook op dit punt noodzakelijk om als SP een ‘vis in het water’ te blijven.

Samengevat: Platform Rosa verdedigt de afdrachtregeling van de SP tegen de burgerlijke kritiek van ministers en hoogleraren wiens partijen de georganiseerde solidariteit binnen de SP niet bij kunnen benen met contributies, subsidies en bedrijfs-sponsoring. We verdedigen de afdrachtregeling tegen raadsleden die vinden dat hun werk hoger aangeslagen dient te worden dan het werk van bestuursleden, folderaars, kaderleden die voor dag en dauw aan de fabriekspoort staan en vrijwilligers die door weer en wind voor de SP op pad gaan. Zonder dat daar meer dan een kop koffie tegenover staat. Wél zijn we van mening dat de politieke betekenis van de afdrachtregeling nog meer dan nu centraal moet staan in de scholing van aankomende SP-vertegenwoordigers, maar ook in de informatie naar buiten toe.

7 oktober 2007

Che Guevara veertig jaar geleden vermoord

Filed under: Socialisme — platformrosa @ 1:10 10

Op 9 oktober 2007 is het veertig jaar geleden dat Che Guevara in het dorp La Higuera in Bolivia werd geëxecuteerd op instigatie van CIA-agent Felix Rodriquez. Een dag eerder was hij gevangen genomen tijdens een hopeloos gevecht tussen zijn kleine guerilla-groep met 1500 soldaten van het Boliviaanse leger. Nu, veertig jaar na zijn dood, is Che nog steeds een legende. Talloze radicaliserende jongeren associëren zich met zijn rebelse karakter. Zijn beeltenis siert menig T-shirt – en commerciële reclame. Niet lang geleden werd zijn onder de titel ‘Motercycle diaries’ zijn vormende periode tijdens een motortocht door Latijns-Amerika in beeld gebracht.

Che is méér dan een icoon. Che was een revolutionair strijder en een internationalist pur sang, en de nog steeds toenemende interesse in zijn denken en doen voor, tijdens, en na de Cubaanse revolutie illustreert de toenemende interesse van een nieuwe generatie voor socialistische ideeën. Maar in het romantische beeld van de ruwe bolster Che Guevara blijven zijn politieke ideeën vaak buiten beschouwing. Platform Rosa wil graag een bijdrage leveren aan het verder bediscussiëren van Che’s politieke standpunten. We verwijzen hier naar een uitstekende brochure van Tony Saunois, in het Nederlands vertaald in een artikel op marxisme.net. Veel leesplezier en je reacties zijn welkom!

Maak een gratis website of blog op WordPress.com.